2
Het geding in hoger beroep
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 17 mei 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 21 februari 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met een productie;
- memorie van antwoord, met een productie.
Op 26 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
[appellanten] zijn sinds l5 februari 2022 eigenaar van de woning aan de Westzanerdijk 348 in [plaats 1] (hierna: de woning). De woning is een tussenwoning in een blok van drie huizen (nummers 346 t/m 350).
3.2.
[appellanten] hebben deze woning gekocht van [geïntimeerden] Daarbij is geen van partijen bijgestaan door een makelaar. In november 2021 hadden [appellanten] via via gehoord dat [geïntimeerden] de woning wilden verkopen en [appellanten] hebben op 23 november 2021 contact gezocht met [geïntimeerden] Er is een bezichtiging afgesproken en op 24 november 2021 hebben partijen mondelinge overeenstemming bereikt over verkoop van de woning door [geïntimeerden] aan [appellanten]
3.3.
Voorafgaand aan het opstellen van de schriftelijke koopovereenkomst hebben
[appellanten] op 30 november 2021 een bouwkundige keuring laten uitvoeren door House
Check. De rapportage van 2 december 2021 houdt voor zover hier relevant het volgende in:
Bevindingen: Voor zover onderzoek mogelijk was, verkeert de fundering in een redelijke conditie.
De fundering is echter niet geïnspecteerd. Er kunnen dus geen directe uitspraken gedaan worden over
de conditie c.q. gebreken.
Advies: Als u volledige zekerheid wenst adviseren wij u specialistisch funderingsonderzoek uit te
laten voeren.
Toelichting: Bij de uitvoering van een bouwkundige keuring wordt gelet op de volgende zaken:
? Scheefstand. Dit kan duiden op een overbelasting van de fundering of op een plaatselijke
afwijkende draagkracht van de bodem;
? Scheuren in het metselwerk en het patroon hiervan. Aan het patroon van de scheurvorming kan een funderingsprobleem worden herkend;
? Klemmende ramen en/of deuren. Dit kan duiden op recente vervorming in het pand.
? Overige lokale factoren, zoals bijvoorbeeld verbouwingen en doorbraken.
? Omgevingsfactoren. Alle zaken die invloed kunnen hebben op de fundering van het pand, zoals b.v.: aangrenzende bebouwing, bouwputten in de directe omgeving, ophogingen, boompartijen, bemalingen.
3.4.
De koopovereenkomst is door partijen ondertekend op respectievelijk 20 december
2021 en 23 december 2021. Deze overeenkomst, in opdracht van [appellanten] opgesteld door de notaris, houdt voor zover hier relevant het volgende in:
Mededelingsplicht
Artikel 3
Verkoper staat er voor in, dat hij aan Koper al die inlichtingen heeft verschaft, die ter kennis van
Koper behoren te worden gebracht, met dien verstande dat inlichtingen over feiten die aan Koper
bekend zijn of uit eigen onderzoek bekend hadden kunnen zijn, voor zover een dergelijk onderzoek
naar de geldende verkeersopvattingen van Koper verlangd mag worden, door Verkoper niet behoeven
te worden verstrekt.(…)
Verklaringen van Koper
Artikel 6
Koper verklaart:
(…)c. Hij is voornemens het Verkochte te gaan gebruiken als woning.
d. Hij verklaart dat hij in de gelegenheid is geweest het Verkochte bouwkundig te laten keuren. Koper
heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en verklaart bekend te zijn met de inhoud van het naar
aanleiding van voormelde keuring opgemaakte rapport en de conclusies en/of aanbevelingen van de
betreffende bouwkundige.(…)
Verdere bijzondere bepalingen
Artikel 15
Het is koper bekend dat het Verkochte is gefundeerd met houten palen. Houten paalfunderingen van
woningen gebouwd in de periode tussen circa 1880 en 1945 kunnen in kwaliteit achteruitgaan.
De fundering van het Verkochte is niet onderzocht en de huidige kwaliteit is onbekend. Koper
vrijwaart Verkoper voor enige aansprakelijkheid inzake eventuele kwaliteitsvermindering van de
fundering voor nu en in de toekomst.(…)
Ouderdomsclausule
Koper verklaart ermee bekend te zijn dat het Verkochte 90 jaar oud is, hetgeen inhoudt dat de eisen
die aan de bouwkwaliteit gesteld mogen worden aanzienlijk lager liggen dan bij nieuwe gebouwen.
Tenzij Verkoper de kwaliteit ervan heeft gegarandeerd, staat hij niet in voor de kwaliteit van onder
andere (…) de fundering (…).
Bouwkundige kwaliteitsgebreken worden geacht niet belemmerend te werken op het in artikel 6 lid c
omschreven door Koper voorgenomen gebruik van het Verkochte.
3.5.
De woning is op 15 februari 2022 aan [appellanten] geleverd.
3.6.
[appellanten] hebben op 19 februari 2022 van de wederzijdse buren (nummers 346 en
350) gehoord dat de mandelige funderingen in slechte staat verkeren en hersteld moeten
worden. Verder vertelden de buren dat zij van plan waren om de funderingen in het
voorjaar van 2022 te laten herstellen en dat zij hun herstelplannen op 21 november 2021 met
[geïntimeerden] hebben besproken.
3.7.
Bij brief van 22 juni 2022 hebben [appellanten] [geïntimeerden] meegedeeld dat zij niet transparant zijn geweest over de slechte staat van de fundering van de woning, hen
in gebreke gesteld en in de gelegenheid gesteld om zelf voor herstel van de fundering zorg te dragen. [geïntimeerden] hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3.8.
In een brief van 1 december 2022 heeft de advocaat van [appellanten] aan [geïntimeerden] laten weten dat aanspraak gemaakt wordt op schadevergoeding in plaats van op nakoming.
4
Procedure bij de rechtbank
4.1.
Samengevat hebben [appellanten] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis:
Primair: voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] toerekenbaar tekort zijn geschoten en [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 66.641,70 aan schadevergoeding;
Subsidiair: de koopovereenkomst te vernietigen op grond van dwaling en voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] onrechtmatig hebben gehandeld, met veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van voornoemd bedrag;
Meer subsidiair: de koopovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden wegens non-conformiteit en de koopprijs te verminderen met voornoemd bedrag;
Uiterst subsidiair: de gevolgen van de koopovereenkomst te wijzigen op grond van artikel 6:230 lid 2 BW, inhoudende een vermindering van de koopprijs met voornoemd bedrag, met veroordeling van [geïntimeerden] tot terugbetaling daarvan;
De schadevergoeding of terugbetaling telkens te vermeerderen met rente, [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.744,11 aan buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten. Zij heeft aan dit oordeel het volgende ten grondslag gelegd.
4.3.
[geïntimeerden] hebben geen op hen rustende mededelingsplicht geschonden of onjuiste informatie verstrekt. [geïntimeerden] hebben [appellanten] meegedeeld dat de gemeente de verzakking van de fundering monitort en dat uit het meest recente rapport blijkt dat sprake is van een klein verval. [geïntimeerden] hebben de informatie die zij hadden over de fundering van hun woning met [appellanten] gedeeld op 30 november 2021, dus voor het sluiten van de schriftelijke koopovereenkomst. Het betrof het meest recente meetrapport van de gemeente Zaanstad en het taxatierapport van de woning uit september 2021. [appellanten] hebben deze stukken ter kennis gebracht van de door hen ingeschakelde bouwkundige. Uit deze stukken blijkt niet van een noodzaak tot onmiddellijk funderingsherstel. Uit de verklaringen van [appellanten] blijkt bovendien dat zij een bewuste afweging hebben gemaakt en hebben besloten om de staat van de fundering niet te laten inspecteren voorafgaand aan de koop van de woning. Deze keuze is niet ingegeven door een gebrek aan informatie van de zijde van [geïntimeerden] Dat [geïntimeerden] het onderzoeksrapport van de fundering van nummer 346 en de door de buren opgevraagde offertes voor funderingsherstel niet met [appellanten] hebben gedeeld, leidt volgens de rechtbank evenmin tot de conclusie dat [geïntimeerden] hun mededelingsplicht hebben geschonden. De rechtbank neemt daarnaast als vaststaand aan dat [geïntimeerden] [appellanten] hebben meegedeeld dat de buren van plan waren om op termijn tot funderingsherstel over te gaan zonder daarbij een nadere tijdsaanduiding te noemen.
4.4.
De rechtbank overweegt verder dat [appellanten] onvoldoende hebben onderbouwd dat de staat van de fundering zodanig was dat funderingsherstel voor de woning op korte termijn noodzakelijk was. Uit het overgelegde rapport van Expertise Bureau Noord (hierna: EBN) blijkt dit niet. De woning was ten tijde van de verkoop en levering dus geschikt voor normaal gebruik. Dat [appellanten] zich uiteindelijk gedwongen hebben gevoeld omstreeks oktober 2022 samen met de buren over te gaan tot funderingsherstel, maakt de woning niet non-conform, aldus de rechtbank. De rechtbank weegt ook mee dat het gaat om een oude woning in een gebied met funderingsproblematiek, waarvan [appellanten] op de hoogte waren. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat [geïntimeerden] aan hun informatieplicht hebben voldaan en ten tijde van de levering niet konden weten dat funderingsherstel gezamenlijk met de buren zou moeten plaatsvinden. Ten slotte verwijst de rechtbank naar het bepaalde in artikel 15 van de koopovereenkomst, waarin is opgenomen dat [geïntimeerden] niet instaan voor de kwaliteit van de fundering en dat [appellanten] [geïntimeerden] vrijwaren voor aansprakelijkheid.
5.1.
[appellanten] vorderen vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing, alsnog, van hun vorderingen, met uitzondering van de subsidiaire vordering die zij ter zitting in hoger beroep hebben ingetrokken. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten.
5.2.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep, inclusief nakosten.
Overwegingen
6.1.
[appellanten] hebben in hoger beroep drie grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis.
6.2.
Met hun eerste grief betogen [appellanten] dat [geïntimeerden] hun mededelingsplicht hebben geschonden door hen niet volledig te informeren over de staat van de fundering van de woning en over de plannen van de buren met betrekking tot funderingsherstel. Volgens [appellanten] hadden [geïntimeerden] hen moeten meedelen dat de wederzijdse buren op 21 november 2021 tegen hen hadden gezegd dat zij tot herstel wilden overgaan. Daarnaast hadden [geïntimeerden] hen het rapport van BaVib (over de fundering van de woning met nummer 346) en de offertes voor het funderingsherstel bij de buren moeten overhandigen.
6.3.
Het hof volgt dit betoog niet. Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat op een verkoper een mededelingsplicht rust ten aanzien van feiten en omstandigheden waarvan hij weet of behoort te begrijpen dat deze voor de koper van belang kunnen zijn bij het nemen van de aankoopbeslissing. Deze verplichting kent echter grenzen. Van een verkoper kan niet worden verlangd dat hij mededelingen doet over omstandigheden die hem niet bekend zijn of dat hij aan beschikbare informatie conclusies verbindt die daaruit niet volgen.
6.4.
Vast staat dat de fundering tijdens het verkoopproces onderwerp van gesprek is geweest. [appellanten] hebben tijdens de bezichtiging zelf naar de staat van de fundering gevraagd, omdat zij bekend waren met de funderingsproblematiek in de omgeving. [geïntimeerden] hebben daarop de informatie verstrekt waarover zij beschikten en die op hun woning betrekking had, waaronder het gemeentelijke meetrapport en het taxatierapport. Niet in geschil is dat hieruit geen noodzaak tot onmiddellijk funderingsherstel blijkt.
6.5.
[appellanten] betwisten dat [geïntimeerden] mededeling hebben gedaan over de funderingsplannen van de buren. Het hof gaat hier niet in mee. [geïntimeerden] hebben, ook ter zitting in hoger beroep, consistent en zeer concreet verklaard over hoe de gesprekken tijdens de bezichtiging(en) verliepen. Zij hebben, zo verklaarden zij, op verzoek van de buren verteld over de plannen van de buren, gezegd dat deze prijzen hadden opgevraagd en dat [appellanten] met hen moesten gaan praten als ze meer wilden weten. Ook omdat [appellanten] hadden gezegd dat zij van plan waren een aanbouw te realiseren en een buurvrouw dit ook wilde, vonden [geïntimeerden] het aangewezen hen naar de buren te verwijzen, aldus [geïntimeerden] De enkele stelling van [appellanten] dat zij van niets wisten, omdat zij zeker met de buren waren gaan praten of een andere deskundige zouden hebben ingeschakeld als zij wel geïnformeerd waren, volstaat in dit licht niet.
Dat [geïntimeerden] de plannen van de buren hebben gemeld, vindt bovendien bevestiging in de WhatsApp-correspondentie tussen partijen. In reactie op het (lange) bericht van [naam 2] waarin zij schrijft dat zij wel degelijk transparant zijn geweest, dat zij de eerste keer meteen hebben verteld dat de buren (op termijn) graag herstel wilden uitvoeren en een prijsopgave hadden aangevraagd, maar dat zij daar niet aan mee hoefden te doen omdat de verzakking klein was, reageert [naam 1] enkel met: “(…) wij waren echt niet op de hoogte dat de buren offertes hadden aangevraagd voor herstel van de fundering.”. Met de melding dat [appellanten] er niet van op de hoogte waren dat de buren offertes hadden aangevraagd, hebben zij niet betwist dat hen is meegedeeld dat de buren herstelplannen hadden. Op geen enkel moment gedurende de WhatsApp-correspondentie (die meerdere dagen heeft bestreken) heeft [naam 1] , in reactie op de (consistente) berichten van [naam 2] , geantwoord dat zij en haar man in het geheel niets over de plannen van de buren hebben meegedeeld.
6.6.
Dat [geïntimeerden] het BaVib-rapport en de offertes van de buren niet aan [appellanten] hebben verstrekt, betekent niet dat zij tekortgeschoten zijn in de nakoming van hun mededelingsplicht. Deze stukken hadden immers geen betrekking op de woning. Uit het BaVib-rapport kan bovendien niet zonder meer worden afgeleid dat de fundering van de woning van de buren van nummer 346 in een zodanige staat verkeerde dat herstel direct noodzakelijk was (BaVib rapporteert een handhavingstermijn van 5 tot 15 jaar, wat wil zeggen dat binnen die termijn maatregelen genomen moeten worden voordat de gemeente eventueel handhavend optreedt), laat staan dat dat het geval was bij de woning. Evenmin blijkt uit dit rapport dat funderingsherstel bij de buren alleen mogelijk zou zijn als ook funderingsherstel zou plaatsvinden aan de woning (nummer 348). Dat gelijktijdig funderingsherstel voordelen zou kunnen hebben in verband met de kosten of uitvoering, maakt (ook als dit [geïntimeerden] duidelijk zou zijn geweest) niet dat [geïntimeerden] gehouden waren om deze stukken aan [appellanten] te verstrekken.
6.7.
Bij het voorgaande komt dat op [appellanten] als kopers ook een eigen onderzoeksplicht rustte. Zij waren zich bewust van de mogelijke funderingsproblematiek; zij hebben deze nota bene zelf ter sprake gebracht tijdens de bezichtiging. Ze hebben de beschikbare informatie ook aan hun bouwkundige voorgelegd. Deze bouwkundige heeft aangegeven dat de fundering niet was geïnspecteerd en dat specialistisch onderzoek nodig was indien [appellanten] zekerheid wensten. [appellanten] hebben ervoor gekozen een dergelijk onderzoek niet te laten uitvoeren. Zij hebben er ook voor gekozen om niet vóór het sluiten van de koopovereenkomst contact op te nemen met de buren, om bij hen te informeren naar de staat van hun funderingen. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, zijn deze door [appellanten] gemaakte keuzes niet ingegeven door een gebrek aan informatie van de zijde van [geïntimeerden]
6.8.
In de schriftelijke koopovereenkomst zijn bovendien bepalingen opgenomen die expliciet zagen op de kwaliteit van de fundering, waaronder een vrijwaringsbepaling en een ouderdomsclausule (zie 3.4 hierboven). Ook gelet hierop moeten [appellanten] bekend worden verondersteld met de risico’s van een fundering met houten palen. Het lag op hun weg hier, desgewenst, adequaat actie op te ondernemen.
6.9.
Onder al deze omstandigheden is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] hebben voldaan aan de op hen rustende mededelingsplicht. Zij hebben, voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst, alle over de woning beschikbare informatie verstrekt en hoefden geen verdergaande mededelingen te doen of stukken te verstrekken met betrekking tot plannen van de buren waarvoor op dat moment geen concrete noodzaak bestond. Gelet hierop gaat de vergelijking van [appellanten] met de zaak die leidde tot het arrest van dit hof van 5 oktober 2021 (ECLI:NL:GHAMS:2021:2989) niet op. In het licht van het voorgaande hebben [appellanten] hun standpunt dat [geïntimeerden] hun mededelingsplicht hebben geschonden, onvoldoende handen en voeten gegeven. Als gevolg daarvan passeert het hof de bewijsaanbiedingen die zij hebben gedaan. Grief 1 slaagt niet.
6.10.
Met grief 2 betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de woning voldeed aan wat zij daarvan op grond van de koopovereenkomst mochten verwachten. Volgens [appellanten] was funderingsherstel noodzakelijk, waardoor de woning niet geschikt was voor normaal gebruik. Het hof volgt dit betoog niet.
6.11.
Bij de beantwoording van de vraag of de woning non-conform was, is van belang of de woning, mede gelet op de aard van de zaak, de inhoud van de koopovereenkomst en de mededelingen van [geïntimeerden] , de eigenschappen bezat die [appellanten] mochten verwachten. Zoals hiervoor is overwogen, hebben [geïntimeerden] voldoende mededelingen gedaan over de staat van de fundering van de woning. Op grond hiervan wisten [appellanten] wat zij mochten verwachten, namelijk dat funderingsherstel op termijn noodzakelijk zou worden, maar dat op het moment van levering nog niet was. Dat de buren (en in navolging van hen [appellanten] ) besloten het herstel eerder te laten plaatsvinden, met alle ongemak en kosten van dien, maakt niet dat de woning ten tijde van de levering niet de eigenschappen bezat die [appellanten] mochten verwachten.
6.12.
Van belang is verder dat partijen in artikel 15 van de koopovereenkomst uitdrukkelijk afspraken hebben gemaakt over de fundering (zie 3.4 hierboven). Daarin is opgenomen dat (i) de fundering niet is onderzocht, (ii) de kwaliteit daarvan onbekend is, (iii) [appellanten] [geïntimeerden] vrijwaren voor enige aansprakelijkheid inzake eventuele kwaliteitsvermindering en (iv) [geïntimeerden] niet instaan voor de kwaliteit. De laatste zin van de ouderdomsclausule luidt: “Bouwkundige kwaliteitsgebreken worden geacht niet belemmerend te werken op het in artikel 6 lid c omschreven door Koper voorgenomen gebruik van het Verkochte.”. Ook deze bepalingen, waarover partijen uitdrukkelijk met elkaar hebben gecommuniceerd, moeten worden geacht de verwachtingen van [appellanten] te hebben ingekleurd.
6.13.
Omdat funderingsherstel op het moment van levering nog niet noodzakelijk was – niet bij de woning en evenmin bij de buren – en overigens onvoldoende duidelijk was wanneer de buren tot herstel zouden overgaan, kan in het midden blijven of de muren en funderingen mandelig zijn en of deze al dan niet gelijktijdig moesten worden hersteld. Het hof passeert dan ook het aanbod van [appellanten] om ing. G.H. Vermeulen als getuige te horen ten bewijze van hun stelling, naar het hof begrijpt, dat [appellanten] feitelijk gedwongen waren mee te doen met het funderingsherstel door de buren. Ook de stellingen van [appellanten] over het bepaalde in artikel 5:65 BW kunnen verder onbesproken blijven. Geen van deze stellingen kan leiden tot de conclusie dat de woning non-conform was.
6.14.
Met de rechtbank oordeelt het hof dus dat de woning beantwoordde aan de koopovereenkomst. Grief 2 slaagt niet.
6.15.
Alle vorderingen van [appellanten] zijn gebaseerd op hun standpunt dat [geïntimeerden] tekort zijn geschoten in de op hen rustende mededelingsplicht dan wel de koopovereenkomst. Geen van deze vorderingen is dan ook toewijsbaar. De derde grief, die is gericht tegen de proceskostenveroordeling, slaagt evenmin. Het hoger beroep heeft dus geen succes. [appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 798,00
- salaris advocaat € 4.704,00 (tarief € 2.352,00, twee punten)
Totaal € 5.502,00
Beslissing
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 5.502,00;
veroordeelt [appellanten] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. I. de Greef, K. van Dijk en M. Mieras en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.