GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.350.976/01
zaaknummer rechtbank : C/15/358888 / KG ZA 24-660
arrest van de meervoudige familiekamer van 26 mei 2026
[eiser] ,
wonende te [Plaats A] , gemeente [gemeente] ,
appellante,
advocaat: mr. J. van den Beldt te Haarlem, die zich op 20 mei 2025 als advocaat heeft onttrokken,
1
Verder verloop van het geding
1.1.
In deze zaak heeft het hof op 6 januari 2026 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.
1.2.
In r.o. 4.8 van het tussenarrest heeft het hof - kort samengevat - overwogen dat in deze zaak sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding en dat bij een verdeling alle deelgenoten dienen te worden betrokken. Het hof heeft voorts overwogen dat, gezien het feit dat mr. [naam] (hierna: mr. [naam] ) de erfgenamen vertegenwoordigt voor wat betreft hun 1/20e aandeel in de woning, hij blijkens het testament van erflaatster zelfstandig (privatief) bevoegd is én ten tijde van het wijzen van het bestreden vonnis, en ook thans, het afwikkelingsbewind van mr. [naam] niet was dan wel is geëindigd, ook hij moet deelnemen aan de verdeling van de woning, aangezien de vorderingen van [verweerders] . gevolgen hebben voor de verdeling van de nalatenschap.
1.3.
Aangezien mr. [naam] in hoger beroep had dienen te worden betrokken, hetgeen niet was gebeurd, heeft het hof [eiser] in de gelegenheid gesteld, door tussenkomst van een advocaat, alsnog mr. [naam] , in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [erflater] , in het geding in hoger beroep op te roepen op de voet van artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de zaak daartoe naar de rol van 3 februari 2026 verwezen.
1.4.
[eiser] heeft zich op 28 januari 2026 tot het hof gewend met het verzoek haar meer tijd te bieden om een advocaat te vinden die voor oproeping van mr. [naam] kan zorgdragen. Het hof heeft [eiser] daartoe in de gelegenheid gesteld en de zaak verwezen naar de rol van 14 april 2026 zodat [eiser] , door tussenkomst van een advocaat, alsnog mr. [naam] in het geding kon betrekken.
1.5.
[verweerders] . hebben bij bericht van 7 april 2026 op voorhand bezwaar gemaakt tegen een eventueel verzoek om uitstel te verlenen aan [eiser] voor het verrichten van de proceshandeling waar ze voor staat.
1.6.
[eiser] heeft op 10 april 2026 het hof verzocht om haar wederom uitstel te verlenen voor het verrichten van de proceshandeling waar zij voor staat. Het hof heeft de zaak vervolgens verwezen naar de rol van 12 mei 2026, waarbij [eiser] erop is gewezen dat ingevolge het procesreglement bij niet-stellen van een advocaat, het recht van een partij vervalt om de proceshandeling waarvoor zij staat, te verrichten.
1.7.
Namens [eiser] heeft zich op de rol van 12 mei 2026 geen advocaat gesteld.
Overwegingen
2.1.
Op grond van artikel 6.4 van het geldende Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven vervalt het recht van een partij wiens advocaat zich heeft onttrokken om de proceshandeling waarvoor zij staat te verrichten, indien zich op de daartoe bepaalde roldatum geen andere advocaat stelt. Vast staat dat zich voor [eiser] geen andere advocaat heeft gesteld. Daarmee is het recht van [eiser] komen te vervallen om, door tussenkomst van een advocaat, alsnog mr. [naam] , in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [erflater] , in het geding in hoger beroep op te roepen.
2.2.
Zoals reeds in het tussenarrest is overwogen, dienen bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding alle deelgenoten in het geding te worden opgeroepen op grond van het uitgangspunt dat de rechter slechts een beslissing kan nemen die voor alle betrokkenen bindend is, indien zij allen partij zijn in de procedure.
2.3.
Nu aan [eiser] de gelegenheid is gegeven om, middels tussenkomst van een advocaat, de niet opgeroepen personen op de voet van artikel 118 Rv in het geding te betrekken, maar zij niet van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt, zal zij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep (zie Hoge Raad 10 maart 2017 ECLI:NL:HR:2017:411).
2.4.
[verweerders] . hebben gevorderd [eiser] in de kosten van beide instanties te veroordelen, waarbij [eiser] in de werkelijke kosten van [verweerders] . in hoger beroep wordt veroordeeld.
2.5.
Het hof ziet geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank over de proceskosten te vernietigen. Weliswaar is [eiser] in eerste aanleg in het ongelijk gesteld, maar het hof is het met de rechtbank eens dat gelet op de familierelatie tussen partijen deze proceskosten tussen partijen dienen te worden gecompenseerd. Het hof zal voorts bepalen dat, eveneens gelet op het familierechtelijke karakter van de zaak, ook de proceskosten in hoger beroep dienen te worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten in beide instanties draagt.