Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, kort geding civiel recht overig
ECLI:NL:OGEAM:2026:83
Op 2 July 2026 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten een kort geding procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is SXM202600724, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAM:2026:83.
Indicatie
Kort geding Sint Maarten. Gevorderde bouwstop toegewezen.
Uitspraak
proces-verbaal mondeling vonnis
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN
Proces-verbaal van het mondeling vonnis in kort geding van 2 juli 2026
[eisers],
wonende in Sint Maarten,
eisers,
gemachtigde: mr. Z. Bary,
[gedaagde],
wonende in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M. Hofman-Ruigrok.
Tegenwoordig zijn mr. L.J. Saarloos, rechter, en mw. J.F.M. Becker, griffier.
[eisers], bijgestaan door de gemachtigde
[partner van gedaagde], bijgestaan door de gemachtigde.
Procesverloop
1.1.
Eisers hebben op 26 juni 2026 een verzoekschrift met producties ingediend.
1.2.
Op 30 juni 2026 hebben partijen producties ingediend.
1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechter beantwoord. De gemachtigden hebben gepleit volgens hun aan het Gerecht overgelegde pleitnotities.De mondelinge behandeling is gesloten en na een korte schorsing heeft de rechter mondeling uitspraak gedaan. De overwegingen en de beslissing zoals uitgesproken worden hierna weergegeven.
Overwegingen
2.1.
Het spoedeisend belang vloeit in de eerste plaats voort uit de aard van de vordering. Daarnaast blijkt dit uit de inmiddels aan gedaagde opgelegde stoporder, waarmee haar is gelast de afgravingswerkzaamheden onmiddellijk te staken. Deze heeft directe gevolgen voor de belangen van eisers, waardoor een beslissing op korte termijn noodzakelijk is.
2.2.
De omstandigheid dat een bestuursrechtelijke stoporder van kracht is, staat er niet aan in de weg dat de civiele rechter van de vordering tot het opleggen van een bouwstop kennisneemt. Integendeel, juist vanwege de ingrijpende gevolgen van de stoporder hebben eisers een zelfstandig en rechtens te respecteren belang bij een civielrechtelijke beoordeling van het geschil. Het spoedeisend belang van eiseres is daarmee voldoende gegeven.
2.3.
Vaststaat dat gedaagde op 2 juni 2026 bij Vromi een aanvraag heeft ingediend om voorafgaande aan de toestemming tot de aanleg van een nieuwe keermuur graafwerkzaamheden te mogen verrichten. In afwachting daarvan heeft zij al graafwerkzaamheden verricht, stellende dat dat noodzakelijk was vanwege aanhoudende lekkages. De stoporder ziet uitsluitend op werkzaamheden voor de bestaande keermuur en verbiedt niet het treffen van overige noodzakelijke maatregelen.
2.4.
Uit het rapport van ICE blijkt dat de daarin beschreven bevindingen betrekking hebben op de situatie ten tijde van de inspectie. De deskundige constateert diverse gebreken en stelt zelfs dat de situatie in geval van aardschokken levensbedreigend kan zijn. Gedaagde stelt dat zich tussen de uitgegraven ruimte en de keermuur een aanzienlijke afstand bevindt, waardoor er geen risico bestaat voor de bestaande keermuur. De juistheid van die stelling vereist naar het oordeel van het Gerecht deskundig onderzoek. Op basis van de nu voorliggende stukken, waaronder het verzoekschrift, sluit het Gerecht zich aan bij de daarin omschreven situatie. Daarom staat niet vast dat verdere schade of schade aan de keermuur is uitgesloten. Dit dient door een deskundige nader te worden vastgesteld. De gevorderde bouwstop is daarom op zijn plaats en zal worden toegewezen.
2.5.
Ten slotte heeft gedaagde onderbouwd dat voor het aanbrengen van pleisterwerk geen verdere graafwerkzaamheden noodzakelijk zijn. Het Gerecht zal daarom uitsluitend het uitvoeren van pleisterwerk toestaan, voor zover dit strekt tot het voorkomen van verdere schade aan de woning van gedaagde.
2.6.
Een dwangsom is aangewezen, gelet op de omstandigheden van het geval.
2.7.
Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van eisers begroot op:
explootkosten Cg 249,50
zegelkosten Cg 20,00
griffierecht Cg 450,00
salaris gemachtigde Cg 1.500,00 +
totaal: Cg 2.219,50.
Beslissing
3.1.
Staat gedaagde uitsluitend toe pleisterwerk aan te brengen aan de buitenzijde van de muur van haar woning;
3.2.
Verbiedt gedaagde met onmiddellijke ingang enige graafwerkzaamheden, ontgravingen, grondverzet, civieltechnische werkzaamheden, werkzaamheden aan of nabij de keerwand, dan wel enige andere werkzaamheden uit te voeren die de bestaande bodemgesteldheid of stabiliteit van de keerwand kunnen beïnvloeden op het perceel van gedaagde, totdat alle daarvoor vereiste vergunningen rechtsgeldig zijn verleend, danwel totdat in de reeds aanhangige bodemprocedure nader door het Gerecht zal zijn beslist, althans totdat het Gerecht anders bepaalt;
3.3.
Bepaalt dat gedaagde een dwangsom zal verbeuren van USD 10.000,-- voor iedere dag, dan wel gedeelte daarvan, dat zij handelt in strijd met enig onderdeel van het te wijzen vonnis, zulks tot een maximum van USD 100.000,-;
3.4.
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eisers begroot op Cg 2.219,50;
3.5.
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
Wijst het meer of anders gevorderde af.
The decision of the Judgment
This summary in English is intended only as a service from the Court to inform the parties and is not intended to replace the judgment. No rights can be derived from it. In case of differences between the judgment and this summary, the judgment in Dutch is always decisive. The Court shall not be liable for any damage arising from any use of this summary.
2.1.
.1. The urgent interest stems primarily from the nature of the claim. Furthermore, this is evident from the cease-and-desist order that has since been imposed on the defendant, ordering it to immediately cease the excavation work. This has direct consequences for the plaintiffs’ interests, making a prompt decision necessary.
2.2.
The fact that an administrative cease-and-desist order is in effect does not preclude the civil court from hearing the claim seeking a construction freeze. On the contrary, precisely because of the far-reaching consequences of the cease-and-desist order, the plaintiffs have an independent and legally recognized interest in a civil law assessment of the dispute. The plaintiff’s urgent interest is therefore sufficiently established.
2.3.
It is undisputed that on June 2, 2026, the defendant submitted an application to Vromi requesting permission to perform excavation work prior to receiving approval for the construction of a new retaining wall. Pending that decision, the defendant has already performed excavation work, asserting that this was necessary due to persistent leaks. The stop order applies exclusively to work on the existing retaining wall and does not prohibit the implementation of other necessary measures.
2.4.
The ICE report shows that the findings described therein relate to the situation at the time of the inspection. The expert identifies various defects and even states that the situation could be life-threatening in the event of an earthquake. The defendant argues that there is a considerable distance between the excavated area and the retaining wall, meaning there is no risk to the existing retaining wall.
In the Court’s opinion, the accuracy of that assertion requires an expert investigation. Based on the documents currently before the Court, including the petition, the Court concurs with the situation described therein. Therefore, it is not certain that further damage or damage to the retaining wall is ruled out. This must be further determined by an expert. The requested construction halt is therefore appropriate and will be granted.
2.5.
Finally, the defendant has demonstrated that no further excavation work is necessary for the application of plaster. The Court will therefore permit only the application of plaster, to the extent that this serves to prevent further damage to the defendant’s home.
(…)
3.1.
Permits the defendant to apply plaster exclusively to the exterior of the wall of her residence;
3.2.
Prohibits the defendant, effective immediately, from conducting any excavation work, digging, earthmoving, civil engineering work, work on or near the retaining wall, or any other work that may affect the existing soil conditions or the stability of the retaining wall on the defendant’s property, until all required permits have been legally granted, or until the Court has rendered a further decision in the pending substantive proceedings, or at least until the Court determines otherwise;
3.3.
Orders that the defendant shall forfeit a penalty of USD 10,000 for each day, or part thereof, that it acts in violation of any part of the judgment to be rendered, up to a maximum of USD 100,000;
3.4.
Orders the defendant to pay the costs of the proceedings, estimated at Cg 2,219.50 on the plaintiffs’ side;
3.5.
Declares this judgment provisionally enforceable to the extent set forth herein;
3.6.
Dismisses the remaining or alternative claims.