Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, kort geding civiel recht overig

ECLI:NL:OGEAM:2026:74

Op 8 May 2026 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten een kort geding procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is SXM202600248, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAM:2026:74.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
SXM202600248
Datum uitspraak:
8 May 2026
Datum publicatie:
24 June 2026

Indicatie

Vervolg van vonnis 10 april 2026. Eiser zal in een bodemprocedure bewijs moeten leveren van de echtheid van twee handtekeningen. Het Gerecht oordeelt in dit kort geding dat niet aannemelijk is dat hij daarin zal slagen. De vordering van gedaagde tot ontruiming wordt daarom toegewezen.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202600248

Vonnisdatum: 8 mei 2026

in de zaak van

[eiser],

wonende in Sint Maarten,

eiser,

gemachtigde: mr. J.G. Snow,

tegen

[gedaagde],

wonende in Frankrijk,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J. Veen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

De zaak in het kort

Vervolg van vonnis 10 april 2026. Eiser zal in een bodemprocedure bewijs moeten leveren van de echtheid van twee handtekeningen. Het Gerecht oordeelt in dit kort geding dat niet aannemelijk is dat hij daarin zal slagen. De vordering van gedaagde tot ontruiming wordt daarom toegewezen.

The case in brief

Continuation of the judgment of April 10, 2026. In the main proceedings, the plaintiff will be required to provide evidence of the authenticity of two signatures. In these preliminary relief proceedings, the Court finds that it is not plausible that he will succeed in doing so. The defendant’s claim for eviction is therefore granted.

1
Verloop van de procedure
1.1.

Voor het verloop van de procedure verwijst het Gerecht naar het tussenvonnis van 10 april 2026. De verdere behandeling van de zaak is aangehouden tot vandaag.

1.2.

De gemachtigde van [gedaagde] heeft op 20 april 2026 stukken aan het Gerecht toegestuurd. De gemachtigde van [eiser] heeft daartegen bij brief van 23 april 2026 bezwaar gemaakt en zelf ook stukken in het geding gebracht.

1.3.

Ter zitting heeft het Gerecht de stukken van beide zijden geweigerd. De overweging daartoe was dat in het tussenvonnis is bepaald dat deze zaak ter verdere mondelinge behandeling is verwezen uitsluitend om [eiser] in de gelegenheid te stellen op die zitting de originele huurovereenkomst en de originele vaststellingsovereenkomst aan het Gerecht en de wederpartij te tonen;”.

1.4.

Vonnis is bepaald op vandaag.

Overwegingen

2
De verdere beoordeling in kort geding
2.1.

In het tussenvonnis overwoog het Gerecht het volgende:

“In dit kort geding komt het erop neer dat het Gerecht de aannemelijkheid moet beoordelen van de stellingen van [eiser] en dus van het door [eiser] te leveren bewijs in de bodemprocedure. Een belangrijk aspect daarbij is de vraag hoe de handtekeningen op de originele documenten eruit zien (de afdrukken hierboven onder 4.3.3. opgenomen, zijn gescande kopieën). [eiser] verklaarde tijdens de mondelinge behandeling dat de originele huurovereenkomst nog in het appartement zou liggen en dat de originele vaststellingsovereenkomst bij de vertaler in St. Barth zou zijn achtergebleven. Hoewel ongebruikelijk in een kort geding, zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld om de originele documenten op een volgende zitting te tonen. Daarna zal verder worden beslist.”

2.2.

Tijdens de voortzetting van de behandeling is duidelijk geworden dat [eiser], anders dan hij eerder stelde, niet beschikt over originele documenten, althans niet de twee stukken waarop de originele handtekening van [overleden dame] te zien is. Zijn verklaring was nu dat [overleden dame] in Frankrijk heeft getekend en de documenten zowel in 2016 als in 2023 gescand per e-mail aan [eiser] heeft verstuurd. Enige onderbouwing hiervan heeft [eiser] niet gegeven.

2.3.

Gelet op het voorgaande en wat in het tussenvonnis is overwogen over de twijfel aan de juistheid van de verklaringen van [eiser], is het Gerecht van oordeel dat het niet aannemelijk is dat [eiser] er in de bodemprocedure in zal slagen het verlangde bewijs van de echtheid van de handtekening van [overleden dame] te leveren.

Slotsom

2.4.

Het oordeel van het Gerecht betekent dat [eiser] zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk wordt gesteld. De in het vorige vonnis in conventie uitgesproken veroordeling tot heraansluiting op de nutsvoorzieningen was een ordemaatregel, die gedurende de loop van de procedure geldt. Die aansluiting zal nog moeten worden gehandhaafd gedurende de termijn totdat [eiser] het appartement ontruimd moet hebben.

Proceskosten in conventie en in reconventie

2.5. [

eiser] is de in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde]. Deze worden begroot op Cg 3.000,- aan salaris voor de gemachtigde van [gedaagde].

Uitvoerbaar bij voorraad

2.6.

Dit vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan het Hof vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

Beslissing

3
De beslissing in conventie en in reconventie

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

3.1.

veroordeelt [eiser] om het appartement gelegen aan [adres] te Sint Maarten, binnen drie dagen na betekening van het vonnis volledig te ontruimen en ontruimd te houden, met afgifte van de sleutels aan [gedaagde];

3.2.

bepaalt dat [eiser] voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij nalaat aan dit bevel te volden een dwangsom verbeurt van USD 1.000,- per dag, met een maximum van USD 100.000,-;

3.3.

veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op Cg 3.000,-;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af wat in conventie voorts is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026.