GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.346.654/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/731203/HA ZA 23-304
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
[appellant]
,
gevestigd te [plaats] (Kroatië),
appellante,
advocaat: mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam,
NAUTADUTILH N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.J.R. Kalsbeek te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en NautaDutilh genoemd.
2
Het geding in hoger beroep
2.1.
[appellant] is bij dagvaarding van 10 september 2024 in hoger beroep gekomen van een incidenteel vonnis van 19 juli 2023 en het eindvonnis van 26 juni 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen NautaDutilh als eiseres in conventie, verweerster in de incidenten en verweerster in reconventie en Brodosplit als gedaagde in conventie, eiseres in de incidenten en eiseres in reconventie.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met een productie;
- memorie van antwoord, met producties.
Op 18 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De hiervoor genoemde advocaten hebben namens partijen de zaak toegelicht, waarbij namens NautaDutilh mede het woord is gevoerd door mrs. I.J. Rozendal en K.J. Krzeminski, beiden advocaat te Amsterdam.
2.3.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
NautaDutilh is een advocatenkantoor en [appellant] een in Kroatië gevestigde producent van onderdelen van schepen. [appellant] is een dochteronderneming van Brodogravdevna Industrija [plaats] (hierna: Brodosplit), een scheepswerf in Kroatië.
3.2.
[appellant] heeft NautaDutilh in 2019 ingeschakeld om haar bij te staan in een geschil met Star Clippers Ltd (hierna: Star Clippers). Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten waarop de algemene voorwaarden van NautaDutilh van toepassing zijn verklaard. Daarin is onder meer bepaald dat voor facturen van NautaDutilh een betaaltermijn van dertig dagen geldt en dat op geschillen tussen partijen Nederlands recht van toepassing is.
3.3.
Het geschil tussen [appellant] en Star Clippers had betrekking op de bouw van een zeilschip (hierna: het schip). Brodosplit zou het schip bouwen en [appellant] zou de masten en tuigage daarvoor produceren en leveren op grond van een leveringsovereenkomst. [appellant] zou daarvoor totaal € 3,1 miljoen betaald krijgen, waarvan Star Clippers € 1 miljoen zou betalen als Brodosplit het schip zou leveren. Tussen Brodosplit en Star Clippers is echter een geschil ontstaan waardoor het schip uiteindelijk niet door Brodosplit aan Star Clippers is geleverd. Star Clippers weigerde daarom de overeengekomen € 1 miljoen aan [appellant] te betalen.
3.4.
In september 2019 is NautaDutilh namens [appellant] een arbitrageprocedure tegen Star Clippers gestart bij het Nederlandse arbitrage instituut UNUM (hierna ook: de [appellant] -arbitragezaak). In deze procedure heeft [appellant] onder meer gevorderd dat Star Clippers de afgesproken deelbetaling van € 1 miljoen zou betalen.
3.5.
NautaDutilh heeft [appellant] ook bijgestaan in een arbitraal kort geding en een kort geding dat Star Clippers was gestart. Brodosplit is eveneens door NautaDutilh bijgestaan in haar geschillen met Star Clippers.
3.6.
NautaDutilh heeft steeds per maand haar facturen inclusief urenspecificatie gestuurd aan [appellant] . Op iedere factuur staan 6% kantoorkosten vermeld. Op elke urenspecificatie staat tevens vermeld welke medewerker welke werkzaamheden heeft uitgevoerd per eenheid van zes minuten.
3.7.
In een tussen Brodosplit en Star Clippers gevoerde arbitrageprocedure (hierna ook: de Brodosplit-arbitragezaak) heeft het arbitraal college op 15 februari 2021 een arbitraal vonnis gewezen. De vorderingen van Brodosplit zijn afgewezen en aantal vorderingen van Star Clippers is toegewezen.
3.8.
Het arbitraal college heeft op 10 september 2021 in de [appellant] -arbitragezaak een tussenvonnis gewezen. Hierin zijn [appellant] en Star Clippers geïnstrueerd om te proberen hun geschil samen op te lossen mede in verband met het tussen Brodosplit en Star Clippers inmiddels gewezen arbitrale eindvonnis. Het arbitraal college heeft hierbij overwogen dat bij een schikking de proceskosten tussen partijen worden verdeeld en iedere partij de eigen kosten draagt, maar dat zij bij een eindvonnis het procesgedrag van partijen en efficiëntie zal meewegen bij het bepalen van een proceskostenveroordeling. Ook is in dit tussenvonnis de vordering van [appellant] van € 1 miljoen toegewezen op grond van artikel 6:248 lid 1 BW onder de voorwaarde dat Brodosplit voldoet aan haar veroordeling in de Brodosplit-arbitragezaak.
3.9.
NautaDutilh heeft met een brief van 12 oktober 2021 de overeenkomst met [appellant] beëindigd, omdat [appellant] de openstaande rekeningen van NautaDutilh niet betaalde. [appellant] is gesommeerd de openstaande facturen voor een bedrag van € 120.405,62 te betalen. [appellant] heeft dat niet gedaan.
3.10.
Op 13 juli 2022 heeft het arbitraal college in de [appellant] -arbitragezaak een eindvonnis gewezen. Onder andere is de vordering van [appellant] van € 1 miljoen afgewezen en is [appellant] veroordeeld in de proceskosten voor een bedrag van € 155.045,20.
4
Procedure bij de rechtbank
4.1.
NautaDutilh heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld een bedrag van € 120.405,62 te betalen, te vermeerderen met rente en kosten. Het in hoofdsom gevorderde bedrag is het totaal van de door NautaDutilh bij [appellant] in rekening gebrachte bedragen die [appellant] niet aan NautaDutilh heeft voldaan.
4.2.
[appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat NautaDutilh wordt veroordeeld € 155.045,20 aan haar te betalen. Dit is het bedrag aan arbitragekosten waartoe zij in de [appellant] -arbitragezaak is veroordeeld. Zij vordert een gelijk bedrag van NautaDutilh bij wijze van schadevergoeding omdat [appellant] vindt, heel kort gezegd, dat zij in de [appellant] -arbitragezaak niet goed door NautaDutilh is geadviseerd.
4.3.
De rechtbank heeft de vordering van NautaDutilh toegewezen en de vorderingen van [appellant] afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij is [appellant] in eerste aanleg veroordeeld in de proceskosten van het geding in conventie en reconventie.
Overwegingen
6.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] grief 1 (met betrekking tot de forumkeuze in de algemene voorwaarden van NautaDutilh) en grief 3 (over een gevorderde voeging van zaken in eerste aanleg) ingetrokken, zodat daarop niet hoeft te worden beslist. Beide grieven waren gericht tegen het incidentele vonnis van 19 juli 2023.
6.2.
NautaDutilh vordert in dit geding betaling van het honorarium dat zij bij [appellant] in rekening heeft gebracht. [appellant] betwist op verschillende gronden tot betaling gehouden te zijn. Zij vraagt het hof onder meer om een deskundige te benoemen om de redelijkheid van de door NautaDutilh in rekening gebrachte bedragen te beoordelen.
6.3.
Vast staat dat NautaDutilh haar maandelijkse facturen heeft voorzien van urenspecificaties waarin per tijdseenheid van zes minuten is verantwoord welke werkzaamheden door welke medewerker zijn verricht. Daarmee heeft NautaDutilh [appellant] in beginsel steeds van voldoende informatie voorzien om haar in staat te stellen te beoordelen waarop het in rekening gebrachte honorarium betrekking heeft. [appellant] heeft in deze procedure niet aangevoerd dat de in rekening gebrachte uren niet zouden zijn gemaakt of geen betrekking zouden hebben op de juridische bijstand waarop de overeenkomst van opdracht betrekking heeft. Uitgangspunt is daarom dat NautaDutilh in beginsel aanspraak kan maken op betaling van de gedeclareerde werkzaamheden die zij in opdracht van [appellant] heeft verricht. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het in deze procedure aan [appellant] is om concreet duidelijk te maken voor welke werkzaamheden NautaDutilh onnodig of te veel uren in rekening zou hebben gebracht. Dit betekent dat [appellant] in hoger beroep ten onrechte aanvoert dat het niet aan haar zou zijn om aan de hand van de urenspecificaties duidelijk te maken welke uren NautaDutilh ten onrechte in rekening zou hebben gebracht. Eveneens faalt haar verweer dat NautaDutilh in dit geding in het kader van de stelplicht gehouden zou zijn per proceshandeling in de arbitrage de noodzaak van de door haar gemaakte uren per advocaat te onderbouwen.
6.4.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat [appellant] niet concreet duidelijk heeft gemaakt welke gedeclareerde uren volgens haar onnodig of excessief zijn gedeclareerd. Op grond van hetgeen over en weer is aangevoerd, komt het hof niet tot een andere conclusie dan de rechtbank. Dit wordt als volgt toegelicht.
6.5.
Uitgangspunt voor de beoordeling is dat partijen hebben afgesproken dat NautaDutilh op urenbasis werkzaamheden ging verrichten voor [appellant] . Er is een vast uurtarief overeengekomen van aanvankelijk € 340 en later € 385 voor alle in te schakelen advocaten (blended rate), waarbij iedere maand de gemaakte uren zouden werden gedeclareerd, voorzien van een urenspecificatie. NautaDutilh heeft in totaal € 222.358,58 bij [appellant] in rekening gebracht. Daarvan is € 101.952,96 door [appellant] betaald en de rest onbetaald is gebleven.
6.6.
[appellant] verwijst naar de door NautaDutilh op 22 november 2017 aan Brodosplit verstrekte inschatting dat de Brodosplit-arbitragezaak maximaal € 175.000 zou kosten. [appellant] betoogt dat, gezien deze kosteninschatting, het aan haar gedeclareerde honorarium buitenproportioneel is. [appellant] maakt echter niet duidelijk welke rechten zij aan deze kosteninschatting kan ontlenen die immers niet aan haar was gericht, maar aan Brodosplit en betrekking had op een andere procedure. Zij onderbouwt ook niet wat de status was van die kosteninschatting (General Cost Estimate), met name niet wat zij daaruit heeft afgeleid en ook redelijkerwijs heeft mogen afleiden. [appellant] heeft niet gemotiveerd gesteld dat en waarom zij NautaDutilh op enigerlei wijze aan die inschatting zou mogen houden. Daarmee doet [appellant] tevergeefs een beroep daarop. Voor zover [appellant] zich erop beroept dat NautaDutilh vooraf geen inschatting heeft gegeven van de geraamde kosten voor haar bemoeienissen ten behoeve van [appellant] , maakt dit enkele feit niet, dat Nauta Dutilh haar werkzaamheden niet op urenbasis kon declareren overeenkomstig de engagement letters van 18 juli 2019 en 19 november 2019 of dat de declaraties om die reden te hoog zijn.
6.7.
Verder verwijst [appellant] naar cost submission die Star Clippers heeft ingediend in de [appellant] -arbitragezaak en die ziet op de declaraties van de advocatenkantoren De Brauw Blackstone Westbroek en Staunch. Star Clippers heeft in die procedure € 168.763,57 als advocaatkosten opgevoerd. Dat is een lager bedrag dan NautaDutilh aan [appellant] heeft gedeclareerd, terwijl NautaDutilh de overeenkomst van opdracht al voor het einde van de arbitrageprocedure had beëindigd, aldus [appellant] . Het hof is van oordeel dat op basis van deze cost submission niet kan worden geconcludeerd dat NautaDutilh voor haar werkzaamheden onnodig of te veel uren in rekening heeft gebracht. Allereerst is niet aangevoerd dat alle declaraties van de betrokken advocaten als kosten zijn opgevoerd. Verder is onbekend op welke gedeclareerde werkzaamheden de cost submission betrekking heeft en ook niet of die qua aard en omvang vergelijkbaar zijn geweest met de werkzaamheden die NautaDutilh bij [appellant] in rekening heeft gebracht. Daarbij komt dat in zijn algemeenheid niet op basis van de enkele hoogte van de advocatenkosten die aan de wederpartij van [appellant] zijn gedeclareerd kan worden aangenomen dat NautaDutilh aan [appellant] ten onrechte uren in rekening heeft gebracht. Dat vergt een nadere onderbouwing en die is niet gegeven. Daarmee faalt de verwijzing van [appellant] naar de genoemde cost submission.
6.8.
[appellant] betoogt dat volgens haar voor de werkzaamheden van NautaDutilh een maximum honorarium van € 54.285 gerechtvaardigd is. Het hof volgt [appellant] daarin niet, reeds omdat zij haar berekening heeft gemaakt aan de hand van een geselecteerd aantal werkzaamheden en de omvang daarvan heeft geëxtrapoleerd naar een totaalbedrag dat volgens haar redelijk zou zijn. [appellant] maakt aldus niet aan de hand van de werkzaamheden die door NautaDutilh daadwerkelijk zijn verricht en de uren die daarvoor in rekening zijn gebracht concreet en inzichtelijk dat en waarom NautaDutilh onnodig of te veel uren in rekening zou hebben gebracht. Voor zover [appellant] het door haar opgestelde bedrag vergelijkt met de hiervoor besproken General Cost Estimate en de cost submission, volgt het hof [appellant] daarin niet, omdat een vergelijking wordt gemaakt met bedragen waarvan bruikbaarheid hiervoor in 6.6 en 6.7 als onvoldoende onderbouwd is verworpen.
Advisering; de vordering van [appellant] ter zake van de proceskostenveroordeling in de arbitrage
6.9.
In hoger beroep voert [appellant] aan dat NautaDutilh had moeten voorzien dat het voeren van de [appellant] -arbitragezaak totaal geen zin had, omdat de kans groot was dat de arbiters op een gegeven moment de vordering van [appellant] op Star Clippers op een praktische manier zouden verrekenen met de vordering die Star Clippers had Brodosplit. In verband hiermee heeft [appellant] aangevoerd dat NautaDutilh haar verkeerd heeft geadviseerd en nodeloos een arbitrage heeft laten voeren. Een advies over de goede en kwade kansen ontbreekt volgens [appellant] in het geheel.
6.10.
NautaDutilh heeft toegelicht dat het van belang was voor Brodosplit om zekerheid te krijgen voor haar vordering. Star Clippers is gevestigd op de Bahama’s en biedt daar geen verhaalsmogelijkheden. Daarom is ten laste van Star Clippers in Nederland conservatoir beslag gelegd onder ABN AMRO Bank N.V. Star Clippers kondigde vervolgens aan een kort geding te starten om het beslag opgeheven te krijgen. Vanuit strategisch oogpunt heeft NautaDutilh vervolgens op instructie van [appellant] op dezelfde rekening conservatoir beslag gelegd voor haar vordering op Star Clippers. Dit verkleinde de kans dat het Star Clippers succesvol zou zijn met het opheffen van het beslag van Brodosplit en stelde bovendien toekomstig verhaal voor [appellant] zeker. Uiteindelijk heeft Star Clippers geen kort geding gestart en zijn volgens NautaDutilh alle beslagen blijven liggen, tot grote tevredenheid van Brodosplit en [appellant] . De [appellant] -arbitragezaak is vervolgens aanhangig gemaakt. Het starten van de [appellant] -arbitragezaak was een noodzakelijk uitvloeisel van het gelegde beslag, omdat een eis in de hoofdzaak moest worden ingesteld.
6.11.
Het hof stelt vast dat het door NautaDutilh gestelde belang van [appellant] bij het leggen van beslag onder ABN AMRO Bank N.V. door [appellant] niet is bestreden. Het moeten voeren van de arbitrageprocedure was een noodzakelijk uitvloeisel van het door [appellant] gelegde beslag. Dat [appellant] op deze wijze zekerheid heeft verkregen is door haar ook erkend (conclusie van antwoord tevens eis in reconventie onder 25). Daarvan uitgaande heeft [appellant] onvoldoende toegelicht dat het voeren van de arbitragezaak nodeloos was. In eerste aanleg heeft NautaDutilh verder gemotiveerd toegelicht dat zij [appellant] voorafgaand aan de arbitrage heeft gewezen op procesrisico’s. [appellant] is daarop niet concreet ingegaan, zodat het hof van de juistheid van het standpunt van NautaDutilh uitgaat. Daarmee kan niet worden aangenomen dat [appellant] in zoverre niet of onjuist zou zijn geadviseerd.
6.12.
Van belang is verder dat door de rechtbank is vastgesteld dat het arbitraal college de vordering van [appellant] bij het tussenvonnis heeft toegewezen. Die toewijzing is gebaseerd op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) en dat was een door NautaDutilh aangevoerde grondslag. [appellant] heeft wel gesteld, maar niet concreet gemaakt dat NautaDutilh in de arbitrageprocedure stellingen zou hebben aangevoerd die bij voorbaat kansloos waren.
6.13.
Aan de toewijzing van de vordering van [appellant] was de voorwaarde verbonden dat Brodosplit een bepaalde betaling aan Star Clippers zou doen, maar volgens de rechtbank was dat voor NautaDutilh niet voorzienbaar. [appellant] stelt in hoger beroep dat voorzienbaar was dat de arbiters haar vordering op Star Clippers zou verrekenen met de vordering van Star Clippers op Brodosplit, maar zij licht deze stelling niet toe. Zij legt niet concreet uit dat en waarom deze door de rechtbank gegeven conclusie niet kan worden gevolgd en waarom het door de arbiters gegeven oordeel voor NautaDutilh voorzienbaar was. Daarmee faalt deze stelling.
6.14.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het arbitraal college de duidelijk instructie heeft gegeven om te proberen de zaak te schikken en dat als geen schikking zou worden bereikt de proceshouding en efficiëntie van partijen zouden meewegen bij het bepalen van een proceskostenveroordeling. Uit het procesdossier heeft de rechtbank afgeleid dat [appellant] aan de hand daarvan in de proceskosten is veroordeeld. [appellant] bestrijdt in hoger beroep niet dat deze door het arbitraal college gegeven instructie duidelijk was en evenmin bestrijdt zij het oordeel van de rechtbank dat het niet-bereiken van een schikking niet aan NautaDutilh kan worden verweten, omdat zij niet meer bij de zaak betrokken was.
6.15.
Het voorgaande betekent dat de bezwaren van [appellant] tegen de door NautaDutilh in rekening gebrachte advocaatkosten niet tot afwijzing van de vordering van de NautaDutilh kunnen leiden. Evenmin kan worden aangenomen dat NautaDutilh is tekortgeschoten bij de nakoming van de opdracht. Er is geen grond NautaDutilh aansprakelijk te houden voor de kostenveroordeling in de arbitrageprocedure.
6.16.
Het overige dat NautaDutilh in reactie op het verweer van [appellant] tegen de facturen heeft aangevoerd hoeft niet te worden besproken, daaronder begrepen haar beroep op verval van recht vanwege rechtsverwerking en/of een schending van de klachtplicht.
6.17.
Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door [appellant] is verzocht, een deskundige te benoemen om de declaraties van NautaDutilh op redelijkheid te toetsen. Daarvoor is een deskundigenbericht niet bedoeld. Het is aan [appellant] om in het kader van haar verweer tegen de incassovordering van NautaDutilh concreet duidelijk te maken waarom bepaalde uren ten onrechte in rekening zouden zijn gebracht. Bij gebreke daarvan is de vordering van NautaDutilh toewijsbaar. De grieven 4 en 5 van [appellant] slagen niet.
6.18.
Dat er geen reden is om een deskundige te benoemen, betekent tevens er geen aanleiding is om NautaDutilh te bevelen haar volledige dossier in het geding te brengen. De daarop gerichte incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv is terecht door de rechtbank afgewezen. Grief 2 faalt in dit verband.
Slotsom, bewijsaanbod en proceskosten
6.19.
Het hoger beroep heeft geen succes. De grieven slagen niet. De bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd.
6.20.
Het bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
6.21.
[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 6.561
- salaris advocaat € 8.856 (tarief VI, 2 punten)
Totaal € 15.417
Beslissing
bekrachtigt de bestreden vonnissen;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in van het hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 15.417, te vermeerderen met wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, O.J. van Leeuwen en R.D. Vriesendorp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.