GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/743
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
[belanghebbende]
, wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 23 januari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 22/5707 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
1
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
1
Ontstaan en loop van het geding
1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting (hierna: mrb) en de daarbij opgelegde verzuimboete, alsmede op zijn verzoek tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de verzuimboete;
vermindert de boete tot € 687;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de uitspraak op bezwaar;
veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 583;
veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.917;
veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 907, en
draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 50 aan [belanghebbende] te vergoeden.”
1.2.
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
een beroepschrift door belanghebbende;
een verweerschrift door de inspecteur, en
nadere stukken door belanghebbende op 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“pleitnota” en “algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”).
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2.1.
Belanghebbende staat sinds 15 oktober 1978 onafgebroken ingeschreven op een adres in Nederland in de Basisregistratie Personen (BRP).
2.2.
Op 30 januari 2020 omstreeks 14:45 uur is geconstateerd dat belanghebbende met een motorrijtuig, een BMW X5 M50D, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] (hierna: de auto), op de Burgemeester de Vlugtlaan te Amsterdam gebruik heeft gemaakt van de weg.
2.3.
Een medewerker van de Politie Amsterdam-Amstelland heeft een formulier “Melding Controle Autoheffingen” opgemaakt ter zake van de voornoemde constatering. Daarin staat het volgende vermeld:
“Bestuurder verklaarde in een leenauto te rijden. Hij had een papier bij zich met schriftelijke toestemming van een duitse bedrijf met gegevens van de bestuurder en het bedrijf”.
2.4.
Met dagtekening 7 april 2020 heeft de inspecteur aan belanghebbende een aankondiging gezonden van zijn voornemen om de naheffingsaanslag en de boetebeschikking op te leggen. In de aankondiging is aan belanghebbende de gelegenheid geboden om binnen drie weken te reageren op het voornemen, al dan niet met toezending van bewijsstukken. Belanghebbende heeft daarop niet gereageerd.
2.5.
Met dagtekening 2 juni 2020 heeft de inspecteur de litigieuze naheffingsaanslag, van € 1.374, berekend over de periode van 20 juli 2019 tot en met 29 januari 2020, vastgesteld. Daarbij heeft hij een boete van € 1.374 (honderd percent) opgelegd.
Overwegingen
4
Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van de herhaalde grieven
4.1.
De in hoger beroep herhaalde grieven uit eerdere fasen van het geding leiden niet tot een andere beslissing dan die in de bestreden uitspraak. Het Hof maakt de rechtsoverwegingen 10 tot en met 19 van die uitspraak, over de naheffingsaanslag, de verzuimboete en het ontbreken van een ongeoorloofde inbreuk op de door het VwEU gewaarborgde verdragsvrijheden, tot de zijne.
Ten aanzien van de grondrechtenbescherming van de EU
4.2.
Belanghebbende klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat de heffing van mrb niet het uitvoeren betreft van het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) en dat daarom de grondrechtenbescherming van de EU niet geldt. Het recht van de Unie ten uitvoer brengen is immers ook aan de orde als een lidstaat een uitzondering gebruikt om de belemmering van een verkeersvrijheid van het VwEU te rechtvaardigen (zie HvJ 21 mei 2019, Commissie/Hongarije, C235/17, ECLI:EU:C:2019:432, punt 65, en HvJ 18 juni 1991, ERT, C260/89, ECLI:EU:C:1991:254, punt 43). En hoewel niet ongeoorloofd, leidt de heffing van mrb ter zake van een in een andere lidstaat geleende of gehuurde personenauto tot een belemmering van een dergelijke vrijheid, namelijk die van kapitaalverkeer (artikel 63 VwEU; vgl. HvJ 26 april 2012, Van Putten, Mook en Frank, C-578/10 t/m C-580/10, ECLI:EU:C:2012:246, punt 36) dan wel die van dienstenverkeer (bij huur). De belemmering is dat de feitelijk-ter-beschikking-hebber wordt geconfronteerd met een heffing van mrb waarmee hij niet zou zijn geconfronteerd als hij in Nederland een Nederlands gekentekende auto had geleend of gehuurd.
4.3.
Als belanghebbende de auto inderdaad heeft geleend (dan wel gehuurd) in een andere lidstaat, dan kan de litigieuze heffing van mrb daarom worden getoetst aan artikel 17 van het Handvest. Anders dan belanghebbende heeft betoogd, wordt echter evident niet ongeoorloofd inbreuk gemaakt op het door dat artikel gewaarborgde eigendomsrecht. In dat verband staat voorop dat artikel 17 van het Handvest een recht bevat dat correspondeert met het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EP) gegarandeerde recht. Artikel 17 van het Handvest heeft daarom in beginsel dezelfde inhoud en reikwijdte als artikel 1 van het EP (artikel 52, lid 3, van het Handvest). Toepassing van de vaste jurisprudentie van het EHRM over artikel 1 van het EP leidt vervolgens tot het volgende. De heffing van mrb maakt inbreuk op eigendom. Die inbreuk is echter gerechtvaardigd, omdat (i) zij is voorzien in een toegankelijke, nauwkeurige en precieze wet (de Wet mrb 1994), (ii) met de heffing een legitieme doelstelling in het algemeen belang wordt nagestreefd (voorzien in publieke middelen) en (iii) niet valt in te zien dat – met inachtneming van de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt – in een geval als het onderhavige een redelijk evenwicht ontbreekt tussen enerzijds die doelstelling en anderzijds de individuele belangen van belastingplichtigen (vgl. EHRM 14 mei 2013, NKM t. Hongarije, nr. 66529/11, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911).
Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade
4.4.
De klacht dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding van immateriële schade dan de rechtbank heeft toegekend, faalt eveneens. Die klacht heeft belanghebbende niet uitgewerkt, maar is ook onjuist voor zover zij zou berusten op de opvatting dat de omstandigheid dat de toegekende vergoeding van immateriële schade minder zou belopen dan de bedragen die het EHRM in vergelijkbare gevallen heeft toegekend, zonder meer meebrengt dat geen effectieve remedie is geboden tegen overschrijding van de redelijke termijn (zie EHRM 17 juli 2008, Kaic e.a. t. Kroatië, nr. 22014/04, punt 39).
Ten aanzien van de proceskosten
4.5.
Verder faalt de klacht over de proceskostenveroordeling voor zover zij betrekking heeft op de kosten van het geding voor de rechtbank. De rechtbank heeft die vergoeding op grond van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), te weten grievend en beledigend taalgebruik richting de rechterlijke macht in het beroepschrift, gematigd tot € 907. Dat oordeel onderschrijft het Hof. Anders dan belanghebbende meent, is artikel 11 van het Handvest daardoor niet geschonden. De door dat artikel gewaarborgde vrijheid van meningsuiting staat namelijk evident niet in de weg aan een compensatie van kosten wanneer een gemachtigde die beweert beroepsmatig rechtsbijstand te verlenen, de rechtsgang voor alle betrokkenen nodeloos bemoeilijkt dan wel frustreert door zich grievend en beledigend uit te laten.
4.6.
De klacht over de proceskostenveroordeling slaagt wel voor zover zij betrekking heeft op de afwijzing van een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. De rechtbank heeft die afwijzing gebaseerd op het ontbreken van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid en heeft daartoe overwogen dat de aanvankelijk opgelegde boete, van honderd percent van de nageheven belasting, in overeenstemming was met het ten tijde van het opleggen van de boete geldende beleid (paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst; hierna: BBBB). Dat beleid is hangende het beroep aangepast, overigens met als toelichting dat een boete van honderd percent door de toegenomen bedragen aan mrb in gevallen als de onderhavige in beginsel niet langer passend is. Het Hof acht de aanvankelijk opgelegde boete echter ongeacht de wijziging van het beleid te hoog en daarom onrechtmatig. Die onrechtmatigheid valt de inspecteur ook te verwijten. Omdat belanghebbende verder in de bezwaarschriftprocedure heeft verzocht om vergoeding van kosten in verband met het bezwaar, had de rechtbank de inspecteur in die kosten moeten veroordelen. Dat zal het Hof alsnog doen.
Ten aanzien van de wettelijke rente
4.7.
De klacht over het ontbreken van een beslissing over wettelijke rente in verband met het te vergoeden griffierecht faalt, omdat belanghebbende in eerste aanleg niet om een dergelijke beslissing heeft verzocht. Het Hof zal desalniettemin alsnog daarover beslissen.
Ten aanzien van de overige klachten
4.8.
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 7 vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
4.9.
Het hoger beroep is gegrond.
6.1.
Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in hoger beroep en in verband met de behandeling van het bezwaar (zie 4.6). Het betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
6.2.
Voor het geding in hoger beroep worden de door de inspecteur te vergoeden kosten met toepassing van het forfait van het Besluit, en rekening houdend met het bepaalde in artikel 2, lid 2, van het Besluit, omdat belanghebbende slechts gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, vastgesteld op € 467 (2 punten, puntwaarde € 934 en wegingsfactor 0,25).
6.3.
De kosten in verband met de behandeling van het bezwaar worden dienovereenkomstig vastgesteld op € 333 (2 punten, puntwaarde € 666 en wegingsfactor 0,25).
6.4.
Voor een hogere kostenvergoeding dan € 800 in totaal (€ 467 + € 333) ziet het Hof geen reden. Het is evident dat het Unierecht daartoe ook niet dwingt, reeds omdat de vergoeding in dit geval op een volledige kostenvergoeding neerkomt, althans omdat belanghebbende niet adequater ‘schadeloos’ zal worden gesteld bij een hogere vergoeding. Uit de schriftelijke machtiging volgt immers dat de gemachtigde rechtsbijstand verleent op basis van ‘no cure, no pay’, waarbij de ‘pay’ kennelijk slechts bestaat uit proceskostenvergoedingen en andere door de rechter in nevenbeslissingen toegekende vergoedingen.
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, doch alleen voor zover daarin een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar ontbreekt;
beslist dat, indien het op grond van de uitspraak van de rechtbank aan belanghebbende te vergoeden griffierecht van € 50 dat is betaald voor de behandeling van het beroep niet tijdig is uitbetaald, de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan;
gelast de inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald van in € 143 en beslist dat, indien dat bedrag niet tijdig wordt uitbetaald, de wettelijke rente daarover gaat lopen vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan, en
veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende van het geding voor het Hof en in verband met de behandeling van het bezwaar tot een bedrag van in totaal € 800.
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: