Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, kort geding civiel recht overig
ECLI:NL:OGEAM:2026:77
Op 10 April 2026 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten een kort geding procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is SXM202600248, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAM:2026:77.
Indicatie
Eiser stelt dat hij een grote vordering had op de eigenares van een appartement in Sint Maarten. Als tegenprestatie voor het niet betalen daarvan, zou hij 84 maanden in haar appartement mogen wonen, zonder huur te betalen. De eigenares is overleden. Haar partner en erfgenaam (gedaagde) betwist de echtheid van de handtekening onder het huurcontract en heeft de GEBE-aansluiting afgesloten. Eiser vordert heraansluiting, gedaagde vordert ontruiming.
Het Gerecht oordeelt dat gedaagde eigenrichting heeft gepleegd en wijst daarom de vordering tot heraansluiting toe. Hij zal in een bodemprocedure bewijs zal moeten leveren en in kort geding zal pas verder zal worden beslist, nadat eiser de originele documenten heeft getoond.
Uitspraak
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Zaaknummer: SXM202600248
Vonnisdatum: 10 april 2026
[eiser],
wonende in Sint Maarten,
eiser,
gemachtigde: mr. J.G. Snow,
[gedaagde],
wonende in Frankrijk,
gedaagde,
gemachtigde: mr. J. Veen.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.
De zaak in het kort
Eiser stelt dat hij een grote vordering had op de eigenares van een appartement in Sint Maarten. Als tegenprestatie voor het niet betalen daarvan, zou hij 84 maanden in haar appartement mogen wonen, zonder huur te betalen. De eigenares is overleden. Haar partner en erfgenaam (gedaagde) betwist de echtheid van de handtekening onder het huurcontract en heeft de GEBE-aansluiting afgesloten. Eiser vordert heraansluiting, gedaagde vordert ontruiming.
Het Gerecht oordeelt dat gedaagde eigenrichting heeft gepleegd en wijst daarom de vordering tot heraansluiting toe. Hij zal in een bodemprocedure bewijs zal moeten leveren en in kort geding zal pas verder zal worden beslist, nadat eiser de originele documenten heeft getoond.
The case in brief
The plaintiff alleges that he had a substantial claim against the owner of an apartment in Sint Maarten. In consideration for non-payment, he was to be allowed to live in her apartment for 84 months without paying rent. The owner has passed away. Her partner and heir (the defendant) disputes the authenticity of the signature on the lease agreement and has disconnected the GEBE connection. The plaintiff claims reconnection; the defendant claims eviction.
The Court finds that the defendant acted in self-help and therefore grants the claim for reconnection. The defendant will be required to provide evidence in the main proceedings, and a further decision in the preliminary relief proceedings will only be made after the plaintiff has produced the original documents.
1
Verloop van de procedure
1.1. [
eiser] heeft op 10 maart 2026 een verzoekschrift ingediend. [gedaagde] heeft op 24 maart 2026 producties ingediend en een eis in reconventie. [eiser] heeft daarna op 26 maart producties ingediend. Vervolgens heeft op 27 maart 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij [eiser] en de beide gemachtigden zijn verschenen. [gedaagde] is niet verschenen. Beide gemachtigden hebben pleitnotities voorgedragen en aan het Gerecht overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Veen nog een aanvullende productie in het geding gebracht (verklaring ziekenhuis [Frankrijk]). De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is verklaard.
1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.
2.1. [
overleden dame] was in Frankrijk gehuwd met [Franse echtgenoot]. [Franse echtgenoot] is bij een vliegtuigramp (aircrash TWA 800) op 17 juli 1996 verongelukt.
2.2. [
overleden dame] is op [datum] in Frankrijk overleden aan [ziekte]. [gedaagde] was op dat moment de partner van [overleden dame]. Hij heeft het appartement aan de [adres] op Sint Maarten van [overleden dame] geërfd.
3
Het geschil in conventie en in reconventie
3.1. [
eiser] vordert [gedaagde] te bevelen om binnen vierentwintig uur na datum van het in deze te wijzen vonnis, de water- en elektra-aansluiting, oftewel de reguliere GEBE aansluiting voor water en elektra, weer aan te sluiten c.q. weer aangesloten te krijgen in het appartement waar [eiser] momenteel woonachtig is aan [adres] op Sint Maarten, op straffe van een dagelijks te verbeuren dwangsom van USD 1.000 per dag of een gedeelte van een dag dat [eiser] na mocht laten om aan het in deze te geven bevel te voldoen, althans ten aanzien van het voorgaande (een) zodanige voorziening(en) te treffen als het Gerecht in goede justitie zal vermenen te behoren, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure onder bepaling dat, indien deze niet binnen veertien dagen na de dag waarop vonnis is gewezen, aan [eiser] zijn voldaan, daarover vanaf die veertiende dag wettelijke rente verschuldigd is.
3.2. [
eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij een huurovereenkomst heeft, op grond waarvan hij het recht heeft om in het appartement te wonen. [eiser] stelt dat hij vanaf juni 1996 een jarenlange relatie heeft gehad met [overleden dame]. Zij lag in dat jaar in scheiding met haar echtgenoot. In die periode is die echtgenoot om het leven gekomen bij een luchtvaartramp: de ontploffing van vlucht TWA 800 op 17 juli 1996 vlak na het opstijgen uit New York.De relatie tussen [eiser] en [overleden dame] eindigde in mei 2003. In de 7 jaar van hun relatie heeft [eiser] alle kosten voor haar betaald. [overleden dame] heeft [eiser] toegezegd dat zij hem daarvoor zou terugbetalen. Het heeft zeven jaar geduurd, voordat uiteindelijk door Boeing een schadevergoeding van ruim USD 2 miljoen aan [overleden dame] werd uitgekeerd. [overleden dame] zou dit bedrag in verschillende projecten hebben geïnvesteerd, waardoor zij [eiser] op dat moment niet kon terugbetalen. [eiser] heeft op 3 november 2016 met [overleden dame] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waaruit volgt dat zij hem USD 124.500,- verschuldigd is: USD 1.500,- per maand over een periode van 83 maanden. In de vaststellingsovereenkomst wordt verder vermeld dat [overleden dame] [eiser] gratis verblijf in haar appartement aan de [adres] in Sint Maarten aanbiedt, nadat de huurder die er op dat moment in zat, zou zijn vertrokken. Op 1 januari 2023 hebben [overleden dame] en [eiser] een huurovereenkomst gesloten, met als begindatum 1 januari 2023 en als einddatum 31 december 2029. In het contract is opgenomen dat het bedrag van USD 125.000,- zoals opgenomen in de vaststellingsovereenkomst zou gelden als vooruitbetaalde huur voor een periode van 84 maanden.
[gedaagde] heeft op 9 december 2025 de water- en stroomvoorziening via GEBE afgesloten. Dat is onrechtmatig en moet [gedaagde] daarom herstellen. Dit alles aldus [eiser].
3.3. [
gedaagde] voert tot zijn verweer dat zowel de vaststellingsovereenkomst als de huurovereenkomst vals zijn. De handtekening van zijn overleden partner [overleden dame] is vervalst. [eiser] verblijft zonder recht of titel in het appartement. Daarom vordert [gedaagde] in reconventie dat [eiser] het appartement moet ontruimen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Overwegingen
4
De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vorderingen over en weer.
Het relaas van [eiser]
4.2. [
[eiser] heeft in zijn eigen relaas de achtergrond geschetst van zijn huidige situatie. [gedaagde] stelt dat dat relaas op geen enkele wijze objectief wordt ondersteund. Het Gerecht is het daarmee eens.
4.2.1.
Allereerst heeft [eiser] geen onderbouwing geleverd van de betalingen die hij in de loop van zijn zevenjarige relatie met [overleden dame] voor haar zou hebben gedaan. Dat zou wel de basis zijn van haar ‘schuldbekentenis’ in de vaststellingsovereenkomst. [gedaagde] heeft daarentegen de eindafrekening van de schadevergoeding TWA Flight 800 in het geding gebracht. Die dateert van 11 oktober 2001 en niet, zoals [eiser] stelt, van na beëindiging van zijn relatie met [overleden dame] in 2003. Dat [eiser] ook ná 2001 nog in het levensonderhoud van [overleden dame] zou hebben voorzien, is daarom bijzonder onwaarschijnlijk.
4.2.2.
Behalve een foto van [overleden dame] en zichzelf “in het verleden” heeft [eiser] ook geen ondersteuning geleverd voor zijn stelling dat hij zeven jaar met [overleden dame] heeft samengewoond, eerst in Frankrijk en later in Sint Maarten.
4.2.3. [
[eiser] stelt daarnaast dat hij in de periode 2003 tot 2016 vruchteloos heeft geprobeerd om [overleden dame] over te halen tot betaling. Enige ondersteuning voor die stelling heeft hij echter niet in het geding gebracht. Het Gerecht zou verwachten dat het mogelijk moet zijn om iets van communicatie tussen [eiser] en [overleden dame] uit die periode over te leggen.
4.2.4.
Ook voor het feit dat de huurovereenkomst in januari 2023 zou zijn getekend en dat [eiser] naar eigen zeggen pas in 2025 het appartement heeft betrokken, heeft hij geen afdoende verklaring gegeven. Dat hij in 2023 “other life projects” had en welke dat waren, heeft hij niet toegelicht. Bovendien is dan niet logisch verklaarbaar, waarom hij zeven jaar na de vaststellingsovereenkomst ineens in 2023 de huurovereenkomst nodig had.De handtekening van [overleden dame]
4.3.
Daarnaast is de vraag of de door [eiser] in het geding gebrachte “Protocole d’Accord” (vaststellingsovereenkomst) en de “Residential Lease agreement” (huurovereenkomst) vals of echt zijn.
4.3.1.
Als bewijs van andere stukken, waarop de handtekening van [overleden dame] te zien is, heeft [eiser] onder meer een volmacht overgelegd, waarin [overleden dame] ten behoeve van haar onderneming Catoverseas Investments LLC in Miami aan [gevolmachtigde] volmacht geeft om in haar naam onder meer contracten af te sluiten en eigendommen (onroerende zaken) te verkopen. Deze volmacht is gedateerd 9 augustus, zonder jaartal en in blokletters is de naam van de volmachtgever geschreven “[overleden dame]”.
4.3.2. [
[eiser] heeft nog een tweede stuk in het geding gebracht in verband met de handtekening van [overleden dame]. Het betreft een op 12 december 2022 gedateerde brief van een advocaat uit Weston (Florida) aan [dochter eiser], de dochter van [eiser]. De brief is kennelijk een reactie op een vraag van [dochter eiser]. De advocaat meldt dat aan zijn brief een Power of Attorney is gehecht, speciaal bedoeld om een bepaalde “wire transfer” mogelijk te maken. In het door [eiser] overgelegde stuk wordt door [overleden dame] aan [dochter eiser] (te Miami) een volmacht gegeven om een bedrag van USD 300.000,- over te maken naar de bankrekening van [overleden dame] in Spanje in verband met een overdracht op 31 december 2022. Op het derde blad van dit ongedateerde stuk staat tweemaal een handtekening bij de naam van [overleden dame]. Deze bladzijde is mede ondertekend door twee met name genoemde getuigen.Op een vierde blad heeft Notary Public Line [naam notaris] verklaard dat op 13 december 2022 [overleden dame] persoonlijk voor haar is verschenen en haar paspoort heeft getoond.
4.3.3. [
[gedaagde] voert aan dat de handtekeningen op de overgelegde vaststellingsovereenkomst en huurovereenkomst tot in de details 100% identiek aan elkaar zijn. Het Gerecht is geen handschriftdeskundige, maar deelt dat standpunt niet. Naar het oordeel van het Gerecht lijken de handtekeningen zeer veel op elkaar (bijvoorbeeld het ontbrekende ‘boogje’ aan de bovenkant), maar echt helemaal identiek zijn ze toch niet:
[Twee plaatjes van naam en handtekeningen]
4.3.4.
Hiervoor zijn verschillende opmerkelijke feiten beschreven. De volmacht beschreven onder 4.3.1. bevat geen jaartal, bij de voornaam van [overleden dame] ontbreekt de “e” en de volmacht wordt gegeven aan [naam notaris], destijds de partner van [eiser].De volmacht beschreven onder 4.3.2. is gedateerd op een moment waarvan [gedaagde] door een verklaring van het ziekenhuis heeft aangetoond dat [overleden dame] in Frankrijk van 4 december 2022 tot 20 december 2022 aan het herstellen was van een zware operatie. In dat verband kan de verklaring van notaris [naam notaris] (destijds de partner van [eiser]) niet juist zijn.Een en ander roept de nodige twijfels op over de juistheid van alle verklaringen.De twee overgelegde overeenkomsten
4.4.
Het voorgaande betekent echter niet automatisch dat de handtekeningen onder de twee overeenkomsten vals zijn. [gedaagde] stelt gemotiveerd dat dat wel zo is. Partijen zijn het erover eens dat de bewijslast van de echtheid van de handtekeningen op grond van de wet op [eiser] rust. (Voetnoot 1) In de kort geding procedure is geen ruimte voor bewijslevering, dat zal in een bodemprocedure moeten gebeuren. De gemachtigde van [eiser] heeft verklaard dat die procedure inmiddels is opgestart en dat de desbetreffende vordering is ingediend.
4.5.
In dit kort geding komt het erop neer dat het Gerecht de aannemelijkheid moet beoordelen van de stellingen van [eiser] en dus van het door [eiser] te leveren bewijs in de bodemprocedure. Een belangrijk aspect daarbij is de vraag hoe de handtekeningen op de originele documenten eruit zien (de afdrukken hierboven onder 4.3.3. opgenomen, zijn gescande kopieën). [eiser] verklaarde tijdens de mondelinge behandeling dat de originele huurovereenkomst nog in het appartement zou liggen en dat de originele vaststellingsovereenkomst bij de vertaler in St. Barth zou zijn achtergebleven. Hoewel ongebruikelijk in een kort geding, zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld om de originele documenten op een volgende zitting te tonen. Daarna zal verder worden beslist.De afsluiting van GEBE door [gedaagde]
4.6.
Wat er ook zij van de echtheid of valsheid van de documenten, [gedaagde] heeft door de afsluiting van de GEBE-aansluitingen het recht in eigen hand genomen. Dat had hij niet mogen doen. Hij had moeten doen wat zijn toenmalige advocaat Rogers op 6 augustus 2025 had aangekondigd, namelijk een gerechtelijke procedure tot ontruiming beginnen. Dit onderdeel van de vordering is daarom toewijsbaar. Voor het overige zal het Gerecht op een later moment de beslissingen nemen. De vordering in reconventie
4.7.
De beslissing in reconventie zal ook worden aangehouden, totdat in conventie wordt beslist.
Beslissing
5
De beslissing in conventie en in reconventie
Rechtdoende in kort geding:
5.1.
beveelt [gedaagde] om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis de water- en elektra-aansluiting, oftewel de reguliere GEBE aansluiting voor water en elektra, weer aan te sluiten c.q. weer aangesloten te krijgen in het appartement aan [adres] op Sint Maarten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van USD 1.000,- per dag of een gedeelte van een dag dat [eiser] mocht nalaten om aan dit bevel te voldoen, met een maximum van USD 50.000,-;
5.2.
verklaart onderdeel 5.1 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
verwijst de zaak ter verdere mondelinge behandeling naar de zitting van vrijdag 24 april 2026, 9.30 uur, uitsluitend om [eiser] in de gelegenheid te stellen op die zitting de originele huurovereenkomst en de originele vaststellingsovereenkomst aan het Gerecht en de wederpartij te tonen;
5.4.
houdt alle verdere beslissingen aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door J.J. Evers-Maria, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 138 lid 2 Rv.