Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep civiel recht overig

ECLI:NL:GHAMS:2026:2126

Op 14 July 2026 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 200.353.082, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2026:2126. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
200.353.082
Datum uitspraak:
14 July 2026
Datum publicatie:
31 July 2026

Indicatie

Kort geding. Aanbestedingsrecht. Raamovereenkomst voor jeugdhulpverlening in de ambtelijk gefuseerde gemeenten Amstelveen en Aalsmeer. Geen processueel ondeelbare rechtsverhouding. Voorlopige gunning met een niet in de aanbestedingsstukken genoemde voorwaarde van Bibob-onderzoek met positief resultaat. Gebod tot herbeoordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.353.082/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/762757 /KG ZA 25-32

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 juli 2026

inzake

[appellant] ,

gevestigd te [plaats] ,

appellante,

advocaat mr. A.M. Worst te Zwolle,

tegen

GEMEENTE AMSTELVEEN,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde,

advocaat mr. T. van Wijk te Arnhem.

Partijen worden hierna [appellant] en de gemeente Amstelveen genoemd.

1
De zaak in het kort

De ambtelijk gefuseerde gemeenten Amstelveen en Aalsmeer hebben een aanbesteding uitgeschreven voor jeugdhulpverlening in hun gemeenten. [appellant] heeft een voorlopige gunningsbeslissing verkregen onder voorbehoud van onder meer de voorwaarde van medewerking aan een Bibob onderzoek dat met een volledig positief resultaat moet worden doorlopen. Nadat [appellant] hierover vragen heeft gesteld, is de voorlopige gunning ingetrokken. De vorderingen van [appellant] strekken ertoe te bewerkstelligen dat deze intrekking ongedaan wordt gemaakt en dat alsnog wordt overgegaan tot definitieve gunning.

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft de door de gemeente Amstelveen opgeworpen exceptio plurium litis consortium gehonoreerd omdat de vorderingen naar haar oordeel zien op een processueel ondeelbare rechtsverhouding waarvan ook de, niet door [appellant] in rechte betrokken, gemeente Aalsmeer deel uitmaakt.

Het hof komt tot een ander oordeel. Hij oordeelt dat er geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en wijst de vorderingen van [appellant] gedeeltelijk toe.

2
Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 25 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 25 februari 2025, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en de gemeente als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties,

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 3 februari 2026 aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen laten toelichten door hun advocaten en de gemeente Amstelveen ook door mr. G.J. van Essen, advocaat te Arnhem.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen, de gemeente Amstelveen zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] naar aanleiding van het vonnis aan de gemeente Amstelveen heeft betaald, met rente en met beslissing over de proceskosten.

De gemeente Amstelveen heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

3
Feiten

Kort gezegd gaat het in deze zaak over het volgende. Voor zover relevant is hierbij rekening gehouden met grief 1 die zich richt tegen de feiten die de voorzieningenrechter tot uitgangspunt heeft genomen.

3.1.

Op 15 april 2021 zijn de gemeente Amstelveen en de gemeente Aalsmeer gezamenlijk gestart met de inkoop van jeugdhulp door publicatie op TenderNed van een Offerteaanvraag Openbare Aanbesteding Jeugdhulp voor beide gemeenten. Het voorwerp van de aanbesteding is de Raamovereenkomst Jeugdhulp, behorende tot de openbare Europese aanbesteding met I&A-nummer 2020/0025 (hierna: de Raamovereenkomst) die per 1 januari 2022 in werking is getreden.

Deze overeenkomst had een initiële looptijd van drie jaar en is verlengd met twee jaar. Het is binnen de aanbesteding mogelijk dat nieuwe partijen die voldoen aan alle eisen en voorwaarden, op een later tijdstip toetreden als opdrachtnemer voor de resterende duur van de Raamovereenkomst. Er is inmiddels met ruim 130 zorgaanbieders gecontracteerd onder deze overeenkomst.

3.2.

Vanaf 1 mei 2024 is een inschrijving geopend voor de tussentijdse toetreding tot de Raamovereenkomst per 1 januari 2025. Inschrijvingen konden tot uiterlijk 1 oktober 2024 worden ingediend. De ingangsdatum van de te sluiten overeenkomst was 1 januari 2025. Voor deze tussentijdse toetreding waren alle aanbestedingsdocumenten, en alle daarin gestelde eisen en voorwaarden, ongewijzigd van toepassing.

3.3.

De Offerteaanvraag Openbare Aanbesteding Jeugdhulp voor de gemeenten Aalsmeer en Amstelveen (hierna: de Offerteaanvraag) luidt – voor zover van belang – als volgt:

Begrippen

(…)

Aanbestedende Dienst/Aanbesteder

De gemeente Amstelveen.

(. .. )

Gemeente

De gemeenten Aalsmeer en Amstelveen.

(…)

Opdracht

De Opdracht van Opdrachtgever aan Opdrachtnemer tot het uitvoeren van de werkzaamheden die zijn beschreven in de Aanbestedingsdocumenten.

Opdrachtgever

De gemeente Aalsmeer én de gemeente Amstelveen.

Opdrachtnemer

De Inschrijver aan wie de Opdrachtgever de Opdracht gunt en met wie de Opdrachtgever een

Overeenkomst op basis van de Inschrijving sluit.

Overeenkomst

De bij eventuele Gunning tussen Opdrachtgever en Opdrachtnemer te sluiten Overeenkomst. [hof: de Raamovereenkomst, zie onder 3.4.].

(….)

1.2

Aanbestedende Dienst

Sinds 1 januari 2013 is Amstelveen ambtelijk gefuseerd met de gemeente Aalsmeer. Dit is de meest grootschalige en vergaande samenwerking tussen twee ambtelijke apparaten waarvan beide gemeentebesturen apart blijven voortbestaan. De samenwerking is overeengekomen in een centrumregeling ambtelijke samenwerking en een Dienstverleningshandvest Aalsmeer-Amstelveen. Gedurende de komende jaren is het de intentie van beide gemeenten om aanbestedingen binnen het Sociaal Domein zoveel mogelijk samen te doen waarbij beide gemeenten voor Jeugdhulp gezamenlijke Overeenkomsten afsluiten. (…)

(…)

1.3

Omschrijving van de Opdracht en Perceelindeling

Met deze Aanbesteding beogen de gemeenten Aalsmeer en Amstelveen partijen te contracteren die voor beide gemeenten Jeugdhulp, zoals bedoeld in de Jeugdwet, willen uitvoeren.

(…)

1.3.5

Perceelindeling

De Aanbesteding is opgedeeld in vier percelen. De indeling in percelen is gebaseerd op de

verschillende soorten hulp die de gemeenten willen inkopen. Jeugdhulpaanbieders kunnen

inschrijven op meerdere percelen.

(…)

1.4

Doel van de Aanbesteding, Inschrijving en Gunning

De gemeenten Aalsmeer en Amstelveen zijn voornemens gezamenlijk meerdere Overeenkomsten te sluiten met Opdrachtnemers met betrekking tot het realiseren van Jeugdhulp voor beide gemeenten.

(…)

Iedere Inschrijver die voldoet aan de gestelde voorwaarden en de selectie-eisen en die

onvoorwaardelijk akkoord gaat met de eisen zoals beschreven in het PvE in hoofdstuk 4 van dit inkoopdocument (inclusief bijlagen) komt in aanmerking voor Gunning.

(…)

3.3

Uitsluitingsgronden

Hierna worden de Inschrijvingen beoordeeld op de dwingende en de facultatieve

Uitsluitingsgronden. Beide Uitsluitingsgronden zijn geheel van toepassing op deze

aanbestedingsprocedure.

UEA voor aanbestedingsprocedures

Door middel van het UEA geeft Inschrijver te kennen dat de bovengenoemde dwingende en

facultatieve Uitsluitingsgronden niet op Inschrijver van toepassing zijn. Opdrachtgever kan bij de winnende Inschrijver, voorafgaand aan een definitieve Gunning, het verklaarde op juistheid verifiëren. Hiertoe vraagt de Aanbestedende Dienst bij de winnende Inschrijver de in artikel 2.89 van de Aanbestedingswet genoemde bewijsstukken op. Het kan hierbij gaan om een geldig uittreksel uit het handelsregister, een geldige Gedragsverklaring Aanbesteden en een geldige Verklaring van de Belastingdienst. Indien de inhoud van deze bewijsstukken niet overeenkomt met wat in het UEA wordt gesteld, dan wordt Inschrijver uitgesloten van de procedure.

Indien op Inschrijver één of meerdere Uitsluitingsgronden van toepassing zijn, wordt de Inschrijving terzijde gelegd en wordt Inschrijver uitgesloten van de aanbestedingsprocedure zoals omschreven in de artikelen 2.86 en 2.87 Aanbestedingswet, tenzij de in het UEA gegeven

Verklaring door Inschrijver hiervoor naar het oordeel van de Aanbestedende Dienst afdoende is of, krachtens jurisprudentie, uitsluiting niet aan de orde kan zijn.

3.4.

Bijlage 1 bij de Offerteaanvraag is de Raamovereenkomst. In de partijaanduiding staat onder meer:

“De gemeente Amstelveen en de gemeente Aalsmeer, in deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door de heer H. Huitink in zijn hoedanigheid van directeur hierna te noemen: Opdrachtgever”

De Raamovereenkomst vermeldt onder meer:

1. Voorwerp van de Raamovereenkomst

1.1

Opdrachtgever is gerechtigd gedurende de looptijd van deze Raamovereenkomst nadere

opdrachten af te geven aan Opdrachtnemer voor Jeugdhulp op het terrein van de percelen ……,…….. en ……..

1.2

Opdrachtnemer is verplicht werkzaamheden uit te voeren conform de afgegeven nadere

opdrachten gedurende de looptijd van de Raamovereenkomst Jeugdhulp in de gemeente

Amstelveen of Aalsmeer.

(…)

1.4

Opdrachtgever is niet verplicht om gedurende de looptijd van deze Raamovereenkomst nadere opdrachten af te geven, maar is daartoe gerechtigd. Opdrachtnemer kan derhalve generlei aanspraak maken op het verkrijgen van nadere opdrachten gedurende de looptijd van deze Raamovereenkomst.”

3.5.

De Offerteaanvraag vermeldt voorts:

“1.6 Materiële controles

Er zijn (in de media en vanuit toezichthouders) signalen dat er zorgaanbieders actief zijn waarbij het leveren van goede zorg niet altijd op de eerste plaats staat en waarvan niet altijd duidelijk is of de zorgmiddelen worden besteed aan de doelen waarvoor ze bestemd zijn. De werkwijze van deze zorgaanbieders is, wanneer zij onder contract zouden staan bij Opdrachtgever, niet alleen nadelig voor Opdrachtgever en haar inwoners maar schaadt de hele branche van Jeugdhulp. Opdrachtgever wenst dat de zorgmiddelen op de juiste plek terecht komen.

Opdrachtgever is daarom voornemens tijdens de contractfase materiële controles uit te voeren. Als voorbereiding hierop is in bijlage 10 als voorbeeld een aantal vragen opgenomen inzake inzicht in ondernemingen van Opdrachtnemers die Jeugdhulp verlenen. Deze vragen geven Opdrachtgever een beeld van de onderneming en kunnen tijdens de contractfase aan Opdrachtnemer gesteld worden. Opdrachtnemer is verplicht deze vragen dan te beantwoorden. De vragenlijst maakt geen onderdeel uit van de Inschrijving en is derhalve geen onderdeel van de selectie, maar kan op een later moment aan de orde komen.

3.6.

Eis 80 in het programma van eisen luidt als volgt:

“Opdrachtnemer verleent in de contractfase volledige medewerking aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door Opdrachtgever (of daartoe aangewezen derden) op inhoudelijke kwaliteit en op prestatie-en financiële administratie, waaronder begrepen: formele- en materiële onderzoeken, kwaliteitsonderzoeken, rechtmatigheid- en doelmatigheid onderzoeken, onderzoeken n.a.v. calamiteiten/ geweldsincidenten, detailcontroles (bijv. op gegevenskwaliteit), fysieke controles op locatie en fraudeonderzoeken). Alle te controleren dossiers dienen beschikbaar te zijn.”

In de Nota van Inlichtingen is toegelicht dat dergelijke controles altijd vooraf zullen worden aangekondigd, door een door de gemeente aangewezen derde/professional kunnen worden uitgevoerd en pas zullen plaatsvinden bij gerede twijfel (zie nrs. 53 en 352).

3.7.

In de Raamovereenkomst staat ook:

“2.5 Onverminderd haar rechten op grond van de wet en in aanvulling op het bepaalde in artikel 22 ARVODI-2018 is Opdrachtgever bevoegd om deze Overeenkomst, zonder enige aanmaning of ingebrekestelling en onverminderd haar bevoegdheid om vervangende of aanvullende schadevergoeding te vorderen, met onmiddellijke ingang buiten rechte door middel van een aangetekend schrijven te ontbinden in de volgende gevallen:

(…)

c. indien door Opdrachtgever al dan niet op basis van de uitkomsten van een controle als

bedoeld in artikel 5 van deze Overeenkomst is geconstateerd dat Opdrachtnemer

‘zorgfraude’ heeft gepleegd. Onder ‘zorgfraude’ wordt in ieder geval verstaan: het in

rekening brengen van een bedrag als bedoeld in artikel 6a.1 Regeling Jeugdwet, waarbij

Opdrachtnemer valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of

verduistering heeft gepleegd of heeft getracht te plegen ten nadele van Opdrachtgever, met

het doel een betaling of ander voordeel te verkrijgen waarop Opdrachtnemer geen recht

heeft of kan hebben. Een voorbeeld van zorgfraude is dat Opdrachtnemer facturen bij

Opdrachtgever heeft ingediend voor zorg- of dienstverlening die feitelijk niet heeft

plaatsgevonden.

(…)

5. Controle

5.1

Opdrachtgever (of een door Opdrachtgever aangewezen derde/professional) is te allen

tijde gerechtigd om een formele controle, materiële controle en/of fraudeonderzoek bij

Opdrachtnemer uit te voeren.

5.2

Opdrachtnemer is gehouden medewerking te verlenen aan een formele controle, materiële controle en/of fraudeonderzoek die door Opdrachtgever wordt uitgevoerd.

(…)”

3.8.

Op 31 augustus 2024 heeft [appellant] , een thuiszorgorganisatie die actief is in diverse gemeenten in Nederland, zich ingeschreven op perceel 1 (Ambulante Hulp). Zij ontving op 29 oktober 2024 een voorlopige gunningsbeslissing onder voorbehoud van een aantal voorwaarden. Voor zover van belang houdt deze beslissing het volgende in:

“De voorlopige gunning kan worden omgezet naar een definitieve gunning indien:

- De aanbieder meewerkt aan een Bibob onderzoek en het Bibob onderzoek volledig met positief resultaat doorlopen wordt. (…) (hierna: de Bibob-voorwaarde)

(…)

Indien u niet voldoet aan bovenstaande voorbehouden vóór 1 januari 2025, is de gemeente Amstelveen gerechtigd de voorlopige gunning in te trekken.”

3.9.

[appellant] heeft gevraagd om toe te lichten op welke juridische grond de Bibob-voorwaarde is gebaseerd. Daarop is bij e-mailbericht van 19 november 2024 voor zover van belang geantwoord:

“In ons Bibob-beleid is opgenomen dat overheidsopdrachten kunnen worden onderworpen aan een Bibob-toets. Op deze voorlopige gunning is de “Beleidsregel Wet Bibob Gemeente

Amstelveen/Aalsmeer” van toepassing. Krachtens deze beleidsregel wordt een Bibob-toets uitgevoerd.”

3.10.

[appellant] heeft vervolgens gevraagd om toe te lichten welke signalen er zijn waardoor is besloten om enkel en alleen bij [appellant] een Bibob-toets als voorwaarde te stellen. Daarop is bij e-mailbericht van 3 december 2024 voor zover van belang geantwoord:

“In ons beleid is opgenomen dat Bibob toegepast kan worden bij aanbestedingen. Wij passen dit steekproefsgewijs toe. Jeugdzorg is een kwetsbare groep. U heeft nog niet eerder bij een aanbesteding jeugdzorg meegedaan en bent dan ook een nieuwe speler op dit gebied. Om voornoemde redenen is het voor ons belangrijk dat u het Bibob-proces positief doorloopt. (…) De deadline voor de genoemde documenten zoals aangegeven in de voorlopige gunning is

31 december 2021. Indien u de gevraagde informatie niet aanlevert, zal de gunning niet plaatsvinden.”

3.11.

Bij brief van 31 december 2024 is het volgende aan [appellant] geschreven:

“U heeft niet voldaan aan de gestelde voorwaarde met betrekking tot het positief doorlopen van een Bibob onderzoek. U heeft aan dit onderzoek geen medewerking verleend en u heeft ook aangegeven hieraan geen medewerking te zullen verlenen. Daarom wordt de voorlopige gunning ingetrokken en wordt de opdracht niet aan u gegund.”

3.12.

Er heeft met ingang van 1 januari 2025 een definitieve gunning aan zeven partijen plaatsgehad op het perceel waarvoor [appellant] zich had ingeschreven.

3.13.

In 2025 is een nieuwe gunningsronde uitgeschreven voor toetreding tot de Raamovereenkomst per 1 januari 2026. [appellant] heeft daaraan niet deelgenomen.

Overwegingen

4
Beoordeling
4.1.

De vorderingen van [appellant] strekken ertoe dat de gemeente Amstelveen op straffe van een dwangsom zal worden geboden om de beslissing van 31 december 2024 (zie onder 3.11) in te trekken en ingetrokken te houden en, primair, de opdracht definitief te gunnen aan [appellant] , subsidiair, de inschrijving van [appellant] te herbeoordelen op basis van de aanbestedingsstukken – volgens de toelichting van [appellant] : zonder de Bibob-voorwaarde – en op basis daarvan te komen tot een definitieve gunning aan [appellant] . Bij de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] haar in de inleidende dagvaarding primair onder II geformuleerde vordering ingetrokken.

4.2.

De voorzieningenrechter heeft [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. De door de gemeente Amstelveen opgeworpen exceptio plurium litis consortium is gehonoreerd omdat de vorderingen naar het oordeel van de voorzieningenrechter zien op een processueel ondeelbare rechtsverhouding waarvan ook de, niet door [appellant] in rechte betrokken, gemeente Aalsmeer deel uitmaakt. De grieven van [appellant] richten zich tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

4.3.

Uit de gedingstukken en de aard van de zaak blijkt dat [appellant] onverminderd spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Deze kunnen er immers toe leiden dat aan haar alsnog een deel van de opdracht wordt gegund.

4.4.

Grief 2 van [appellant] richt zich tegen het honoreren van de door de gemeente Amstelveen opgeworpen exceptio plurium litis consortium. [appellant] betoogt dat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en dat zij ervoor heeft kunnen kiezen alleen de gemeente Amstelveen in rechte te betrekken. Deze grief slaagt op grond van het navolgende.

4.5.1.

Indien sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding kan de rechter de beslissing slechts geven in een geding waarbij allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Als een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden opgeroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties (vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, rov. 3.4.).

4.5.2.

Het voorwerp van de aanbesteding is de Raamovereenkomst met betrekking tot jeugdhulp in de gemeenten Amstelveen en Aalsmeer. De aanbesteding kent geen geografische percelen, maar een perceelindeling gebaseerd op de verschillende soorten hulp die de gemeenten willen inkopen. Er is geen maximum gesteld aan het aantal jeugdhulpaanbieders dat kan worden geselecteerd. De gemeente Amstelveen fungeert als penvoerder van de aanbesteding en is in de Offerteaanvraag aangeduid als ‘Aanbestedende dienst/Aanbesteder’. ‘Opdrachtgever’ is ‘de gemeente Amstelveen én de gemeente Aalsmeer’. De Offerteaanvraag vermeldt dat beide gemeenten met de aanbesteding partijen beogen te contracteren die voor beide gemeenten jeugdhulp, zoals bedoeld in de Jeugdwet, willen uitvoeren. Niet in geschil is dat de colleges van burgemeester en wethouders van de twee gemeenten het bevoegd gezag zijn voor de verstrekking van de aanbestede jeugdhulp in de eigen gemeente. Niet blijkt dat de gemeente Aalsmeer deze bevoegdheden heeft gedelegeerd aan de gemeente Amstelveen. In de Offerteaanvraag is toegelicht dat de twee gemeente samenwerken bij de aanbesteding omdat zij ambtelijk zijn gefuseerd, wat inhoudt dat de ambtelijke apparaten vergaand samenwerken maar de gemeentebesturen apart zijn blijven voortbestaan. Beide gemeenten zijn partij bij de Raamovereenkomst. Daarin is geregeld dat beide gemeenten gerechtigd, maar niet verplicht zijn ‘nadere opdrachten’ af te geven aan de geselecteerde jeugdhulpverlener en dat de geselecteerde jeugdhulpverlener geen aanspraak kan maken op nadere opdrachten, maar verplicht is om de nadere opdrachten die hij krijgt uit te voeren in de gemeente Amstelveen of Aalsmeer.

4.5.3.

Voorshands leidt het aldus vanwege de ambtelijke fusie samen optrekken van de twee gemeenten bij de aanbesteding (die geen geografische perceelindeling kent) en het door H. Huitink in hoedanigheid van directeur, in de Raamovereenkomst aangeduid als Opdrachtgever (zie onder 3.4) sluiten van de Raamovereenkomst ertoe dat daarmee in één keer weliswaar gelijkluidende, maar geen gezamenlijke rechten en plichten van de twee gemeenten jegens de geselecteerde jeugdhulpverlener in het leven worden geroepen. De concrete verplichtingen van de geselecteerde jeugdhulpverleners worden vormgegeven door de nadere opdrachten die steeds afzonderlijk worden verstrekt door één van beide gemeenten, die elk zelfstandig verantwoordelijk zijn voor de jeugdhulp in hun gemeente en een afzonderlijk jeugdhulpbudget hebben. Iedere gemeente heeft het recht, maar niet de plicht nadere opdrachten te geven aan de geselecteerde jeugdhulpaanbieder om in de eigen gemeente jeugdhulp te verlenen. De executie van een toewijzende uitspraak op de vorderingen alleen tegen de gemeente Amstelveen zal voorshands niet tot executieproblemen leiden. De gemeente Amstelveen concretiseert die problemen niet. Ter zitting in hoger beroep is toegelicht dat het woonadres van de client die hulpverlening nodig heeft beslissend is, zodat eenvoudig kan worden vastgesteld of het gaat om jeugdhulpverlening waarvoor de gemeente Amstelveen verantwoordelijk is.

4.5.4.

Wat de gemeente Amstelveen aanvoert over de manier waarop de uitvoering van de Raamovereenkomst en (het verstrekken van) de nadere opdrachten aan jeugdhulpverleners is vormgegeven, leidt niet tot een ander oordeel. De stelling van de gemeente Amstelveen in dit verband dat, wanneer een jeugdhulpverlener die onder de Raamovereenkomst de opdracht/ mogelijkheid krijgt jeugdhulp in Aalsmeer te leveren, de gemeente Aalsmeer dat niet kan weigeren, strookt niet met de in dit opzicht duidelijke tekst van de Raamovereenkomst en kan – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet tot een ander oordeel leiden.

4.5.5.

Het hof is dan ook, anders dan de voorzieningenrechter, voorshands van oordeel dat het niet rechtens noodzakelijk is dat de beslissing op de vorderingen van [appellant] hetzelfde is ten aanzien van beide gemeenten. [appellant] behoefde dan ook niet de gemeente Aalsmeer in rechte te betrekken.

4.6.

Anders dan de gemeente Amstelveen betoogt, tast de met de vorderingen van [appellant] beoogde intrekking van de uitsluitingsbeslissing en het alsnog aan haar gunnen althans herbeoordelen van haar inschrijving de rechtsverhouding van de bij de aanbesteding geselecteerde jeugdhulpverleners onder de Raamovereenkomst niet aan. Relevant is hier dat het voorwerp van de aanbesteding niet het gunnen van een (gezamenlijke) opdracht is, maar een Raamovereenkomst op grond waarvan iedere gemeente de bevoegdheid krijgt om nadere opdrachten te geven aan de geselecteerde jeugdhulpverlener en dat er geen maximum is gesteld aan het aantal jeugdhulpverleners waarmee Raamovereenkomsten kunnen worden gesloten.

4.7.

Niet ter discussie staat dat de Bibob-voorwaarde niet met zoveel woorden is gesteld in de Offerteaanvraag en ook niet anderszins is vermeld in de aanbestedingsstukken. Het hof volgt de gemeente Amstelveen niet in haar betoog dat een normaal oplettende en behoorlijk geïnformeerde inschrijver redelijkerwijs had mogen begrijpen dat reeds vóór contracteren verlangd zou kunnen worden mee te werken aan een Bibob-toets. Dit volgt niet uit de in de Offerteaanvraag van toepassing verklaarde uitsluitingsgronden uit de Aanbestedingswet waarop de gemeente Amstelveen wijst (ernstige beroepsfout/valse verklaring, waarmee de gemeente Amstelveen kennelijk het oog heeft op de in art. 2.87 lid 1 sub c en sub h Aanbestedingswet neergelegde uitsluitingsgronden) of enig niet nader door de gemeente Amstelveen geconcretiseerd onderdeel van de wet Bibob en het beleid daaromtrent van de gemeenten. Voorts volgt uit de onder de feiten opgenomen passages uit de Offerteaanvraag, de Nota van Inlichtingen en de Raamovereenkomst enkel dat tijdens de looptijd van de Raamovereenkomst een uitgebreide controle kan plaatsvinden en dat de geselecteerde jeugdzorgaanbieder aan ieder onderzoek – dat onbetwist een Bibob-onderzoek kan inhouden – volledige medewerking moet verlenen. Dat [appellant] na gunning gehouden kan worden om mee te werken aan een Bibob-onderzoek en dat een negatieve uitkomst mogelijk consequenties zou kunnen hebben voor de (verdere) gebondenheid van partijen aan de Raamovereenkomst, betekent echter niet dat de gemeente Amstelveen bij de voorlopige gunning als voorwaarde voor definitieve gunning mocht stellen dat [appellant] met gunstig gevolg een Bibob-onderzoek zou doorstaan. Wat de gemeente Amstelveen verder aanvoert, over onder meer onvoorziene omstandigheden, kan haar niet baten aangezien dit ziet op een eenmaal gesloten overeenkomst.

4.8.

Omdat de Bibob-voorwaarde niet gesteld had mogen worden, is de vordering strekkend tot een gebod om de beslissing van 31 december 2024 in te trekken en ingetrokken te houden toewijsbaar. Dat [appellant] voldoet aan de twee andere voorwaarden die in die beslissing worden genoemd, is onvoldoende om het bevel tot definitieve gunning toewijsbaar te achten. Wel toewijsbaar is de vordering strekkend tot een gebod om de inschrijving van [appellant] te herbeoordelen op basis van de aanbestedingsstukken (zonder de Bibob-voorwaarde).

4.9.

Ten overvloede merkt het hof op dat, zoals hiervoor is overwogen, [appellant] , als de herbeoordeling alsnog leidt tot definitieve gunning, in het kader van de in artikel 5.1 van de Raamovereenkomst bedoelde controle kan worden verplicht om mee te werken aan een Bibob-onderzoek; een negatieve uitkomst kan dan mogelijk consequenties hebben voor de (verdere) gebondenheid van partijen aan de Raamovereenkomst. Dat gaat echter het bestek van deze procedure te buiten.

4.10.

Voor de voorgaande beoordeling maakt het niet uit of de aanbesteding is vormgegeven als een ‘open house’ of een SAS-procedure. De standpunten daarover van partijen kunnen (verder) onbesproken worden gelaten.

4.11.

De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vorderingen van [appellant] zullen alsnog worden toegewezen zoals vermeld in het dictum. Om executieproblemen te voorkomen wordt een termijn van zes weken na betekening van dit arrest gesteld voor naleving van het gebod. Bij aparte en verdere bespreking van de grieven en weren bestaat geen belang. De vordering tot terugbetaling van al hetgeen aan [appellant] naar aanleiding van het vonnis aan de gemeente Amstelveen heeft betaald (uit hoofde van de proceskostenveroordeling), met rente, is toewijsbaar. De gemeente Amstelveen is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties. Deze worden begroot zoals vermeld in het dictum.

Beslissing

5
Beslissing

Het hof:

5.1.

vernietigt het vonnis waarvan beroep

en opnieuw rechtdoende:

gebiedt de gemeente Amstelveen om binnen zes weken na betekening van dit arrest de beslissing van 31 december 2024 tot intrekking van de voorlopige gunning en uitsluiting van

de inschrijving van [appellant] , in te trekken en ingetrokken te houden en een herbeoordeling van de inschrijving van [appellant] uit te voeren (zonder de Bibob-voorwaarde);

veroordeelt de gemeente Amstelveen tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis, vermeerderd met rente over dit bedrag vanaf de dag van betaling door [appellant] tot aan de dag van terugbetaling door de gemeente Amstelveen;

veroordeelt de gemeente Amstelveen in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op: € 1.969,04 voor de eerste aanleg (€ 862,- aan verschotten en € 1.107,- voor advocatensalaris), € 3.526,40 voor het hoger beroep (€ 946,40 aan verschotten en € 2.580,- voor advocatensalaris) en € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.