De vader heeft in incidenteel appel drie grieven aangevoerd en vordert dat het hof, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat:
I. voor de bepaling van de vakanties aansluiting wordt gezocht bij de vakantieplanning regio Noord van de Rijksoverheid waarbij de vakanties starten vrijdag om 17.00 uur en eindigen afhankelijk van de duur van de vakantie vrijdag om 17.00 uur;
II. de verdeling van de vakanties op navolgende wijze wordt vastgesteld:
- vanaf de zomervakantie 2027 verblijft [minderjarige 1] in de oneven jaren de eerste helft van de zomervakantie bij de moeder en de tweede helft bij de vader waarna deze regeling in de even jaren wordt omgekeerd;
- in de april/meivakantie verblijft [minderjarige 1] in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder waarna deze regeling in de oneven jaren wordt omgekeerd;
- in de kerstvakantie verblijft [minderjarige 1] in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder waarna deze regeling in de oneven jaren wordt omgekeerd;
- dan wel een verdeling van de vakanties die het hof in het belang van [minderjarige 1] acht.
De verdeling van de feestdagen op navolgende wijze wordt vastgesteld:
- Pasen en Pinksteren: [minderjarige 1] verblijft bij de ouder waar zij conform de weekendregeling verblijft waarbij de omgang eindigt op dinsdag 8.30 uur;
- Kerstdagen en oud en nieuw: bij de ouder waar [minderjarige 1] op grond van de vakantieregeling verblijft;
- dan wel een verdeling van de feestdagen die het hof in het belang van [minderjarige 1] acht;
III. de moeder gehouden is om aan de verdeling van de (school)vakanties en feestdagen uitvoering te geven op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat de moeder weigert, nalaat of in gebreke blijft om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] na te leven, met een maximum van € 50.000,-.