1
AUTHENTIEKE KOFFIE EN THEE B.V.,
2. CEINTURION INVESTMENTS B.V.,
beide gevestigd te Amsterdam,
en
3. [appellant],
wonend te [plaats 1] ,
appellanten,
advocaat: mr. Th.C. Visser te Rotterdam,
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] , gemeente [plaats 3] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.
Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] genoemd dan wel met hun individuele naam aangeduid. Geïntimeerde wordt hierna [geïntimeerde] genoemd.
2
Het geding in hoger beroep
In de zaak met zaaknummer 200.357.979/01
[appellanten] is bij dagvaarding van 31 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2025, in kort geding onder zaak- en rolnummer C/13/770492 / KG ZA 25-431 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie, [naam] (hierna: [naam] ) als gedaagde in conventie en [appellanten] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.
In de zaak met zaaknummer 200.359.124/01
[appellanten] is bij dagvaarding van 1 september 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2025, in kort geding onder zaak- en rolnummer C/13/773128 / KG ZA 25-599 gewezen tussen [appellanten] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
In de zaak met zaaknummer 200.359.189/01
[appellanten] is bij dagvaarding van 1 september 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2025, in kort geding onder zaak- en rolnummer C/13/773724 / KG ZA 25-627 gewezen tussen [appellanten] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
[appellanten] heeft hierna in alle zaken een memorie van grieven, met producties, ingediend en [geïntimeerde] heeft in alle zaken een memorie van antwoord, met producties, ingediend.
Partijen hebben de drie zaken ter zitting van 21 mei 2026, alwaar zij gelijktijdig zijn behandeld, doen toelichten, [appellanten] door mr. Visser voornoemd aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd en [geïntimeerde] door mr. Swart, advocaat te Amsterdam. Partijen hebben inlichtingen verstrekt en vragen beantwoord.
Partijen hebben er desgevraagd mee ingestemd dat wat in de ene zaak is besproken ook in de andere zaken heeft te gelden.
Ten slotte is arrest gevraagd in alle zaken.
Hierna zal eerst de zaak met zaaknummer 200.357.979/01 worden behandeld
De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 9 juli 2025 onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Waar nodig aangepast aan en aangevuld met andere feiten die in hoger beroep aannemelijk zijn geworden, komen de feiten neer op het volgende.
a. [geïntimeerde] is eigenaar van het pand aan de [straat] 45 te [plaats 1] (hierna het pand). Het pand bestaat uit een kelderruimte, een winkelruimte op de begane grond en een bovengelegen (van de winkel) afhankelijke woning.
b. Met ingang van 1 september 1999 verhuurde [geïntimeerde] het pand aan [naam] . Zij exploiteerde hierin onder de naam ’t Zonnetje een winkel in koffie en thee.
c. Bij e-mailbericht van 18 april 2025 heeft [naam] aan (de beheerder van) [geïntimeerde] bericht dat zij haar huurcontract voor het pand per eind mei 2025 zou beëindigen.
d. Bij e-mailbericht van eveneens 18 april 2025 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan [naam] , met kopie aan haar toenmalige advocaat, bericht dat [geïntimeerde] akkoord ging met de huuropzegging tegen 31 mei 2025 en dat [geïntimeerde] op korte termijn een afspraak zou maken voor de voor- en na-inspectie van het gehuurde.
e. Bij (aangetekende) brief van 16 mei 2025 heeft de beheerder van [geïntimeerde] de huuropzegging nogmaals bevestigd aan [naam] , omdat de advocaat van [naam] had bericht niet meer voor [naam] op te treden.
f. De beheerder van [geïntimeerde] heeft met [naam] afgesproken dat de oplevering van het gehuurde op 3 juni 2025 plaats zou vinden. Bij brief van 27 mei 2025 heeft de advocaat van [geïntimeerde] deze afspraak bevestigd aan [naam] .
g. Bij brief van 29 mei 2025 heeft [naam] de advocaat van [geïntimeerde] bericht dat de huurovereenkomst per 31 mei 2025 is opgezegd, maar heeft zij verzocht deze opzegging op te schorten en een “alternatieve regeling” te treffen. Die regeling kwam erop neer dat een stichting zou worden opgezet die de winkel zou voortzetten en mogelijk het pand zou kopen van [geïntimeerde] .
h. Bij e-mailbericht van 30 mei 2025 heeft de advocaat van [geïntimeerde] [naam] bericht dat [geïntimeerde] onder geen beding wenst mee te werken aan een “doorstart” van ’t Zonnetje en dat zij vasthield aan een algehele oplevering van het gehuurde op 3 juni 2025.
i. [geïntimeerde] is ook benaderd door [appellant] , die kenbaar maakte op te treden namens Ceinturion Investments B.V. en die [geïntimeerde] heeft verzocht om de exploitatie van het pand te mogen voortzetten. [appellant] heeft daarbij [geïntimeerde] in het bezit gesteld van een proces-verbaal van 9 december 2024 dat is opgemaakt door dit hof. Hieruit blijkt dat bij het hof een geschil aanhangig was tussen [appellant] en [naam] en dat deze partijen een minnelijke regeling hebben getroffen die is neergelegd in dit proces-verbaal. In dit proces-verbaal staat onder meer dat [naam] de activa en passiva van haar onderneming verkoopt aan [appellant] onder de opschortende voorwaarde van een indeplaatsstelling van Ceinturion Investments B.V. in de door [naam] afgesloten huurovereenkomst. Ook staat in het proces-verbaal dat [naam] en Ceinturion Investments B.V. een koopovereenkomst en een overeenkomst van indeplaatsstelling zullen opstellen.
j. Op 2 juni 2025 heeft [geïntimeerde] een betaling van € 4.166,67 ontvangen van Authentieke Koffie en Thee B.V. [geïntimeerde] heeft deze betaling teruggestort.
k. Op 3 juni 2025 heeft een door [geïntimeerde] ingeschakelde deurwaarder geconstateerd dat het pand niet leeg was. De beheerder van [geïntimeerde] heeft op die dag telefonisch contact gehad met [naam] , die verklaarde dat zij had begrepen dat zij niet meer hoefde op te leveren nu zij de sleutels had ingeleverd bij [appellant] , die haar had voorgehouden daartoe gerechtigd te zijn, zo blijkt uit het proces-verbaal van constatering van de deurwaarder van 3 juni 2025.
l. Op 6 augustus 2025 is het pand ontruimd in opdracht van [geïntimeerde] . Per 1 april 2026 is het pand verhuurd aan derden die hun intrek in het pand hebben genomen.
Overwegingen
4.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd, kort samengevat, ontruiming van het pand en betaling van een gebruiksvergoeding gelijk aan de huurprijs van € 5.000,00 voor iedere maand dat het gebruik voortduurt na 1 juni 2025. [appellanten] heeft in reconventie gevorderd, kort samengevat, [geïntimeerde] te gebieden [appellanten] als gebruiker van het pand te gedogen onder voortzetting van de huurvoorwaarden tot het moment waarop in een nog te starten bodemprocedure is beslist op de vordering van [appellanten] tot indeplaatsstelling.
4.2
De voorzieningenrechter heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen jegens zowel [appellanten] als [naam] en de vordering van [appellanten] afgewezen. [appellanten] is zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld, waarbij deze kosten in reconventie aan de zijde van [geïntimeerde] op nihil zijn begroot. De voorzieningenrechter heeft hiertoe, kort gezegd, overwogen dat [naam] de huurovereenkomst heeft opgezegd en dat die opzegging door [geïntimeerde] is geaccepteerd. Haar verzoek om de huuropzegging op te schorten is niet door [geïntimeerde] geaccepteerd. [naam] is daarom met ingang van 1 juni 2025 niet langer huurder van het pand. Niet aannemelijk geworden is dat de huuropzegging tot stand is gekomen door misbruik van omstandigheden, zoals door [appellanten] was aangevoerd. Het enkele feit dat [geïntimeerde] voornemens was de huurprijs te verhogen is daarvoor niet voldoende. [appellanten] verbleef zonder recht of titel in het pand. Het spoedeisend belang van [geïntimeerde] was hierin gelegen dat van haar niet kan worden gevergd de bodemprocedure af te wachten, aangezien de huurovereenkomst per 1 juni 2025 tot een einde is gekomen en [geïntimeerde] ervan mocht uitgaan dat zij met ingang van deze datum weer over het pand zou kunnen beschikken. De voorzieningenrechter heeft hierbij ten slotte nog opgemerkt dat [appellanten] de vordering tot indeplaatsstelling nog niet had ingesteld en dat dat inmiddels ook niet meer mogelijk was, omdat de huurovereenkomst reeds is geëindigd.
4.3
[appellanten] vordert in hoger beroep vernietiging van dit vonnis en alsnog toewijzing van zijn vordering en afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, met rente en nakosten. [appellanten] is met vijf grieven opgekomen tegen het bestreden vonnis. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, met rente.
4.4
[geïntimeerde] heeft als verweer gevoerd dat Authentieke Koffie en Thee B.V. niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat zij ook gebruik maakt van de naam ’t Zonnetje (B.V.). Het heeft er daarmee feitelijk alle schijn van dat zij aldus een overname van de vennootschap van [naam] veinst en Authentieke Koffie en Thee B.V. in de positie van [naam] is getreden. Inderdaad is in de kop van de memorie van grieven aan de naam van Authentieke Koffie en Thee B.V. de naam ’t Zonnetje B.V. toegevoegd. Wat daarvan ook de reden mag zijn, deze nadere aanduiding geeft geen aanleiding om de in eerste aanleg veroordeelde Authentieke Koffie en Thee B.V. niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep tegen deze veroordeling.
4.5
Met grief 1 heeft [appellanten] aangevoerd dat [naam] in eerste aanleg terecht een beroep op opschorting, dat moet worden gelezen als vernietiging, van de huuropzegging heeft gedaan. [naam] verkeerde op het moment van de huuropzegging in financiële problemen. Mede vanwege het door [geïntimeerde] gedane voorstel tot huurverhoging zag zij geen andere uitweg dan over te gaan tot opzegging van de huurovereenkomst. [naam] heeft daarbij de gevolgen van haar handelen niet kunnen overzien. De huuropzegging is derhalve onder druk van een huurverhoging gedaan. [naam] had die bedoeling uitdrukkelijk niet, gelet op de afspraken die tussen haar en [appellanten] tot stand waren gekomen. [geïntimeerde] heeft misbruik van de omstandigheden gemaakt. De ontruiming had daarom niet jegens [naam] mogen worden uitgesproken, aldus [appellanten] Met grief 2 heeft [appellanten] aangevuld dat de ontruiming ook ten onrechte jegens hemzelf is uitgesproken. [geïntimeerde] wist van de afspraken die tussen [naam] en [appellanten] waren gemaakt. Boterbloem was al in 2018 verzocht om mee te werken aan een indeplaatsstelling. Nadien is daarover nog veelvuldig gecorrespondeerd. [geïntimeerde] was ermee bekend dat [naam] de indeplaatsstelling frustreerde. [geïntimeerde] is ook ervan op de hoogte gebracht dat het geschil tussen [naam] en [appellanten] vervolgens is opgelost.
4.6
Deze grieven hebben geen succes. Daargelaten dat [appellanten] in beginsel geen beroep toekomt op misbruik van omstandigheden door [geïntimeerde] jegens [naam] , valt dit misbruik van omstandigheden vooralsnog ook niet vast te stellen op grond van de door [appellanten] gestelde feiten en omstandigheden zoals hierboven weergegeven. Ook het hof oordeelt dus dat daarmee daartoe onvoldoende is aangevoerd. Verder geldt dat indien huurder overdracht aan een derde van het in het gehuurde door de huurder uitgeoefende bedrijf wenst, de huurder kan vorderen dat hij wordt gemachtigd om die derde als huurder in zijn plaats te stellen (artikel 7:307 lid 1 BW). Een dergelijke vordering is nooit ingediend. Dat mr. Visser in het verleden namens [naam] een verzoek heeft gedaan om mee te werken aan een indeplaatsstelling bij de advocaat van (thans) [geïntimeerde] , zoals ter zitting in hoger beroep nog naar voren gebracht, is te veel in het vage gebleven. Hieromtrent bevindt zich slechts een algemene brief van 6 november 2018 bij de stukken. Evenmin is gebleken, voor zover dat [geïntimeerde] al zou kunnen worden tegengeworpen, dat [appellanten] de door hem gestelde aanspraak op indeplaatsstelling jegens [naam] heeft geprobeerd te materialiseren. De correspondentie aan [geïntimeerde] waarnaar [appellanten] verwijst dateert uit 2018 (genoemde brief van 6 november 2018 van de advocaat van [naam] aan de advocaat van [geïntimeerde] ) en 2019 (enkele e-mailberichten van februari 2019 tussen de advocaat van [appellanten] en de advocaat van [geïntimeerde] ). Uit deze correspondentie kan geen aanspraak van [appellanten] jegens [geïntimeerde] worden afgeleid. Van opvolgend contact hieromtrent is niet gebleken tot de advocaat van [appellanten] op 23 april 2025 per e-mail aan [geïntimeerde] vraagt of zij even kunnen bellen in verband met het gehuurde en schrijft dat het mogelijk interessant is om even met elkaar te overleggen, temeer nu [appellant] en [naam] een regeling hebben die [naam] niet lijkt te gaan nakomen. Dit bericht en de eventuele kennis die [geïntimeerde] van de perikelen tussen [naam] en [appellanten] had, creëren op zichzelf evenmin een aanspraak op het pand van [appellanten] jegens [geïntimeerde] . Een daartoe benodigde aanvullende toelichting ontbreekt. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellanten] nog gesteld dat [geïntimeerde] met de acceptatie van de huuropzegging door [naam] heeft geprofiteerd van de wanprestatie van [naam] jegens [appellanten] en [geïntimeerde] daarmee ook jegens [appellanten] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. Wat ook zij van deze (nauwelijks geadstrueerde) stelling, deze grief is te laat ingesteld en zal daarom niet nader worden behandeld. Ook het hof komt derhalve tot het voorlopig oordeel dat [appellanten] zonder recht of titel in het pand verbleef.
4.7
Grief 3 is gericht tegen het door de voorzieningenrechter aangenomen spoedeisend belang. Volgens [appellanten] is het belang van [geïntimeerde] slechts hierin gelegen dat zij het pand voor een hogere huurprijs wil doorverhuren en [appellanten] heeft gegarandeerd een gebruiksvergoeding te voldoen. Van spoedeisendheid kan daarom geen sprake zijn, aldus [appellanten] Het hof onderschrijft echter de desbetreffende overweging van de voorzieningenrechter zoals hierboven (onder 4.2) weergegeven. [geïntimeerde] hoeft in beginsel geen bodemprocedure af te wachten alvorens zij vrijelijk over haar eigendom kan beschikken. Leegstand is niet aan de orde noch lijken de monumentale waarde en cultuurhistorische achtergrond van het pand te worden geschonden, zoals door de advocaat van [geïntimeerde] ter zitting in hoger beroep bevestigd, zodat ook het beroep van [appellanten] daarop hem niet baat, wat daarvan verder ook zij. De grief faalt.
4.8
Grief 4 vecht de proceskostenveroordeling van [appellanten] aan en grief 5 de afwijzing van de vordering van [appellanten] in reconventie. Uit het voorgaande volgt dat ook deze grieven niet slagen. Daarmee falen alle grieven. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellanten] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Behandeling zaak met zaaknummer 200.359.124/01
5.1
[appellanten] heeft, toen de ontruiming van het pand nog niet had plaatsgevonden, in eerste aanleg gevorderd dat de executie van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 9 juli 2025 zou worden geschorst totdat in het hoger beroep van dit vonnis een eindarrest zou zijn gewezen dat kracht van gewijsde heeft. De voorzieningenrechter heeft deze vordering beoordeeld aan de hand van de criteria van de Hoge Raad zoals geformuleerd in zijn uitspraak van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 en de vordering afgewezen onder veroordeling van [appellanten] in de proceskosten. Tegen de door de voorzieningenrechter hierbij gemaakte belangenafweging is het hoger beroep in de kern gericht. [appellanten] heeft zes grieven opgeworpen en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis, alsnog toewijzing van zijn vordering en, aangezien de ontruiming reeds ten uitvoer is gelegd, een gebod aan [geïntimeerde] de reeds plaatsgevonden executiemaatregelen terug te draaien en [appellanten] weer toegang te verlenen tot het pand, totdat in het hoger beroep van het vonnis van 9 juli 2025 (naar het hof begrijpt:) definitief zal zijn beslist, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, met rente en nakosten. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, met rente.
5.2
De grieven 1, 2 en 3 komen erop neer dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de gevorderde schorsing van de executie volgens [appellanten] , gezien zijn belangen, de belangenafweging ten onrechte in het voordeel van Boterbloem heeft laten uitvallen. [appellant] heeft hierbij zijn belang de winkel daadwerkelijk te kunnen gebruiken benadrukt. [appellanten] had de winkel al gekocht en diende enkel nog in de plaats te worden gesteld. [appellanten] heeft zeer veel in de winkel geïnvesteerd en ook goodwill opgebouwd. In het pand zijn goederen aanwezig met monumentale en historische waarde die niet uit het pand mogen worden gehaald. Daarom moest worden voorkomen dat het pand aan een derde ter beschikking zou worden gesteld. Het belang van [geïntimeerde] dat hiertegenover is gesteld, een hogere huurprijs, is niet aanwezig, omdat [appellanten] bereid is een (hogere) huurprijs te voldoen, aldus [appellanten] [appellant] heeft ook bezwaar gemaakt tegen zijn veroordeling in de kosten (grief 6) en ten slotte twee grieven (grieven 4 en 5) gericht tegen overwegingen ten overvloede van de voorzieningenrechter.
5.3
De opgevoerde belangen baten [appellanten] niet. Ook het hof is voorshands van oordeel dat de opgevoerde omstandigheden niet meebrengen dat het belang van [appellanten] bij de oorspronkelijke toestand, zolang niet op het ingestelde hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] de verkregen veroordeling ten uitvoer te leggen. De voorzieningenrechter heeft terecht gewezen op het belang van [geïntimeerde] bij de uitoefening van haar recht te beschikken over haar eigendom door het pand aan een derde naar keuze te verhuren tegen een hogere huurprijs. De monumentale en historische goederen lijken, zoals hierboven reeds vermeld, vooralsnog geen gevaar te lopen. Het hof begrijpt daarbij dat deze goederen geen eigendom van [appellanten] zijn, maar zich voorheen al in het pand hebben bevonden. De zakelijke belangen van [appellant] wegen ook overigens niet zwaarder. Bij deze stand van zaken behoeven de grieven 4 en 5 geen nadere behandeling en kan grief 6 ook niet slagen. Geen van de grieven heeft dus succes. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, de aanvullende vordering in hoger beroep zal worden afgewezen en [appellanten] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Voor de mondelinge behandeling in deze zaak zal geen salarispunt worden berekend gelet op de samenhang met de eerste zaak, waarin daarvoor al een punt is toegekend.
Behandeling zaak met zaaknummer 200.359.189/01
m. Bij e-mailbericht van 4 augustus 2025, 18:26 uur, heeft de advocaat van [appellanten] aan de advocaat van [geïntimeerde] geschreven:
Cliënten zullen vrijwillig gehoor geven aan het vonnis.
Een akte van constatering is dus akkoord.
Zijstap/ voorstel: cliënten zouden toch graag een huurovereenkomst willen sluiten voor het gehuurde voor een bedrag van EUR 70K ex BTW, voor een periode van 5 + 5 jaar.
Is dat nog bespreekbaar?
n. De advocaat van [geïntimeerde] heeft dit voorstel voorgelegd aan (de bestuurder van) [geïntimeerde] , die toen in Japan verbleef.
o. De advocaat heeft vervolgens telefonisch een tegenvoorstel besproken met de advocaat van [appellanten] op 5 augustus 2025 om 10:28 uur.
p. De advocaat van [appellanten] heeft hierna op dezelfde dag om 14:55 uur vergeefs geprobeerd nogmaals telefonisch contact te hebben met de advocaat van [geïntimeerde] .
q. Daarop zijn de volgende tekstberichten uitgewisseld tussen de advocaten:
mr. Visser om 15:46 uur: Ik belde terug vanmiddag, schikt over circa 30 min / 1 uur alsnog?
mr. Swart om 15:47 uur: Oké
mr. Visser om 16:43 uur: Kennelijk vind je opnemen lastig.
mr. Visser om 16:44 uur: Je wilde het voorstel niet op de e-mail zetten anders dan wanneer cliënt erover na wil denken. Daar moest ik over terugbellen. Ik heb je gebeld en je neemt tot twee keer toe niet op.
mr. Swart om 17:08 uur: Nee, ik vind opnemen helemaal niet moeilijk en ik heb een voorstel op de mail gezet, met als deadline 16.00 uur. Los van de discussie over wie wie zou bellen, gold de limiet van 16.00 uur. Uw cliënt had kunnen aanvaarden en ik zie geen aanvaarding
r. Om 16:16 uur op deze dag had mr. Swart mr. Visser al per e-mail bericht:
Het is voorbij 16.00 uur, dus het tegenbod van cliënt is van tafel.
s. Om 16:52 uur heeft mr. Visser daarop nog aan mr. Swart gemaild:
Hierbij akkoord op het voorstel:
- 100K vergoeding (te investeren in het pand, na overlegging nota’s);
10 + 10 jaar huurovereenkomst;
Bij verkoop exploitatie wordt dit eerst aan verhuurder aangeboden;
Huurprijs 75K + indexering.
Huurovereenkomst gaat vandaag in. Dus geen ontruiming/oplevering morgen.
t. Hierna is discussie ontstaan over de vraag of om 16.00 uur een deadline was gesteld en zo ja, of daaraan mocht worden vastgehouden.
u. Op 6 augustus 2025 is het pand ontruimd in opdracht van [geïntimeerde] .
7.1
[appellanten] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [geïntimeerde] zou worden bevolen de afspraken zoals vermeld in het hierboven weergegeven e-mailbericht van 5 augustus 2025 16:52 uur van mr. Visser na te komen en hem, kort gezegd, de sleutels van het pand te overhandigen. [appellanten] heeft zich hierbij beroepen op de totstandkoming van deze afspraken. [geïntimeerde] heeft weersproken dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten. De voorzieningenrechter heeft in zijn voorlopig oordeel [geïntimeerde] gevolgd. Ook deze vordering van [appellanten] is derhalve afgewezen en [appellanten] is in de proceskosten veroordeeld.
7.2
[appellanten] heeft in hoger beroep gevorderd, kort gezegd, dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat zijn vordering alsnog zal worden toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, met rente en nakosten. [appellanten] heeft hiertoe zes grieven geformuleerd die gezamenlijk zullen worden behandeld. [geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met hoofdelijke veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, met rente.
7.3
[appellanten] stelt voorop dat hem bij het telefoongesprek in de ochtend van 5 augustus 2025 niet is gezegd dat de termijn voor aanvaarding van het aanbod van [geïntimeerde] om 16.00 uur ten einde liep. [appellanten] mocht erop vertrouwen dat het aanbod nog de gehele dag kon worden aanvaard, mits vóór de daadwerkelijke ontruiming. Als er al een termijn gold, dat volgt uit de inhoud van de tekstberichten dat die was verlengd tot de daarin genoemde tijdstippen van nader contact. Dit gerechtvaardigd vertrouwen is althans daardoor bij mr. Visser gewekt. Het voorstel kon dus nog worden geaccepteerd en dat is op 5 augustus 2025 om 16:52 uur ook tijdig en volledig gedaan. Daarmee is een huurovereenkomst tot stand gekomen. Met de herroeping van het aanbod is in strijd daarmee gehandeld en ook in strijd met de in acht te nemen redelijkheid en billijkheid. [geïntimeerde] had ook geen gerechtvaardigde grond om de onderhandelingen te stoppen, aldus nog steeds [appellanten]
7.4
Ook in hoger beroep is onvoldoende aannemelijk geworden dat tussen partijen op 5 augustus 2025 alsnog een huurovereenkomst tot stand is gekomen. Volgens [geïntimeerde] bevatte het e-mailbericht van 16:52 uur van mr. Visser geen aanvaarding maar een tegenvoorstel. De in de ochtend besproken betaling van € 100.000,00 zou niet worden gedaan in de vorm van investeringen in het pand en zij zou daar ook nooit mee hebben ingestemd, aldus [geïntimeerde] . Van de zijde van [appellanten] is aangevoerd dat dit mocht worden begrepen uit het toen gevoerde telefoongesprek. Waarom hij daarvan mocht uitgaan heeft [appellanten] echter niet feitelijk toegelicht. Onduidelijk is gebleven op welke uitlatingen van mr. Swart dit is gebaseerd. Daarentegen heeft [appellanten] zich vooral erop beroepen dat de benaming van dit geldbedrag niet relevant is, omdat [geïntimeerde] dit bedrag feitelijk ook ontvangt als genoemde investeringen zullen worden gedaan, maar dat is onvoldoende om van een volwaardige acceptatie te kunnen spreken als dit niet zo expliciet aan de orde is geweest in het telefoongesprek. Reeds hierom kan vooralsnog niet worden aangenomen dat dit e-mailbericht een aanvaarding inhield en geen tegenbod. Overigens stond het [geïntimeerde] naar het voorlopig oordeel van het hof vrij om haar voorstel weer in te trekken in het geval - overeenkomstig de stelling van [appellanten] - dient te worden aangenomen dat geen aanvaardingstermijn was genoemd en heeft [geïntimeerde] dat kennelijk ook gedaan via haar advocaat. Dat [geïntimeerde] haar voorstel niet mocht intrekken is althans onvoldoende aannemelijk gemaakt in dit kort geding. De wilsvertrouwensleer noch de redelijkheid en billijkheid lijkt hieraan in de aan de orde zijnde omstandigheden in de weg te staan. Dat het afbreken van de onderhandeling niet zonder gevolgen kan blijven, zoals ook nog gesteld, is onvoldoende geadstrueerd.
7.5
Ook dit hoger beroep heeft dus geen succes. Uit het bovenstaande volgt dat de grief tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg ook faalt. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellanten] zal ook hier als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Voor de mondelinge behandeling in deze zaak zal evenmin een salarispunt worden berekend, gelet op de samenhang met de eerste zaak, waarin daarvoor al een punt is toegekend.
8.1
Het hof ziet geen aanleiding, gelet op bovenstaande overwegingen en de aard van deze procedure, om [appellanten] toe te laten tot bewijslevering.
Beslissing
in de zaak met zaaknummer 200.357.979/01
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 827,00 aan verschotten en € 2.580,00 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
in de zaak met zaaknummer 200.359.124/01
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 827,00 aan verschotten en € 1.290,00 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
in de zaak met zaaknummer 200.359.189/01
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 827,00 aan verschotten en € 1.290,00 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
in de zaak met zaaknummer 200.359.124/01 voorts
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, C.A.H.M. ten Dam en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.