3.2
De door de rechtbank wel vastgestelde feiten zijn tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Die feiten zijn, voor zover in hoger beroep van belang en waar nodig aangevuld met andere onomstreden feiten, de volgende.
a. [appellant] houdt zich bezig met de bemiddeling bij de aankoop van grondposities en de ontwikkeling van woon - en werkgebieden.
b. De vof exploiteert een melkveehouderij. De andere geïntimeerden zijn de vennoten van de vof.
c. Bij koopovereenkomst van 24 oktober 2017 kocht [appellant] van [geïntimeerden] voor € 175.000 een gedeelte van het perceel gelegen aan [straat] te [plaats 1] , kadastraal bekend als gemeente [plaats 1] , sectie K met nummer 950, ter grootte van ongeveer 50 are. [appellant] was voornemens op het verkochte een gewijzigde bestemming te verkrijgen ten behoeve van een tankstation.
d. Bij koopovereenkomst van 27 juni 2018 kocht [appellant] van [geïntimeerden] voor € 1.259.860 het niet-verkochte gedeelte van perceel K 950, ter grootte van ongeveer drie hectare, 59 are en 96 centiare. [appellant] was voornemens op het verkochte een gewijzigde bestemming te verkrijgen ten behoeve van een hotel/restaurant.
e. Bij koopovereenkomst van 2 augustus 2018 kocht [appellant] van [geïntimeerden] voor € 712.950 het perceel gelegen aan [straat] te [plaats 1] , kadastraal bekend als gemeente [plaats 1] , sectie K met de nummer 958, ter grootte van twee hectare, drie are en 70 centiare. [appellant] was voornemens het perceel te ontwikkelen voor de huisvesting van arbeidsmigranten.
f. Na het sluiten van deze koopovereenkomsten hebben [geïntimeerden] op enig moment te kennen gegeven een groter aantal percelen aan [appellant] te willen verkopen. [appellant] was daartoe bereid. Partijen hebben daartoe in november 2019 de bovengenoemde koopovereenkomsten ontbonden.
g. [appellant] en [geïntimeerden] sloten vervolgens op 10 juni 2021 een koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst). [appellant] kocht hierbij van [geïntimeerden] voor ruim 16 miljoen euro circa 65 hectare cultuurgrond aan [straat] in [plaats 1] , kadastraal bekend als gemeente [plaats 1] , sectie K met de nummers [nummers] (hierna: de percelen).
h. In de koopovereenkomst is onder meer het volgende vermeld:
"Levering
Artikel 7
De notariële leveringsakte zal worden verleden op 15 december 2022 of zoveel eerder of later als partijen overeenkomen ten overstaan van de notaris.
In afwijking van het bepaalde in artikel I lid 6 van de Algemene Bepalingen van deze overeenkomst zal de feitelijke levering (geheel of gedeeltelijk) plaatsvinden uiterlijk op 31 december 2029 danwel zoveel later als partijen in onderling overleg met elkaar overeen mochten komen, en overigens zoals in vorenbedoeld artikel I lid 6 vermeld.
(…)
Ontbindende voorwaarden
Artikel 9
Deze koop geschiedt onder de ontbindende voorwaarden, dat:
(…)
b. er op het overeengekomen tijdstip van het ondertekenen van de leveringsakte een verplichting bestaat om het verkochte aan de gemeente, de Provincie of het Rijk te koop aan te bieden op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten.
(…)
Wijziging in omstandigheden na heden
Artikel 13
Partijen verplichten zich over en weer om elkaar terstond te informeren indien zich ten aanzien van enige in de koopovereenkomst afgelegde verklaring of in de koopovereenkomst bedoeld onderwerp na heden een wijziging voordoet. Partijen zullen ter zake die wijziging met elkaar in overleg treden alvorens enige maatregel en/of (rechts)handeling te verrichten, tenzij redelijkerwijs geen uitstel mogelijk is.”
i. De gemeente [plaats 1] heeft met ingang van 23 september 2021 op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) een voorkeursrecht gevestigd op de percelen waarop de koopovereenkomst betrekking heeft (hierna: de percelen).
j. In een e-mail van 10 november 2022 schreven [geïntimeerden] aan [appellant] :
“(…)
In de koopovereenkomst is in artikel 9b de ontbindende voorwaarde opgenomen ten aanzien van het aanwezig zijn van een verplichting om het verkochte aan de gemeente, de provincie of het rijk te koop aan te bieden op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten, op het moment dat de leveringsakte zal worden verleden, zijnde 15 december 2022
Wij willen u erop wijzen dat dit tweede het gevat is en dat hiermee de ontbindende voorwaarde in werking treedt, welke terugwerkt naar het tijdstip van aangaan van de koop.
Wij zijn op dit moment verder niet voornemens dit contract te verlengen of ten aanzien hiervan een andere datum overeen te komen.
Wij ontvangen graag uw bevestiging dat hiermee de koopovereenkomst per 15 december ’22 ontbonden zal worden.
(…)”
k. [appellant] heeft de gevraagde bevestiging niet gegeven.
l. Op 9 december 2022 schreef [appellant] in een e-mail aan de gemeente [plaats 1] :
“(…) voor de goede orde herinneren wij u aan het feit dat de ontbindingsmelding (…) van de gebroeders Ruijter komende donderdag 15 december van kracht wordt als de WVG op donderdag 15 december 2022 nog steeds van kracht is. (…)”
m. In een e-mail van 13 december 2022 schreven [geïntimeerden] aan [appellant] dat:
“(…) wanneer het voorkeursrecht van de gemeente komende donderdag 15 december 2022 nog van toepassing is, de overeenkomst op grond van artikel 9b (…) ontbonden zal zijn.
(…)”
n. Op 15 december 2022 verzocht [appellant] per e-mail aan de gemeente [plaats 1] om het voorkeursrecht op de percelen in te trekken. In de e-mail staat ook: “Gezien heden 15 december 2022 de u bekende ontbindingsdatum is, verzoeken wij u vriendelijk ook de gebroeders Ruijter op de hoogte te stellen van uw (…) besluit”.
o. Op 15 december 2022 e-mailden [geïntimeerden] aan de betrokken notaris en [appellant] :
“(…)
Er is sprake van een Wet voorkeursrecht gemeenten op het verkochte. Hiermee treedt de ontbindende voorwaarde in werking en is de getekende koop-verkoopovereenkomst per vandaag, 15 december 2022 ontbonden.
(…)”