GERECHTSHOF AMSTERDAM
zaaknummer: 200.368.916/01
zaaknummers hoofdzaken: 23-002060-23 en 23-002652-23
Beslissing van de wrakingskamer van 29 juni 2026
op het wrakingsverzoek ingediend door
[verzoeker]
,
geboren te [plaats] op [datum] ,
hierna: verzoeker,
raadsman in de hoofdzaken: mr. J.E. Jobse, advocaat te Rotterdam.
1.1.
De hoofdzaak met zaaknummer 23-002060-23 betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2023, waarbij verzoeker wegens vernieling van gebouwen en belediging is veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren met aftrek van voorarrest, een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaren en een gebiedsverbod voor de duur van drie jaren.
1.2.
De hoofdzaak met zaaknummer 23-002652-23 betreft het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 19 september 2023, waarbij verzoeker wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, is veroordeeld tot een geldboete van € 250,00 en een contactverbod voor de duur van twee jaren.
1.3.
Op 21 oktober 2024 heeft de meervoudige kamer voor strafzaken van dit hof een regiezitting gehouden in de beide hoofdzaken. Verzoeker en diens raadsman zijn daarbij aanwezig geweest. In de van deze regiezitting opgemaakte processen-verbaal staat in de noot telkens het volgende vermeld: Voor de inhoudelijke behandeling van onderhavige zaak op de volgende zitting, die gelijktijdig maar niet gevoegd wordt behandeld met de zaak tegen de verdachte met parketnummer (…), dienen 120 minuten te worden gereserveerd.
1.4.
De inhoudelijke behandeling van de hoofdzaken is vervolgens gepland op 13 mei 2026 om 14.00 uur.
1.5.
Bij e-mailbericht van 8 mei 2026 heeft de raadsman het hof bericht dat - samengevat - de geplande 120 minuten te kort zijn om de beide zaken te kunnen behandelen, omdat de verweren die verzoeker en de raadsman wensen te voeren niet binnen die tijd naar voren kunnen worden gebracht.
1.6.
De advocaat-generaal heeft op verzoek van het hof bij e-mailbericht van 8 mei 2026 daarop gereageerd. Dit bericht houdt in dat volgens de advocaat-generaal verzoeker en diens raadsman in staat moeten zijn om de verdediging binnen de geplande tijd te voeren. Deze reactie houdt verder in dat de verdediging, om de behandeling te bespoedigen, stukken ter onderbouwing van het te voeren verweer op voorhand kan sturen, zodat daarvan reeds kennis kan worden genomen.
1.7.
Namens de voorzitter van de meervoudige kamer voor strafzaken heeft de griffier op 8 mei 2026 de reactie van de advocaat-generaal doorgezonden aan de raadsman en de raadsman meegedeeld dat het hof niet op voorhand aanleiding ziet de zaken aan te houden en verzocht om de pleitnota’s op voorhand, uiterlijk op 12 mei 2026 om 12.00 uur toe te sturen, zodat het hof en de advocaat-generaal daarvan tijdig kennis konden nemen.
1.8.
De raadsman van verzoeker heeft hierop op 10 mei 2026 afwijzend gereageerd.
1.9.
Verzoeker heeft op 13 mei 2026 tijdens de mondelinge behandeling van de beide hoofdzaken mondeling de wraking verzocht van de raadsheren mrs. B.E. Dijkers, J.J. Roos en A.M. Koolen-Zwijnenburg (hierna: de raadsheren).
1.10.
De raadsheren hebben de wrakingskamer laten weten dat zij niet berusten in het wrakingsverzoek en zij hebben, gezamenlijk, een schriftelijke reactie gegeven op het verzoek tot wraking.
1.11.
Het wrakingsverzoek is op 15 juni 2026 door de wrakingskamer in het openbaar behandeld. Op de zitting waren aanwezig:
- verzoeker;
- mr. R. Tdlohreg, advocaat-generaal;
- als toehoorders: mr. L van der Hoeven (raadsvrouw benadeelde partijen) en R.A. Vecht (benadeelde partij).
1.12.
Voorafgaand aan de zitting heeft verzoeker een pleitnota aan de wrakingskamer toegezonden.
2
Het wrakingsverzoek en de standpunten daarover
2.1.
De gronden van het wrakingsverzoek blijken uit de processen-verbaal van de zitting van 13 mei 2026. Deze luidden aanvankelijk als volgt:
1. De voorzitter heeft gezegd: ‘u heeft nog een kwartier’ en ‘er komt geen tweede zitting’.
2. Ik heb het recht om onbeperkt te pleiten. Als dat lang duurt, moet de zaak worden aangehouden.
3. De responsieplicht geldt alleen ten volle voor hetgeen ter zitting wordt voorgedragen.
De advocaat-generaal en het hof hebben daar voorafgaand aan de zitting in de e-mailwisseling stilzwijgend mee ingestemd.
4. De meervoudige kamer van de rechtbank...
Na een onderbreking van de zitting om verzoeker en zijn raadsman de gelegenheid te geven de wrakingsgronden op te stellen, heeft verzoeker de wrakingsgronden als volgt aangevuld:
2. Een langdurig verweer mag nooit een reden zijn om een onderzoek eerder te sluiten.
3. De handelwijze van het hof ondermijnt de responsieplicht en de geloofwaardigheid van de jurisprudentie van de Hoge Raad over de responsieplicht.
4. De meervoudige kamer van de rechtbank verweet de verdediging dat de verweren alleen in abstracto zijn gevoerd, dus wist het hof dat de genocide verweren uitvoerig onderbouwd moesten worden en dat de verweren in concreto moesten worden gevoerd, dus is 120 minuten te weinig. Vooraf is in e-mails gezegd dat het verweer (…) 100 pagina’s zou beslaan, dat het opstellen daarvan is gestaakt en dat eerst het verweer tot vernietiging en terugwijzing zou worden gevoerd. Het is niet in redelijke verhouding om 20 pagina’s preliminair verweer te voeren en dan nog 100 inhoudelijk. Dat is met terugwerkende kracht wat het hof nu doet.
5. Ik ben vermoeid en ik wraak u zelf en op mijn eigen conto. De advocaat-generaal en het hof zijn bezig mijn advocaat tegen mij op te zetten omdat zij zich mengen in mijn wrakingsgronden en het hof weigert de advocaat-generaal het woord te ontnemen. De opmerking van het hof dat mijn wrakingsgronden moeten zien op gedragingen van het hof, zijn die inmenging. Die inmenging van het hof vond plaats toen ik mijn vierde wrakingsgrond naar voren bracht en ik zei dat de meervoudige kamer van de rechtbank mij verweet dat ik mijn genocide verweren alleen in abstracto had gevoerd.
In voornoemde pleitnota heeft verzoeker hier nog een zesde wrakingsgrond aan toegevoegd. Deze luidt als volgt:
6. Het proces-verbaal bevat een daartoe doelbewust in aangebrachte onwaarheid, met het kennelijke doel om de handelswijze van het hof redelijker te laten lijken. Op pagina 5:
Het hof heeft besloten de strafzaak van een andere verdachte die na de onderliggende zaken stond gepland, op voorhand aan te houden, om u extra tijd te geven. Het hof denkt dus met u mee en geeft u vanaf nu twee uur de tijd om alle verweren voor te houden, inclusief het verweer van de raadsman.
Terwijl ik in de wandelgang en/of vanwege de tolk – die de zittingszaal kwam binnenlopen om de griffier te laten tekenen voor zijn onkostenvergoeding – heb vernomen dat de latere strafzaak die gepland stond niet doorging omdat de daarbij opgeroepen verdachte niet was verschenen.
2.2.
In de pleitnota heeft verzoeker nog verzocht om hem, voordat over het wrakingsverzoek wordt beslist, enige nadere stukken toe te zenden.
2.3.
De raadsheren hebben in hun schriftelijke reactie samengevat het volgende aangevoerd. De raadsheren koesteren geenszins enige vooringenomenheid jegens verzoeker en hun oordelen en beslissingen geven daarvan ook geen blijk. Het verzoek tot wraking en de daarop gebaseerde gronden zijn in de kern gericht tegen de beslissing om verzoeker niet de door hem gewenste onbeperkte spreektijd voor het naar voren brengen van zijn verweren te geven. Nu wraking geen verkapt rechtsmiddel is tegen onwelgevallige (proces)beslissingen, kan het verzoek ook daarom geen doel treffen. Voor zover het verzoek tot wraking gestoeld is op de motivering van hun beslissingen, geldt dat hierin slechts een succesvolle grond tot wraking gevonden kan worden, indien zij in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieven maatstaven niet anders kan worden verstaan dan als een blijk van vooringenomenheid hunnerzijds. Daarvan is naar de overtuiging van de raadsheren geen sprake.
2.4.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
Overwegingen
Verzoek tot kennisname (interne) stukken
3.1.
Het verzoek van verzoeker om kennis te nemen van een aantal (interne) stukken wijst de wrakingskamer af, reeds omdat deze stukken voor de beslissing van de wrakingskamer niet van belang kunnen zijn gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.
3.2.
Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.
3.3.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als hij tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Uitgangspunt is dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van uitzonderlijke omstandigheden. Het moet dan gaan om omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van partijdigheid of van de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid.
3.4.
De zes wrakingsgronden lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Deze wrakingsgronden komen in de kern erop neer dat verzoeker de raadsheren vooringenomen vindt, omdat zij hem geen onbeperkte, althans zeer ruime, spreektijd hebben gegeven om alle verweren die hij in beide hoofdzaken wenst te voeren, naar voren te brengen.
3.5.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer beoordeelt dus niet de juistheid van de (motivering van de) (tussen)beslissing. Dat geldt ook voor processuele beslissingen als hier aan de orde. Daarover kan alleen in cassatie bij de Hoge Raad worden geklaagd. Ook als de wrakingskamer de motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier vindt of als de motivering ontbreekt, is dat geen grond voor wraking. Alleen als uit de motivering van een beslissing in het licht van alle omstandigheden en objectief gezien blijkt dat de raadsheren die haar hebben gegeven vooringenomen zijn, is dat een grond voor wraking.
3.6.
Omdat het wrakingsverzoek zich richt tegen een door de raadsheren gegeven processuele beslissing kan de vrees voor vooringenomenheid slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de raadsheren een beslissing hebben genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.
3.7.
De voorzitter van de strafkamer kan in zijn hoedanigheid van leider van het onderzoek ter terechtzitting grenzen stellen aan de duur van (zowel het requisitoir als) het pleidooi. Uit de door verzoeker genoemde rechtspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2017:468) vloeit niet voort dat verzoeker het recht heeft om gedurende onbeperkte tijd het woord ter verdediging te voeren, zoals verzoeker kennelijk meent. Uit de processen-verbaal van de regiezitting van 21 oktober 2024 volgt dat voor de inhoudelijke behandeling van de beide hoofdzaken op voorhand 120 minuten is uitgetrokken. Deze behandelingsduur is, blijkens het e-mailbericht van 8 mei 2026 van de raadsman, op voorhand aan hem kenbaar gemaakt. Voorts is in artikel 9.1.1 van het Landelijk Strafprocesreglement, anders dan verzoeker meent, voor de behandeling van een zaak niet bepaald dat 360 minuten als uitgangspunt geldt. Die tijdsduur ziet op de hele zitting, waarop meerdere zaken worden gepland. Noch uit de beslissing 120 minuten voor de behandeling uit te trekken op zich noch uit de motivering daarvan blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer een schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker. Niet kan worden gezegd dat de beslissing over de spreekduur van verzoeker zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.
3.8.
Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek niet toewijsbaar is.
3.9.
De wrakingskamer merkt ten slotte nog op dat het, anders dan verzoeker kennelijk wenst, niet aan de wrakingskamer is om te bepalen op welke wijze het onderzoek in de hoofdzaken moet worden hervat na afwijzing van het wrakingsverzoek.