Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep civiel recht overig

ECLI:NL:GHAMS:2026:2406

Op 18 August 2026 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 200.367.098, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2026:2406. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
200.367.098
Datum uitspraak:
18 August 2026
Datum publicatie:
26 August 2026
Advocaat:
M. Kartal te Amsterdam

Indicatie

Hoger beroep van afwijzing beslagverlof. Vordering ook in hoger beroep niet summierlijk deugdelijk. Bekrachtiging.

Wetsartikelen: artikel 700 Rv

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)

zaaknummer : 200.367.098/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/784821 / KG RK 26-404

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 augustus 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [plaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

advocaat: M. Kartal te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats] ,

niet opgeroepen.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1
Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] is bij beroepschrift, met bijlagen, ingekomen bij de griffie van het hof op 2 april 2026, in hoger beroep gekomen van een beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (verder: de voorzieningenrechter) van 17 maart 2026, onder bovengenoemd zaaknummer gegeven tussen hem als verzoeker en [geïntimeerde] , waarbij zijn verzoek tot het leggen van conservatoir beslag is afgewezen (verder: de bestreden beschikking).

Bij het beroepschrift heeft [appellant] de gronden van het hoger beroep aangevoerd en geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en hem alsnog verlof zal verlenen tot het leggen van het hierna nader te omschrijven beslag ten laste van [geïntimeerde] .

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2026. [appellant] is verschenen, bijgestaan door mr. E. Cakmak, advocaat te Amsterdam en kantoorgenoot van mr. M. Kartal, voornoemd.

In verband met de aard van het geding en het voorliggende verzoek is [geïntimeerde] niet opgeroepen de mondelinge behandeling bij te wonen. Hem is evenmin gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen.

Uitspraak is bepaald op heden.

Overwegingen

2
Beoordeling
2.1

Op 16 maart 2026 heeft [appellant] ter griffie van de rechtbank Amsterdam een verzoekschrift (beslagrekest) ingediend. De griffier heeft op 17 maart 2026 namens de voorzieningenrechter aan de advocaat van [appellant] gevraagd het verzoekschrift aan te vullen. Vervolgens heeft [appellant] bij (herzien) verzoekschrift met aanvullende productie van 17 maart 2026 verzocht conservatoir derdenbeslag te mogen leggen voor een bedrag van € 9.100,00 ten laste van [geïntimeerde] onder de Rabobank.

2.2

Het verzoek hiertoe is erop gebaseerd dat [appellant] en [geïntimeerde] een overeenkomst hebben gesloten (genaamd “hospitacontract”), waarmee [appellant] (een gedeelte van) zijn sociale huurwoning aan de [straat] [nummer] te [plaats] (hierna: de woning) tijdelijk aan [geïntimeerde] heeft verhuurd. Omdat [geïntimeerde] de huur deels onbetaald heeft gelaten, heeft [appellant] een vordering op [geïntimeerde] van in totaal € 5.000,00.

2.3

Bij de bestreden beschikking heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof geweigerd en daartoe, samengevat, overwogen dat [appellant] in zijn aanvankelijk ingediende verzoekschrift geen melding heeft gemaakt van een eerder tussen partijen gevoerd kort geding dat betrekking heeft op het onderliggende geschil. Ook is het de vraag of de vordering van verzoeker summierlijk deugdelijk is en is van de noodzaak voor het leggen van beslag niet gebleken, aldus de voorzieningenrechter. Tegen deze overwegingen komt [appellant] in zijn beroepschrift op.

2.4

Of grond bestaat voor het verlenen van verlof tot het leggen van conservatoir derdenbeslag, moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf neergelegd in artikel 700 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarin is bepaald dat de voorzieningenrechter beslist na summier onderzoek. Dat onderzoek vereist dat op grond van de stellingen van de verzoeker en wat deze ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd, summierlijk moet blijken van de deugdelijkheid van de vordering tot verzekering waarvan het beslag strekt. Het is daarbij aan de verzoeker om feiten en omstandigheden te stellen die summierlijk de deugdelijkheid van de door hem gestelde vordering aantonen. Een en ander brengt niet mee dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van het verzoek om beslagverlof een voorlopig oordeel moet geven over de gegrondheid van die vordering, maar wel dat hij na het door artikel 700 lid 2 Rv bepaalde summiere onderzoek de deugdelijkheid daarvan zal moeten kunnen aannemen. In hoger beroep is het hof aan dezelfde maatstaf gebonden.

2.5

In zijn inleidend verzoek en beroepschrift heeft [appellant] niet aan zijn stelplicht voldaan. Hij heeft niet summierlijk de deugdelijkheid van de door hem gestelde vordering aangetoond. Dit oordeel berust op het volgende.

2.6

[appellant] heeft gesteld dat hij met [geïntimeerde] (mondeling) een hospitaovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de verhuur van een onzelfstandige kamer in de woning, tegen een maandelijkse huurprijs van € 1.000,00 voor de duur van drie maanden. Deze stellingen zijn echter niet te rijmen met de door [appellant] overgelegde en door hem en [geïntimeerde] ondertekende overeenkomst, getiteld ‘hospitacontract’, waarin een looptijd van 7 juni 2025 tot 7 juni 2026 en een huurprijs van € 2.000,00 (inclusief voorschot gas, water en licht) staat. [geïntimeerde] heeft zich in overeenstemming hiermee op het standpunt gesteld dat hij de woning voor een langere tijd dan drie maanden en voor een maandhuur van € 2.000,00 huurde, zo blijkt uit de door [appellant] overgelegde conclusie van antwoord van [geïntimeerde] in de tussen partijen aanhangige bodemzaak. Deze huurprijs en de langere huurperiode worden ook bevestigd door de overgelegde (whatsapp)correspondentie in het dossier.

2.7

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] de vordering ter verzekering waarvan hij beslag wil leggen, ontoereikend heeft onderbouwd. Bij deze stand van zaken behoeft wat verder nog door [appellant] naar voren is gebracht geen bespreking.

2.8

De slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft en dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

Beslissing

3
Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J.W. Pulles, J.C.W. Rang en K. van Dijk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2026.