Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep civiel recht overig

ECLI:NL:GHAMS:2026:1170

Op 28 April 2026 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 200.358.883, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2026:1170. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
200.358.883
Datum uitspraak:
28 April 2026
Datum publicatie:
1 May 2026
Advocaat:
mr. S.C Brackmann te Rotterdam;mr. J.A.M. van Heijningen te 's-Hertogenbosch

Indicatie

Uitleg en beoordeling van de kwalitatieve gunningscriteria van een door een universiteit uitgeschreven minicompetentie voor multifunctionals. Overtreding contactverbod. Op grond van het proportionaliteitsbeginsel, geen uitsluiting maar integrale herbeoordeling van de inschrijvingen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.358.883/01

zaak-/KGnummer rechtbank Amsterdam : C/13/771781/ KG ZA 25-529

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 april 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

appellante in het principaal hoger beroep en geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep

advocaat: mr. S.C. Brackmann te Rotterdam,

tegen

1
[geïntimeerde 1] .,

gevestigd te [plaats 2] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep en appellante in het incidenteel hoger beroep

advocaat: mr. J.A.M. van Heijningen te 's-Hertogenbosch.

en

2
[geïntimeerde 2] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep en appellante in het incidenteel hoger beroep

advocaten: mrs. T. Raats.

Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.

1
De zaak in het kort

Deze zaak gaat om de uitleg en de beoordeling van de kwalitatieve gunningscriteria van een door [appellant] uitgeschreven minicompetentie voor multifunctionals. [geïntimeerde 1] was het niet eens met de beoordeling door [appellant] en de daaropvolgende gunning van de opdracht aan [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 1] heeft binnen de gestelde termijn een kort geding aangespannen om de gunning ongedaan te maken. [geïntimeerde 2] heeft als tussenkomende partij een eigen vordering ingesteld.

De voorzieningenrechter heeft [geïntimeerde 1] gedeeltelijk in het gelijk gesteld door [appellant] te gebieden de beoordeling van de inschrijvingen van de deelnemers aan de minicompetitie opnieuw uit te voeren. Het hof komt op een andere grond tot hetzelfde oordeel.

2
Het geding in hoger beroep
2.1

[appellant] is met haar spoedappeldagvaarding van 1 september 2025 met daarin opgenomen de grieven in hoger beroep gekomen van een vonnis in kort geding van 8 augustus 2025 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak/KGnummer gewezen tussen [geïntimeerde 1] als eiseres, [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde 2] als tussenkomende partij.

2.2

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel namens [geïntimeerde 1] , gedateerd 23 september 2025,

- memorie van antwoord in het principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel namens [geïntimeerde 2] , gedateerd 23 september 2025,

- akte wijziging eis namens [geïntimeerde 1] van 30 september 2025,

- memorie van antwoord van [appellant] in het incidenteel appel van [geïntimeerde 1] en van [geïntimeerde 2] , gedateerd 7 oktober 2025,

- memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] in het voorwaardelijk incidenteel appel alsmede akte bezwaar tegen wijziging van eis van [geïntimeerde 1] , gedateerd 7 oktober 2025.

2.3

Op 5 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.

2.4

Ten slotte is arrest gevraagd.

3
De feiten
3.1

In hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten. Bij de vaststelling van de feiten heeft het hof rekening gehouden met het onder grief 1 geformuleerde bezwaar van [appellant] tegen de onvolledigheid van de opsomming van de voorzieningenrechter daarvan. Het hof zal het bezwaar daarom niet verder inhoudelijk behandelen.

3.2

[appellant] biedt print-, kopieer-, en scandiensten aan haar medewerkers en tegen betaling aan haar studenten aan. [geïntimeerde 1] voert deze diensten met betrekking tot zogenoemde multifunctionals voor [appellant] uit sinds juli 2012. De daarop betrekking hebbende overeenkomst liep af op 31 oktober 2025.

3.3

[appellant] heeft als gevolg van een in juni 2023 gehouden Europese openbare aanbestedingsprocedure met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] en twee andere bedrijven een raamovereenkomst multifunctionals gesloten (hierna: [bedrijf] ). In de [bedrijf] is bepaald dat de daadwerkelijke levering van de diensten wordt gegund op basis van een minicompetitie. Met de partij die de minicompetitie wint wordt vervolgens een nadere overeenkomst gesloten.

3.4

[appellant] heeft op 31 maart 2025 aangekondigd op 7 april 2025 een minicompetitie te zullen publiceren voor het leveren van de in de [bedrijf] genoemde diensten. In de aankondiging staat over het doel van de minicompetentie het volgende:

Titel: Minicompetitie Multifunctionals

De doelstelling voor deze minicompetitie is het selecteren en contracteren van Opdrachtnemer met de oplossing die voor de Vrije Universiteit de beste prijs-kwaliteitverhouding biedt. De opdracht bestaat uit: - 110 A3 Multifunctionals - 1

Beschrijving: A4 Multifunctional - 91Printers - 4,46 mio afdrukken mono per jaar - 2,96 mio

afdrukken kleur per jaar - Printmanagementoplossing (SAAS) - Betaaloplossing -

Fleetmanagement

3.5

De ingangsdatum van de als gevolg van de minicompetentie te sluiten nadere overeenkomst stond gepland op 1 november 2025. In de voor de minicompetentie opgestelde offerteaanvraag van [appellant] van 4 april 2025 (hierna: de offerteaanvraag) staat onder andere het volgende:

1
Inleiding

(…)

Het doel van deze offerteaanvraag is een efficiënte en effectieve uitvoering van de minicompetentie. De uitgangspunten van de minicompetentie zijn vastgelegd in de Aanbestedingsstukken, inclusief de Raamovereenkomst ( [bedrijf] )

(…)

1.1

Uitgangspunten

(…)

• De gunningsmethodiek en gunningsvoorwaarden voor de minicompetitie zijn op hoofdlijn vastgelegd in de [bedrijf] , meer specifiek Bijlage 3 van het Beschrijvend document, en in dit document nader uitgewerkt;

• De actuele gewenste situatie en gunningcriteria zijn in deze uitnodiging opgenomen;

(…)

2.5

Gewenste situatie

De gewenste situatie ten aanzien van de printdienstverlening kent vanuit functioneel oogpunt

grote gelijkenissen met de huidige situatie. De veranderingen die de vrije Universiteit wel door

wil voeren zijn:

1) De gehele printdienstverlening (HH, SW en betalen) onderbrengen bij één leverancier;

2) Printmanagement afnemen als SAAS-oplossing;

3) De betaaloplossing en betaalafhandeling als onderdeel van de SAAS-oplossing en

dienstverlening;

4) Reductie van het aantal multifunctionals;

Onderstaand de toelichting op wat de Vrije Universiteit concreet wenst in de nieuwe situatie.

(…)

2.5.3

Betalen

Gekoppeld aan de printmanagementomgeving dient de Inschrijver een betaaloplossing te

leveren. Hierbij is de Inschrijver verantwoordelijk voor de gehele financiële afhandeling

(beheer tegoeden, beantwoorden vragen/verzoeken en terugstorten tegoed).

Samen met de Vrije Universiteit wordt een verkoopprijs per soort afdruk bepaald. De

volledige verkoopopbrengsten worden één maal per kwartaal naar de Vrije Universiteit

overgemaakt.

De kosten voor de betaaloplossing en de gemaakte afdrukken worden in de reguliere

factuurstroom doorbelast aan de Vrije Universiteit.

(…)

2.6.

Implementatie

Voor 01-11-2025 moet de nieuwe printmanagementomgeving en betaaloplossing ingericht

zijn en dienen de huidige [geïntimeerde 1] machines vervangen te zijn.

(…)

4. Gunningscriteria en beoordeling van de offerte

4.1

Gunningscriteria

Om te bepalen welke in deze minicompetitie aangeboden offerte de beste prijs-kwaliteitverhouding biedt, worden de volgende subgunningscriteria gehanteerd, met de volgende onderlinge weging:

(…)

GMC 2.1 Implementatieplan (max. 6 A4 excl. planningsoverzicht):

Inschrijver dient een Implementatieplan aan te leveren omtrent levering, implementatie,training en nazorg van de dienstverlening. Het Implementatieplan moet ervan uitgaan dat alle Apparatuur, Software en de bijhorende dienstverlening, door inschrijver, gebruiksklaar voor de eindgebruiker moet worden opgeleverd. Tevens moet het Implementatieplan uitgaan van een niet onderbroken proces. De zittende leverancier vult dit gunningscriterium

in alsof zij moeten implementeren bij een nieuwe Deelnemer.

(…)

4.2

Beoordeling

Eerst beoordelen de leden van het beoordelingsteam individueel de beantwoording van de kwalitatieve subgunningscriteria. Daarna komt het beoordelingsteam in gezamenlijk overlegtot één (1) definitieve puntentoekenning per criterium per Inschrijving. Het is mogelijk dat het beoordelingsteam meerdere Inschrijvers op een subgunningscriterium met hetzelfde aantal punten beoordeelt. Per gesteld criterium kan een vastgesteld maximum aantal punten worden behaald. Deze punten worden op basis van de volgende waarderingsmogelijkhedentoegekend:

3.6

[geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en een derde onderneming hebben een geldige inschrijving ingediend. In haar brief van 18 juni 2025 heeft [appellant] aan [geïntimeerde 1] geschreven dat haar inschrijving niet

voor gunning in aanmerking komt omdat deze niet de economisch meest voordelige is. De [appellant] heeft verder aangegeven dat zij voornemens is de opdracht te gunnen aan [geïntimeerde 2] , omdat haar inschrijving als economisch meest voordelig is beoordeeld. [appellant] heeft haar beoordeling in een meegestuurde tabel als volgt gemotiveerd:

3.7

Op 23 juni 2025 heeft [geïntimeerde 1] bezwaar gemaakt tegen de (voorlopige) gunningsbeslissing. Naar aanleiding daarvan heeft bij de [appellant] een zogenoemd dialooggesprek plaatsgevonden. Dat gesprek heeft niet geleid tot intrekking of herbeoordeling van het gunningsbesluit.

3.8

[geïntimeerde 1] heeft binnen de door de [appellant] gestelde termijn een kort geding aangespannen.

4
De procedure bij de rechtbank
4.1

[geïntimeerde 1] heeft - samengevat weergegeven - bij de voorzieningenrechter het volgende, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:

primair [appellant] te verbieden de opdracht aan [geïntimeerde 2] te gunnen en indien zij de opdracht wenst te gunnen, deze aan [geïntimeerde 1] te gunnen;

subsidiair [appellant] te gebieden de minicompetitie in te trekken en een nieuwe minicompetitie te organiseren; indien en voor zover [appellant] de opdracht nog wenst te gunnen,

meer subsidiair [appellant] te gebieden de inschrijvingen van de deelnemers aan de minicompetitie, voor zover deze aan de eisen voor gunning voldoen, opnieuw te beoordelen door binnen dertig dagen na vonnisdatum een onafhankelijke beoordelingscommissie respectievelijk beoordelaars in te stellen;

nog meer subsidiair [appellant] te gebieden het gunningsvoornemen van een nieuwe draagkrachtige motivering te voorzien en deze aan de inschrijvers die aan de gunningseisen voldoen, door middel van een voornemen tot gunning kenbaar te maken; en

[appellant] te veroordelen in de proceskosten met wettelijke rente.

4.2

[geïntimeerde 2] heeft als tussenkomende partij op haar beurt, eveneens uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd [appellant] te gebieden de opdracht definitief aan [geïntimeerde 2] te gunnen en [geïntimeerde 1] te veroordelen in de proceskosten met wettelijke rente.

4.3

De voorzieningenrechter heeft de vordering van [geïntimeerde 1] zoals weergegeven onder 4.1 c) gedeeltelijk toegewezen, omdat naar het oordeel van de voorzieningenrechter [appellant] aan [geïntimeerde 2] ten onrechte een extra score heeft toegekend voor de overgang van het betaalsysteem. De voorzieningenrechter heeft [appellant] met inachtneming van dit oordeel geboden de inschrijvingen van de drie deelnemers aan de minicompetitie opnieuw te beoordelen en [appellant] en [geïntimeerde 2] veroordeeld in de proceskosten.

5
De vorderingen in het principaal en het incidenteel hoger beroep
5.1

[appellant] heeft tegen het bestreden vonnis hoger beroep ingesteld. Zij heeft daarbij vijf grieven geformuleerd. Doel van de grieven is dat het toegewezen gebod om de inschrijvingen opnieuw te beoordelen wordt vernietigd met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

5.2

[geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] hebben ieder op hun beurt incidenteel hoger beroep ingesteld.

5.3

[geïntimeerde 2] maakt in het incidenteel hoger beroep bezwaar tegen de afwijzing van haar vordering en de proceskostenveroordeling.

5.4

[geïntimeerde 1] vordert voorwaardelijk, namelijk voor het geval het hof het bestreden vonnis vernietigt, dat [appellant] tot heraanbesteding wordt veroordeeld, althans tot herbeoordeling van de gunningscriteria GMC 2.1 en 2.2. [geïntimeerde 1] heeft haar eis na haar memorie van incidentele grieven gewijzigd. De eerste wijziging betreft het voorwaardelijke karakter van haar eis; [geïntimeerde 1] wil dat namelijk wijzigen in onvoorwaardelijk. De tweede wijziging ziet op de bij de voorzieningenrechter gevorderde uitsluiting van [geïntimeerde 2] (zie 4.1 onder a)). [geïntimeerde 1] stelt dat zij deze vordering abusievelijk in het petitum niet heeft herhaald en voegt deze alsnog toe.

5.5

Het hof is van oordeel dat de eerste eiswijziging op de grond van de zogenoemde tweeconclusieregel niet toelaatbaar is. Deze in artikel 347 lid 1 Rv besloten liggende regel brengt mee dat de rechter in een incidenteel hoger beroep in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van antwoord in principaal appel of memorie van eis in incidenteel hoger beroep worden aangevoerd, tenzij zich een van de in de rechtspraak erkende uitzonderingen op die regel voordoet (Voetnoot 1). De wijziging komt neer op het aanvoeren van een nieuwe grief, want deze leidt ertoe dat het hof, anders dan oorspronkelijk werd gevorderd, in elk geval moet beslissen over heraanbesteding/herbeoordeling. De voor dit geschil relevante uitzonderingen doen zich niet voor. [geïntimeerde 2] en [appellant] hebben namelijk uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en dat onverkorte toepassing van de tweeconclusieregel strijd met de goede procesorde zou opleveren, is niet gesteld of gebleken.

5.6

Het hof beschouwt de tweede wijziging niet als een eisvermeerdering in de zin van artikel 347 lid 1 Rv, maar als het rechtzetten van een kennelijke fout in het petitum van het door [geïntimeerde 1] voorwaardelijk ingestelde incidenteel hoger beroep. Dit petitum dient te worden uitgelegd in het licht van de daaraan ten grondslag gelegde stellingen in de incidentele grieven van [geïntimeerde 1] en het processuele debat, zoals zich dat vervolgens heeft ontwikkeld (Voetnoot 2). Uit de toelichting van [geïntimeerde 1] op de grieven in incidenteel hoger beroep onder 9.2 en 11.2 blijkt naar het oordeel van hof duidelijk dat [geïntimeerde 1] heeft beoogd een gebod tot uitsluiting van [geïntimeerde 2] te verkrijgen. Van belang is verder dat [appellant] en [geïntimeerde 2] in hun memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] inhoudelijk hebben gereageerd op de aan deze vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, zodat zij in hun verweer ook niet zijn geschaad.

Overwegingen

6
De beoordeling in het principaal en het incidenteel hoger beroep
6.1

Met grief 1 in het principaal hoger beroep komt [appellant] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de betaaloplossing en betaalafhandeling geen onderdeel van de opdracht zijn. Met de grieven 2 tot en met 4 in het principaal hoger beroep bestrijdt [appellant] de gevolgen die de voorzieningenrechter daaraan verbindt voor de beoordeling van de inschrijvingen. Met grieven 2 en 3 in het incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde 1] op tegen de beoordeling van de inschrijvingen door [appellant] . Onder grief 1 betoogt [geïntimeerde 1] dat [appellant] de inschrijving van [geïntimeerde 2] ongeldig had moeten verklaren, omdat [geïntimeerde 2] het contactverbod heeft overtreden.

6.2

De grieven in het principaal en het incidenteel hoger beroep zullen hierna gezamenlijk worden behandeld aan de hand van de volgende thema’s.

Beoordelingsvrijheid [appellant]

6.3

Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het hier gaat om de beoordeling van kwalitatieve gunningscriteria, namelijk het aanleveren van een implementatieplan waarin door de inschrijver wordt ingegaan op de levering, implementatie en nazorg van de aangeboden dienstverlening (zie GMC 2.1. Implementatieplan).

6.4

Bij de beoordeling van kwalitatieve gunningscriteria geldt dat de aanbestedende dienst een ruime beoordelingsvrijheid heeft, zolang zij maar transparant handelt en de inschrijvers gelijk behandelt. Deze verplichtingen vloeien voort uit de artikelen 1.8 en 1.9 van de Aanbestedingswet (Aw) en brengen mee dat (i) het voor inschrijvers duidelijk moet zijn wat van hen wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem moeten worden beoordeeld, en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk moet worden gemotiveerd dat de afgewezen inschrijvers kunnen toetsen op welke wijze de beoordeling heeft plaatsgevonden. Bij de beantwoording van de vraag wat de inschrijvers op grond van de aanbestedingsstukken hadden mogen verwachten, moet worden uitgegaan van de bewoordingen van die stukken zoals gelezen door een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver (Voetnoot 3).

6.5

De rechter heeft met betrekking tot de beoordeling van de gunningsbeslissing van de aanbestedende dienst slechts een beperkte toetsingsruimte. De rechter grijpt pas in in geval van kennelijke procedurele of inhoudelijke onjuistheden, die kunnen meebrengen dat de gunningsbeslissing van de aanbestedende dienst niet deugt.

6.6

Toepassing van deze uitgangspunten leidt tot het volgende.

Uitleg aanbestedingsstukken met betrekking tot de betaaloplossing

6.7

Tussen partijen is niet in geschil dat de offerteaanvraag voor de minicompetitie moet worden uitgelegd in het licht van de [bedrijf] . Dit staat ook te lezen in paragraaf 1 van de offerteaanvraag. Uit paragraaf 2.5 en 2.5.3 van dezelfde offerteaanvraag volgt onmiskenbaar dat de betaaloplossing onderdeel is van de dienstverlening die moet worden geleverd. Ook de op TenderNed gepubliceerde aankondiging vermeldt de betaaloplossing als onderdeel van de opdracht.

6.8

In de offerte is onder het gunningscriterium “GMC 2.1” opgenomen dat de inschrijver een implementatieplan dient aan te leveren met betrekking tot de “levering, implementatie, training en nazorg van de dienstverlening”. Hoewel GMC 2.1 niet met zoveel woorden de betaaloplossing noemt, had een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver, gelet op paragrafen 1, 2.5 en 2.5.3 van de offerte, redelijkerwijs moeten begrijpen dat de betaaloplossing deel uitmaakte van de beoogde dienstverlening. Uit GMC 2.1 volgt verder dat

[geïntimeerde 1] als zittende leverancier dit gunningscriterium had moeten invullen alsof zij moest implementeren bij een nieuwe deelnemer.

6.9

Vaststaat dat [geïntimeerde 1] in het door haar ingediende implementatieplan geen aandacht heeft besteed aan de overgang van het betaalsysteem omdat zij de zittende leverancier was en nog is. [geïntimeerde 2] heeft dat wel gedaan en onder andere op die grond heeft zij van de beoordelingscommissie een goed gekregen. [geïntimeerde 1] kreeg voor de integrale beoordeling van haar implementatieplan een voldoende. Die beoordeling en die scores vallen binnen de beoordelingsvrijheid die de beoordelingscommissie van [appellant] had. Het is begrijpelijk dat de omstandigheid dat aan die overgang aandacht is besteed doorwerkt in de score.

Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft [appellant] daarmee niet in strijd gehandeld met de in de offerteaanvraag omschreven beoordelingssystematiek. De tegen dit oordeel gerichte grieven 2, 3 en 4 van [appellant] slagen dan ook. Het vonnis dient dus in beginsel te worden vernietigd, zodat de voorwaarde van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is vervuld.

6.10

De door [appellant] toegepaste beoordelingsmethodiek is absoluut. Dit betekent dat iedere aanvraag door de beoordelingscommissie op zijn eigen merites wordt beoordeeld. Dit blijkt ook uit het beoordelingskader zoals beschreven in paragraaf 4.2 van de offerteaanvraag. Dat is een toegelaten en voor de inschrijver kenbare methodiek. De klacht van [geïntimeerde 1] in grief 3 dat [appellant] de inschrijvingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] naast elkaar had moet leggen, is daarmee ongegrond. Er is dan ook geen reden om [appellant] te gelasten de inschrijving van [geïntimeerde 2] te overleggen. De daarop gerichte vordering van [geïntimeerde 1] wijst het hof af. [geïntimeerde 1] heeft bij haar grief voor het overige onvoldoende beargumenteerd waarom de beoordeling van GMC 2.2 op onjuiste wijze heeft plaatsgevonden.

Overtreding contactverbod

6.11

Uit de beoordeling van GMC 2.1 in de gunningsbrief van 2 juni 2025 blijkt dat [geïntimeerde 2] een hoge beoordeling heeft gekregen “omdat zij in de voorbereiding op de

minicompetitie al een beeld hebben gevormd van de Campus. Zij hebben een bezoek gebracht aan de campus, hebben studenten en medewerkers gesproken en hebben een aantal aandachtpunten in de dienstverlening geïdentificeerd welke zij direct in de implementatie

oppakken”.

6.12

Berkers van [geïntimeerde 2] en Jansen van [appellant] hebben verklaard dat [geïntimeerde 2] alleen met studenten van [appellant] heeft gesproken en niet met de medewerkers die de inschrijvingen hebben beoordeeld.

Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen reden is om aan deze verklaringen te twijfelen. Daarbij betrekt het hof dat [appellant] in reactie op de stellingen van [geïntimeerde 1] , delen van de inschrijving van [geïntimeerde 2] in haar memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep heeft opgenomen, waaruit blijkt dat [geïntimeerde 2] op de [appellant] campus en de Green Office alleen met studenten heeft gesproken. Van belang is verder dat niet is gebleken dat de studenten van de Green Office bemoeienis hebben gehad met de beoordeling van de inschrijvingen door de beoordelingscommissie.

6.13

Dat [geïntimeerde 2] vooraf contact heeft gehad met studenten en dat zij daardoor een hoge beoordeling heeft verkregen, is naar het voorlopig oordeel van het hof wèl in strijd met artikel

2.87

lid 1 sub i Aw alsook met het gelijkheidsbeginsel dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen van de inschrijvers. Het hof volgt [appellant] en [geïntimeerde 2] niet in hun stelling dat artikel 2.87 lid 1 sub i Aw alleen van toepassing is op de selectiefase van de [bedrijf] en niet op de daarop gebaseerde minicompetities. De minicompetenties kunnen naar het oordeel van het hof niet los worden gezien van alle aanbestedingsstukken, waaronder de [bedrijf] en het daaraan voorafgaande beschrijvende document dat bepaalt dat gedurende de aanbestedingsprocedure het alleen is toegestaan contact op te nemen met de in het document genoemde contactpersonen.

6.14

Het hof is echter van oordeel dat de geconstateerde onregelmatigheid niet dermate ernstig is dat [geïntimeerde 2] op grond daarvan moet worden uitgesloten. Het proportionaliteitsbeginsel staat daaraan in de weg. Uit de considerans en bepalingen van richtlijn 2014/24 volgt dat kleine onregelmatigheden slechts in uitzonderlijke omstandigheden tot de uitsluiting van een ondernemer leiden. Van een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid is geen sprake. Het voordeel dat [geïntimeerde 2] volgens [appellant] heeft genoten van een bezoek aan de studenten van de campus, kan en moet worden weggenomen door een integrale herbeoordeling van alle inschrijvingen door een onafhankelijke beoordelingscommissie of beoordelaars, met inachtneming van het voorgaande. Het hiervoor onder 6.11 geciteerde argument voor de beoordeling van GMC 2.1 dient bij die herbeoordeling buiten beschouwing te blijven.

Slotsom, kosten en bewijsaanbod

6.15

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellant] gedeeltelijk slaagt, maar als gevolg van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde 1] in essentie niet tot een ander dictum leidt, zodat vernietiging achterwege kan blijven. Het door de voorzieningenrechter onder 7.1. geformuleerde herbeoordelingsgebod zal met een kleine aanpassing opnieuw worden toegewezen. Het hof ziet daarin aanleiding om de proceskosten in principaal en incidenteel beroep te compenseren, in de zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Beslissing

7
Beslissing

Het hof, rechtdoende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het bestreden vonnis, uitgezonderd het gebod onder 7.1 van het dictum en doet in zoverre opnieuw recht:

7.1

gebiedt [appellant] de inschrijvingen van de deelnemers aan de minicompetitie, voor zover deze aan de eisen voor gunning voldoen, met inachtneming van hetgeen in dit arrest is overwogen integraal opnieuw te beoordelen door binnen 30 dagen na datum van dit arrest een onafhankelijke beoordelingscommissie of beoordelaars in/aan te stellen;

7.2

bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen;

7.3

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

7.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, D. Kingma en R.E. Weening en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 en HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771

Voetnoot 2

Vgl. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010

Voetnoot 3

Zie HvJ EG 29 april 2004, C 496/99, ECLI:EU:C:2004:236, Succhi di Frutta, pt 108-109, HR 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:802