Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep belastingrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2585

Op 9 July 2026 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 25/1355, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2026:2585. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
25/1355
Datum uitspraak:
9 July 2026
Datum publicatie:
9 September 2026

Indicatie

Naheffingsaanslag bpm; klachten ten aanzien van naheffingsaanslag, hoorplicht en toegekende vergoedingen falen; hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 25/1355

9 juli 2026

uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)

tegen de uitspraak van 4 april 2025 in de zaak met kenmerk HAA 22/3937 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

1
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en

2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Procesverloop

1
Ontstaan en loop van het geding
1.1.

In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm), alsmede op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:

“De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak op bezwaar van 22 juni 2022;

vermindert de naheffingsaanslag van 20 november 2020 tot een bedrag van € 5.641 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.000;

veroordeelt [de Staat] tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.000;

veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 2.461;

draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht, van € 184 aan [belanghebbende] te vergoeden;

veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de wettelijk rente over bovenstaande vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening, en

veroordeelt [de Staat] tot vergoeding van de wettelijk rente over de vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening.”

1.2.

In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:

een beroepschrift door belanghebbende;

een verweerschrift door de inspecteur;

nadere stukken door belanghebbende op 6 januari 2026 (“conclusie van repliek”), 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“pleitnota” en “algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”) en

een nader stuk met bijlage door de inspecteur op 23 april 2026

1.3.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2
Feiten
2.1.

Belanghebbende heeft met dagtekening 25 augustus 2020 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Volkswagen Tiguan 2.0 TDI 4Motion Highline Business R uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).

2.2.

In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld:

Datum eerste toelating

26 april 2017

Bruto bpm

€ 16.317

Historische nieuwprijs

€ 57.940

Handelsinkoopwaarde (cf. taxatierapport)

€ 1.075

Verschuldigde bpm

€ 301

2.3.

Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ( [A] ). In dat rapport is vermeld dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 13.573 is, bepaald door vergelijking met geadverteerde verkoopprijzen van drie referentievoertuigen onder aftrek van een marge. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 12.728,58 (inclusief btw), waarvan alleen spuitwerk € 4.210 (exclusief btw) uitmaakt, en diverse foto’s.

2.4.

De auto is op 2 september 2020 geschouwd bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ van de schouw zijn de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:

Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties

€ 35.915

Historische nieuwprijs

€ 60.589

Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (koerslijst AutotelexPro)

€ 22.208

Waardevermindering door schade

€ 0 (72% van € 0)

Handelsinkoopwaarde

€ 22.208

Ter toelichting is in het verslag van DRZ vermeld dat de in het taxatierapport bij de aangifte bpm opgegeven schadeposities niet zijn aangetroffen of normale gebruiksschade betreffen.

2.5.

Bij brief van 4 november 2020 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen bpm na te heffen, rekening houdend met de afwijkende gegevens die DRZ aan hem heeft verstrekt. Een en ander leidt tot een verschuldigde bpm van € 5.980 in plaats van het aangegeven bedrag van € 301. In de brief is de gelegenheid geboden te reageren op het voornemen, in reactie waarop belanghebbende een emailbericht aan de inspecteur heeft gestuurd met slechts de mededeling het niet eens te zijn met het voornemen.

2.6.

Met dagtekening 18 december 2020 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd, met een te betalen bedrag van € 5.679 (€ 5.980 -/- € 301).

2.7.1.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. In het door de inspecteur opgemaakte verslag van het horen, dat op 28 mei 2021 per aangetekende post is verzonden naar de gemachtigde van belanghebbende, is onder meer het volgende vermeld:

Vooraf:

De uitnodiging inclusief de lijst van te bespreken dossiers werd op 17 mei 2021 verzonden. Oorspronkelijk stonden deze dossiers voor een hoorgesprek op 17 mei 2021. De uitnodiging voor die datum werd op 7 april 2021 verzonden.

In het kader van de beperkende maatregelen in de 'corona-crisis' is met dhr. Verhoeven afgesproken over te gaan tot het horen via Webex. Deze uitnodiging is tijdig verstrekt. (…)

Op 10 mei 2021 zijn scans van alle dossiers aan de gemachtigde gezonden. Op dezelfde dag heeft de heer Verhoeven de dossierscans gedownload. Daarmee heeft de gemachtigde conform regelgeving inzage kunnen nemen in de dossiers.

Samenvatting hoorgesprek:

De heer Verhoeven heeft op 27 mei 2021 niet ingelogd voor het hoorgesprek via Webex. Hij is dus niet verschenen. (…) Er is geen (schriftelijke) afmelding ontvangen van de heer Verhoeven. Er zijn ook geen opmerkingen ontvangen naar aanleiding van de inzage. Ik concludeer daar uit dat er is afgezien van het recht gehoord te worden.

Op 10 mei 2021 heeft de heer Verhoeven laten weten dat hij op 17 mei 2021 verhinderd zou zijn. In datzelfde bericht liet hij weten pas eind mei weer beschikbaar te zijn voor hoorgesprekken. Het hoorgesprek van 25 mei 2021 is niet afgezegd en dat van 27 mei 2021 ook niet.

In de marge van het hoorgesprek van 31 mei 2021 is kort stilgestaan bij de komende hoorgesprekken. De heer Verhoeven had geen zicht op de aangetekend verstuurde uitnodigingen. Wel was duidelijk dat 31 mei 2021 niet schikte vanwege een zitting van de Raad van State waar zijn aanwezigheid vereist is. Deze afspraak is verplaatst naar 1 juli 2021. Voor de overige verstuurde uitnodigingen zou de heer Verhoeven schriftelijk laten weten of hij wel of niet akkoord ging met de voorgestelde datums. Er is daarover geen bericht (meer) ontvangen.”

2.7.2.

Op 2 juli 2021 heeft de gemachtigde een e-mailbericht gestuurd aan een ambtenaar van de Belastingdienst waarin hij zich erover beklaagd dat een klant hem zou hebben gezegd dat hij zonder bericht van verhindering niet zou zijn verschenen op het hoorgesprek van 27 mei 2021. Onder dat e-mailbericht is een e-mailbericht gevoegd van een ander e-mailadres van de gemachtigde van 19 mei 2021 aan diezelfde ambtenaar van de Belastingdienst met onder meer de mededeling dat hij 27 mei 2021 verhinderd is. De betrokken ambtenaar van de Belastingdienst heeft het geheel aan collega’s doorgestuurd met de volgende begeleidende tekst:

“Collega's,

De heer Verhoeven gaat in op het hoorgesprek van 27 mei 2021. Dat is niet doorgegaan omdat hij niet is verschenen in de WebEx meeting.

Hij stelt hieronder dat hij zich heeft afgemeld. Geel gemarkeerd.

S.v.p. ook in de dossiers opbergen.

Ik sla het ook op in de map hoorverslag 27 mei 2021.

De mail onderaan waarmee hij zich heeft afgemeld heeft hij verstuurd op 19 mei 2021. Heb ik echter nooit ontvangen. Waarschijnlijk verstuurd vanaf zijn geblokkeerde e-mailadres.

Hoe dan ook; niet afgemeld. Ik wist van niets.

De stukken van 25 mei 2021 heb ik pas op 25 mei ontvangen. ook die zijn kennelijk eerder vanaf het geblokkeerde adres verstuurd.”

2.7.3.

In een brief van 8 december 2016 heeft de directeur Algemene bestuurszaken en communicatie Belastingen van de Belastingdienst het volgende aan de gemachtigde van belanghebbende geschreven:

“U heeft in uw hoedanigheid van gemachtigde veel contacten met verschillende medewerkers op verschillende kantoren van de Belastingdienst. Al geruime tijd is geconstateerd dat u met name via de email frequent denigrerende en intimiderende opmerkingen maakt en medewerkers onheus bejegent. Daarbij schuwt u niet om medewerkers persoonlijk procedures in het vooruitzicht te stellen wanneer zij niet handelen volgens hetgeen u juist acht. Dat bemoeilijkt niet alleen een behoorlijke communicatie, maar het lijkt er zo ook op (…) dat u medewerkers probeert te bewegen iets te doen wat zij onder normale omstandigheden niet zouden doen. Die wijze van communiceren is niet acceptabel; ook niet als u van mening bent dat de Belastingdienst fouten maakt. U bent daar al meerdere keren op gewezen; desondanks blijft u daarin volharden. Daarnaast is de wijze waarop u gebruik maakt van mail, fax en post richting meerdere medewerkers niet bevorderlijk voor de afhandeling van de fiscale zaken. Daarom kiest de Belastingdienst er voor om de verdere communicatie met u voortaan uitsluitend per brief te voeren en daarvoor één postadres te gebruiken. E-mail berichten en ook faxberichten met betrekking tot de BPM zullen niet langer in behandeling worden genomen.

Het op deze wijze stroomlijnen van de communicatie tussen u als gemachtigde en de Belastingdienst bevordert hopelijk een normale toonzetting van uw communicatie. Ook voorkomt het misverstanden en stelt de Belastingdienst in staat om lijn te brengen in de grote hoeveelheid procedures en correspondentie, hetgeen de behandeling van allerlei zaken bevordert en daarmee voordelen biedt voor zowel u, uw cliënten als de Belastingdienst.”

2.7.4.

Zonder nader hoorgesprek te plannen heeft de inspecteur de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

2.8.

In beroep is de naheffingsaanslag verlaagd nadat de inspecteur had erkend een onjuiste ‘handelsinkoopwaarde’ tot uitgangspunt te hebben genomen (de waarde vermeld in de koerslijst van AutotelexPRO bij het verslag van DRZ is € 22.070 in plaats van € 22.208).

3
Geschil in hoger beroep

Net als in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de nevenbeslissingen in de bestreden uitspraak toereikend zijn.

Overwegingen

4
Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van het horen in de bezwaarschriftprocedure

4.1.

De klacht over schending van de hoorplicht faalt. De inspecteur heeft belanghebbende voldoende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Niet bestreden is immers dat zijn gemachtigde is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 27 mei 2021, nadat het horen eerder op zijn verzoek was verzet (zie 2.7.1). Het Hof ziet voorts onvoldoende reden om te twijfelen aan de vastlegging in het dossier van de inspecteur van 2 juli 2021 (zie 2.7.2) dat geen afmelding van de gemachtigde van belanghebbende is ontvangen voor dat horen. Uit de laatste alinea van het verslag van het hoorgesprek volgt dat bij eerdere gelegenheid (de eerste vermelding van 31 mei 2021 moet een verschrijving zijn, want dat was toen een datum in de toekomst) wel is gesproken over verhinderingen voor hoorgesprekken, maar dat de gemachtigde toen niet een verhindering heeft gemeld voor het hoorgesprek van 27 mei 2021. De omstandigheid dat een emailadres van de gemachtigde van belanghebbende is geblokkeerd bij de Belastingdienst, leidt mede gezien de achtergrond van die blokkade (zie 2.7.3) niet tot een ander oordeel. De opvatting dat inspecteur net zo lang moet pogen om tot een hoorgesprek te komen totdat de belanghebbende of zijn gemachtigde verschijnt om te worden gehoord, is ten slotte onjuist. Evident is dat het Unierecht evenmin een dergelijke verstrekkende verplichting meebrengt.

Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel

4.2.

De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet wezenlijk benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.

Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag

4.3.Voorts falen de klachten over de hoogte van de naheffingsaanslag. De verschuldigde bpm is berekend uitgaande van de laagste beschikbare koerslijstwaarde, terwijl over andere elementen van die berekening niet is geklaagd. Irrelevant is of de koerslijst van XRAY bij het verslag van DRZ onjuist is ingevuld, zoals belanghebbende heeft aangevoerd. De naheffingsaanslag – als verminderd in beroep – is immers niet gebaseerd op de waarde vermeld in die koerslijst. Op de inspecteur rust verder geen verplichting om uit eigener beweging koerslijsten op te vragen.

Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade

4.4.

De klacht dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding van immateriële schade dan de rechtbank heeft toegekend, faalt eveneens. Anders dan belanghebbende in wezen betoogt, impliceert de omstandigheid dat de toegekende vergoeding van immateriële schade minder zou belopen dan de bedragen die het EHRM in vergelijkbare gevallen heeft toegekend, niet zonder meer dat geen effectieve remedie is geboden tegen overschrijding van de redelijke termijn (zie EHRM 17 juli 2008, Kaic e.a. t. Kroatië, nr. 22014/04, punt 39). De door belanghebbende aangevoerde algemeenheden rechtvaardigen mede in dat licht niet de slotsom dat de toegekende vergoeding van immateriële schade ontoereikend is.

Ten aanzien van de proceskostenveroordeling door de rechtbank

4.5.

De klacht dat de rechtbank de te vergoeden proceskosten op grond van het Unierecht tot een hoger bedrag had moeten vaststellen, omdat artikel 110 van het VwEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU zijn geschonden, faalt eveneens. Niet alleen omdat de vergoeding van proceskosten in beginsel behoort tot de procedurele autonomie van de lidstaten en te betwijfelen valt of artikel 110 van het VwEU (voldoende gekwalificeerd) is geschonden, maar ook omdat feitelijke grondslag ontbreekt. In de overgelegde schriftelijke machtiging is immers vermeld dat de gemachtigde zijn diensten verleent op basis van ‘no cure, no pay’. De ‘pay’ bestaat daarbij kennelijk uit de toegekende proceskostenvergoeding en uit andere door de rechter in nevenbeslissingen toegekende vergoedingen. Die laatste vergoedingen buiten beschouwing gelaten, leidt een dergelijk beloningsmodel inherent ertoe dat de werkelijke proceskosten van de belanghebbende gelijk zijn aan de vergoede kosten. Een hogere vergoeding zal belanghebbende daarom niet adequater ‘schadeloos’ stellen.

Ten aanzien van de overige klachten

4.6.

Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 6 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.

Slotsom

4.7.

Het hoger beroep is ongegrond.

5
Kosten

Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6
Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: