Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep civiel recht overig
ECLI:NL:GHAMS:2026:1534
Op 12 May 2026 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 200.364.466, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2026:1534. De plaats van zitting was Amsterdam.
Advocaat:
mr. S.M. Bartman te Baambrugge
Indicatie
Incident ex artikel 222 Rv tot voeging van zaken (herroepingszaak met incident 351 Rv). Verzoek afgewezen.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.364.466/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/774813 / KG ZA 25-690
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026
1
STICHTING HULPTROEPEN ALLIANTIE,
gevestigd te Amsterdam,
2. HULPTROEPEN ALLIANTIE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellanten in de hoofzaak,
eiseressen in het incident tot voeging,
advocaat mr. I. Spinath te Amsterdam.
wonend te [plaats 1] ,
2. [geïntimeerde 2],
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident tot voeging,
advocaat: mr. S.M. Bartman te Baambrugge,
Partijen worden aangeduid als SHA, HA (tezamen: SHA c.s.), [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (tezamen: [geïntimeerden] ).
1
Het geding in hoger beroep
1.1.
SHA c.s. hebben bij dagvaarding van 26 januari 2026 herroeping gevorderd van het arrest van 7 november 2025 met zaaknummer 200.360.101/01 (executiegeschil), waarbij producties zijn overgelegd. Het hof heeft op 9 februari 2026 een rolbeslissing gewezen waarbij SHA c.s. in de gelegenheid zijn gesteld om een gebrek in de dagvaarding te herstellen. SHA c.s. hebben vervolgens een herstelexploot uitgebracht.
1.2.
De dagvaarding bevat een incidentele vordering tot voeging ex artikel 222 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van de onderhavige zaak met de bij dit hof in de zaak met zaaknummer 200.354.760/01 (bodemprocedure) door [geïntimeerden] ingestelde vordering tot opheffing loonbeslag en schorsing van de executie van het vonnis ex artikel 351 Rv, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident.
1.3.
[geïntimeerden] hebben vervolgens een memorie van antwoord in herroeping, tevens akte onmiddellijke voorziening ingediend, met producties. In deze memorie wordt niet ingegaan op de vordering tot voeging. Een door SHA c.s. ingezonden H16-formulier van 27 maart 2026 vermeldt dat [geïntimeerden] akkoord zijn met voeging.
1.4.
Arrest in het incident is bepaald op heden.
Overwegingen
2.1.
SHA c.s. hebben voeging gevorderd op de grond dat het in beide procedures om dezelfde partijen, dezelfde rechter en hetzelfde onderwerp gaat, te weten de executie van het vonnis in de bodemprocedure. Omwille van de procesefficiëntie vorderen SHA c.s. dat de zaken gevoegd en verder gezamenlijk zullen worden behandeld.
2.2.
[geïntimeerden] hebben geen bezwaar gemaakt tegen voeging.
2.3.
Het hof overweegt als volgt. Het hof acht voeging van de zaken niet aangewezen, omdat niet kan worden gezegd dat voeging doelmatig is en/of dat de proceseconomie daarmee wordt gediend. Een incidentele vordering tot schorsing ex artikel 351 Rv verlangt gelet op de aard daarvan een zo spoedig mogelijke beslissing van de rechter. Voeging met de herroepingsprocedure zal leiden tot vertraging van de behandeling van deze incidentele vordering. De vordering tot voeging zal daarom worden afgewezen.
2.4.
De beslissing over de kosten zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor beraad partijen.
Beslissing
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
verwijst de zaak naar de rol van 26 mei 2026 voor beraad partijen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.