Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep personen- en familierecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2084

Op 2 July 2026 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 200.368.005/01, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2026:2084. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
200.368.005/01
Datum uitspraak:
2 July 2026
Datum publicatie:
28 July 2026
Advocaat:
mr. N.S van Es te Amsterdam;mr. M.E. de Groot te Heerhugowaard

Indicatie

Het hof stelt in spoed kort geding een nieuwe vakantieregeling vast. Voor het overige wordt het bestreden vonnis bekrachtigd. Arrest vormt de schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak ter zitting.

Uitspraak

ERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.368.005/01 SKG

zaaknummer rechtbank: C/13/783596 / KG ZA 26-119 NB/KH

arrest van de meervoudige familiekamer van 2 juli 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

appellante in principaal hoger beroep,

tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. N.S. van Es te Amsterdam,

tegen

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

tevens appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. M.E. de Groot te Heerhugowaard.

Het hof heeft als informant aangemerkt de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam (hierna: de raad).

1
De procedure in hoger beroep
1.1

Partijen worden hierna de vader en de moeder genoemd.

1.2

De moeder is bij dagvaarding van 17 april 2026 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 23 maart 2026 (hierna: het bestreden vonnis), in kort geding gewezen tussen de moeder als eiser in conventie, tevens verweerster in reconventie en de vader als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

De appeldagvaarding bevat de grieven.

1.3

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, van de zijde van de vader, met producties 1 tot en met 4;

- memorie van antwoord in incidenteel appel van de zijde van de moeder, met producties 6 en 7;

- producties 6-10 van de zijde van de vader;

- producties 8-14 van de zijde van de moeder.

1.4

De mondelinge behandeling vond plaats op 2 juli 2026, waarbij partijen en hun advocaten aanwezig waren alsmede J. Ibrahim namens de raad. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

1.5

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft het hof mondeling uitspraak gedaan. Dit arrest vormt daarvan de schriftelijke uitwerking.

2
Feiten
2.1

Het hof gaat uit van de feiten die de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt.

De in hoger beroep relevante feiten zijn, waar nodig aangevuld, de volgende.

2.2

Partijen hebben tot 17 december 2024 een relatie gehad. Zij hebben samen een dochter, [minderjarige 1] , geboren [in] 2023 te [plaats A] . Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .

2.3

De vader heeft een minderjarige dochter uit een eerdere relatie, [minderjarige 2] . De moeder heeft een minderjarige zoon uit een eerdere relatie, [minderjarige 3] .

2.4

De moeder woont met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] in de voormalig gezamenlijke woning van partijen aan de [A-straat] in [plaats A] . De vader is in januari 2025 uit de gezamenlijke woning vertrokken en woont momenteel in een huurwoning aan de [B-straat] in [plaats A] .

2.5

Partijen hebben verschillende procedures gevoerd, onder meer over de zorgregeling. Bij kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter van 2 december 2025 is een voorlopige zorgregeling bepaald op grond waarvan [minderjarige 1] iedere dinsdag van 17:00 uur tot woensdagochtend naar de kinderopvang, en in de oneven weken van vrijdag uit de kinderopvang tot maandag naar de kinderopvang, bij de vader verblijft, op straffe van een dwangsom van € 100,- voor iedere keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt.

2.6

Bij vonnis van 3 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, de moeder veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van de gemeenschappelijke woning van partijen aan de [A-straat] in [plaats A] . De rechtbank heeft bepaald dat de datum van levering van de woning niet zal liggen vóór 1 oktober 2026.

2.7

De mondelinge behandeling in de bodemprocedure tussen partijen bij de rechtbank Amsterdam betreffende de zorgregeling is gepland op 25 augustus 2026.

3
De vorderingen
3.1

Bij de voorzieningenrechter heeft de moeder (in conventie) gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de moeder vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 1] uiterlijk op 10 maart 2026 in te schrijven op kinderopvang De [X] op de aangeboden dagen, zoals vermeld in punt 42 van de dagvaarding;

II. de voorlopige zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] te wijzigen in die zin dat [minderjarige 1] in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft en elke dinsdag van 17.00 uur tot woensdag 9.00 uur, waarbij de vader [minderjarige 1] ophaalt bij de moeder en terugbrengt bij de moeder;

III. te bepalen dat de vader in de overdracht e-mails eveneens informatie dient te verstrekken over bij welke volwassenen en kinderen [minderjarige 1] verblijft als zij bij de vader is, waar zij slaapt en bij wie zij logeert als de vader niet thuis is;

IV. de vader te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2

De vader heeft (in reconventie) gevorderd te bepalen dat:

- de verdeling van de schoolvakanties en feestdagen wordt vastgesteld op de wijze zoals uiteengezet in de akte overlegging producties tevens inhoudende eis in reconventie onder I, op straffe van een dwangsom;

- zolang de overdracht van [minderjarige 1] niet via het kinderdagverblijf verloopt de overdracht van [minderjarige 1] op woensdag- en maandagochtend om 8.00 uur beneden bij de buitendeur van het appartementencomplex dient plaats te vinden;

- de vader op een onbelaste wijze omgang met [minderjarige 1] dient te hebben waarbij de moeder geen restricties mag opleggen en de informatieoverdracht van de vader aan de moeder wordt beperkt tot informatie over het slapen, eten en drinken en eventuele bijzonderheden;

- de moeder wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten.

4.3

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de in conventie gevraagde voorzieningen geweigerd. In reconventie heeft de voorzieningenrechter bepaald dat:

- [minderjarige 1] gedurende de zomervakantie van 2026 de eerste twee weken aaneengesloten bij de vader verblijft en vervolgens twee weken aaneengesloten bij de moeder, waarbij de moeder is veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 100,- voor elke dag dat zij niet aan de uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;

- zolang de overdracht van [minderjarige 1] niet via het kinderdagverblijf verloopt de overdracht van [minderjarige 1] op woensdag- en maandagochtend om 8.30 uur beneden bij de buitendeur van het appartementencomplex dient plaats te vinden.

De voorzieningenrechter heeft de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In principaal appel

4.4

Tegen de weigering van de gevraagde voorzieningen (in conventie) en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de moeder met vijf grieven op.

4.5

De moeder heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

I. de vorderingen van de moeder in eerste aanleg in conventie ten aanzien van de informatieverschaffing tijdens de overdracht (vordering III) en de proceskostenveroordeling (het hof begrijpt: vordering IV) alsnog toe te wijzen;

II. de vorderingen van de vader in eerste aanleg in reconventie af te wijzen;

III. primair de eerder in kort geding vastgestelde zorgregeling te wijzigen, in die zin dat tussen de vader en [minderjarige 1] omgang plaatsvindt iedere dinsdag van 9.00 tot 17.00 uur en iedere zaterdag van 9.00 tot 17.00 uur. Subsidiair de vordering van de moeder in eerste aanleg in conventie ten aanzien van de beperking van de zorgregeling (vordering II) alsnog toe te wijzen. In beide gevallen vordert de moeder te bepalen dat de overdracht plaatsvindt bij de ingang van het flatgebouw van de moeder, waarbij [minderjarige 1] de gelegenheid krijgt om op gebruikelijke wijze afscheid te nemen van de moeder bij de auto van de vader en vervolgens met de vader mee te gaan;

IV. de vader te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten.

4.6

De vader heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, met uitzondering van de compensatie van de proceskosten, bekrachtigt en de moeder niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen en grieven, althans deze vorderingen en grieven af te wijzen, met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure in beide instanties.

In incidenteel appel

4.7

De vader heeft in incidenteel appel drie grieven aangevoerd en vordert dat het hof, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat:

I. voor de bepaling van de vakanties aansluiting wordt gezocht bij de vakantieplanning regio Noord van de Rijksoverheid waarbij de vakanties starten vrijdag om 17.00 uur en eindigen afhankelijk van de duur van de vakantie vrijdag om 17.00 uur;

II. de verdeling van de vakanties op navolgende wijze wordt vastgesteld:

- vanaf de zomervakantie 2027 verblijft [minderjarige 1] in de oneven jaren de eerste helft van de zomervakantie bij de moeder en de tweede helft bij de vader waarna deze regeling in de even jaren wordt omgekeerd;

- in de april/meivakantie verblijft [minderjarige 1] in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder waarna deze regeling in de oneven jaren wordt omgekeerd;

- in de kerstvakantie verblijft [minderjarige 1] in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder waarna deze regeling in de oneven jaren wordt omgekeerd;

- dan wel een verdeling van de vakanties die het hof in het belang van [minderjarige 1] acht.

De verdeling van de feestdagen op navolgende wijze wordt vastgesteld:

- Pasen en Pinksteren: [minderjarige 1] verblijft bij de ouder waar zij conform de weekendregeling verblijft waarbij de omgang eindigt op dinsdag 8.30 uur;

- Kerstdagen en oud en nieuw: bij de ouder waar [minderjarige 1] op grond van de vakantieregeling verblijft;

- dan wel een verdeling van de feestdagen die het hof in het belang van [minderjarige 1] acht;

III. de moeder gehouden is om aan de verdeling van de (school)vakanties en feestdagen uitvoering te geven op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere keer dat de moeder weigert, nalaat of in gebreke blijft om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] na te leven, met een maximum van € 50.000,-.

4.8

De moeder heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vader in incidenteel appel, althans zijn vorderingen te ontzeggen dan wel af te wijzen.

4.9

Op de mondelinge behandeling heeft de vader zijn vordering onder II. ingetrokken, zodat het hof daarop niet meer hoeft te beslissen.

Overwegingen

5
De beoordeling

In principaal en incidenteel appel

Spoedeisend belang

5.1

De procedure in kort geding is bedoeld voor spoedeisende gevallen waarin de belangen van de betrokkenen vragen om een onmiddellijke voorziening die voorlopig van kracht is totdat de rechter in een bodemzaak een definitieve beslissing heeft gegeven.

Het hof dient ambtshalve vast te stellen of sprake is van een spoedeisend belang. Daarbij wordt vooropgesteld dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is.

5.2

Uit de aard van de (na intrekking van vaders vordering II resterende) vorderingen volgt naar het oordeel van het hof een voldoende spoedeisend belang bij een beslissing van het hof.

In principaal appel

Standpunten van partijen

5.3

De moeder heeft vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. De moeder voert aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat zich geen gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die een inperking van de zorgregeling van de vader met [minderjarige 1] rechtvaardigen (grief I). Na de omgangsmomenten met de vader vertoont [minderjarige 1] terugkerende klachten, waaronder ernstige ontregeling en zelfbeschadigend gedrag. Ter onderbouwing van de klachten van [minderjarige 1] legt de moeder medische informatie en beeld- en geluidmateriaal over. Een tijdelijke inperking van de zorgregeling is noodzakelijk om [minderjarige 1] meer rust en stabiliteit te bieden in afwachting van het onderzoek van de raad. Subsidiair vordert de moeder om [minderjarige 1] na een omgangsweekend met de vader op zondag om 17.00 uur terug te brengen in plaats van op maandagochtend, zodat [minderjarige 1] enige tijd heeft om te schakelen tussen de ouders voordat de nieuwe week aanvangt.

Verder heeft de voorzieningenrechter ten onrechte overwogen dat de vordering van de moeder om de informatievoorziening uit te breiden strekt tot controle van de vader (grief II). De door de moeder gevorderde informatie is noodzakelijk om de belevingswereld van [minderjarige 1] te volgen en signalen van spanning en/of onrust bij [minderjarige 1] tijdig te kunnen duiden. Voorts heeft de voorzieningenrechter ten onrechte een vakantieregeling voor 2026 vastgesteld (grief III). De noodzaak hiervoor ontbreekt nu partijen bereid waren hierover via het OKT en mediation afspraken te maken. Daarnaast is een regeling waarbij [minderjarige 1] gedurende twee aaneengesloten weken bij de vader verblijft niet in haar belang gelet op haar jonge leeftijd, de moeder als haar primaire hechtingsfiguur, de band die [minderjarige 1] heeft met haar broertje [minderjarige 3] en de bestaande zorgen van de moeder rondom de zorgregeling met de vader.

Ook heeft de voorzieningenrechter ten onrechte bepaald dat de overdracht van [minderjarige 1] om 8.30 uur bij het flatgebouw dient plaats te vinden (grief IV). Voornoemd tijdstip is praktisch onuitvoerbaar omdat de moeder [minderjarige 3] om 8.15 uur naar school moet brengen. Partijen hanteren in de praktijk 8.00 uur als overdrachtstijdstip. Daarnaast is de formulering ‘bij het flatgebouw’ onvoldoende specifiek. [minderjarige 1] is gewend om bij de overdracht op een vaste en voor haar voorspelbare wijze afscheid te nemen van de moeder, waarbij zij tot aan de auto wordt uitgezwaaid.

Tot slot heeft de voorzieningenrechter ten onrechte de proceskosten gecompenseerd tussen partijen (grief V). De vader heeft onnodig de procedure veroorzaakt door geen toestemming te verlenen voor de benodigde kinderopvang van [minderjarige 1] , waardoor de opvang pas later kon starten en de moeder financieel nadeel heeft geleden. Ook houdt de vader vast aan de bestaande zorgregeling onder dreiging van een dwangsom, waardoor de moeder zich genoodzaakt ziet te procederen.

5.4

De vader betwist de stellingen van de moeder en hij voert verweer. Volgens hem is er geen aanleiding de zorgregeling te wijzigen. Zo blijkt niet uit de rapporten van de betrokken hulpverlening dat de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] moeten worden beperkt. De vader ervaart geen spanningen bij [minderjarige 1] tijdens de omgang, maar de vele overdrachtsmomenten zijn belastend voor haar. De spanningsklachten van [minderjarige 1] kunnen veroorzaakt worden doordat de moeder geen emotionele toestemming aan haar geeft voor het contact met de vader. De vader betwist de door de moeder gestelde incidenten en beschuldigingen van bedreiging, mishandeling en seksueel misbruik. Zo heeft de vader ingestemd met een onderzoek van [minderjarige 1] door het AUMC. Zowel het medisch onderzoek, als de observaties van een GZ-psycholoog leveren geen bewijs of aanwijzing voor seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader jegens [minderjarige 1] . Ook verzet de vader zich tegen de subsidiaire vordering van de moeder om [minderjarige 1] op zondagavond terug te brengen. De zondagavond en maandagochtend zijn waardevolle contactmomenten en deze wegen zwaarder dan de door de moeder aangevoerde praktische bezwaren. [minderjarige 1] heeft recht op een onbelaste relatie met beide ouders.

Ten aanzien van de informatievoorziening voert de vader aan dat de moeder zich ten onrechte met zijn wijze van opvoeding en invulling van de zorgmomenten blijft bemoeien. Met de hulpverlening is afgesproken dat de ouders uitsluitend beknopte overdrachtsberichten met elkaar uitwisselen met de belangrijkste informatie over [minderjarige 1] met de jeugdbeschermer in de cc van de e-mail. Verder heeft de voorzieningenrechter terecht een zomervakantieregeling voor 2026 vastgesteld. Het is gebleken dat de ouders niet in staat zijn hierover in onderling overleg afspraken te maken, nu meerdere mediationtrajecten zonder resultaat zijn geëindigd en het OKT-traject geen doorgang kan vinden zolang er juridische procedures tussen de ouders lopen. De vader acht het van belang dat [minderjarige 1] in de vakantie(s) tijd met haar vader en diens gezin kan doorbrengen. De vader verwerpt de stelling van de moeder dat [minderjarige 1] niet voor een langere periode bij hem kan verblijven vanwege de band van [minderjarige 1] met haar halfbroertje [minderjarige 3] . Een vakantieperiode bij de vader biedt [minderjarige 1] juist de gelegenheid om tijd door te brengen met de halfzus van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] .

Voorts heeft de voorzieningenrechter terecht bepaald dat de overdracht van [minderjarige 1] bij de deur van het flatgebouw dient plaats te vinden. Voorkomen dient te worden dat de moeder haar afscheidsritueel met [minderjarige 1] bij de auto voortzet nu dit ook volgens de betrokken hulpverlening dient te stoppen. De moeder kan voorafgaand aan de overdracht in de woning afscheid nemen van [minderjarige 1] .

Ten aanzien van de proceskosten betwist de vader dat hij onnodig procedeert, gelet op het feit dat de moeder de kort geding procedure bij de voorzieningenrechter is gestart.

Het advies van de raad

5.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep het hof geadviseerd de huidige zorgregeling in stand te laten. De raad heeft toegelicht dat jonge kinderen in het algemeen veerkrachtig zijn en een zorgregeling met meerdere wisselingen per week goed kunnen verdragen, mits de ouders het kind emotionele toestemming geven om bij de andere ouder te zijn en dit naar het kind uitdragen. Beide ouders doen hun best om [minderjarige 1] buiten de onderlinge spanning te houden, maar het is gebleken dat dit hun onvoldoende lukt. Daarbij merkt de raad op dat mogelijk zelfbeschadigend gedrag bij [minderjarige 1] een signaal van stress kan zijn. [minderjarige 1] dient de gelegenheid te krijgen om aan de huidige zorgregeling te wennen en daarom acht de raad een inperking van de zorgregeling niet in haar belang. De huidige zorgregeling is passend bij haar leeftijd. De raad adviseert de vader tijdens de zorgmomenten voldoende rustmomenten in te bouwen nu het schakelen tussen beide ouders voor een kind in de leeftijd van [minderjarige 1] veel energie kost. Ook dienen de ouders de opvoedsituaties bij hen thuis en de dagelijkse routines zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen zodat de overgang tussen de ouders voor [minderjarige 1] voorspelbaar is. Hierin ligt een belangrijke verantwoordelijkheid voor hen beiden. Ook dient de betrokken jeugdbescherming passende hulpverlening in te zetten voor de ouders, maar niet voor [minderjarige 1] .

Verder is een goede informatie-uitwisseling tussen de ouders van belang nu er bij een kind in de leeftijd van [minderjarige 1] veel relevante, dagelijkse gebeurtenissen zijn die de ouders onderling met elkaar moeten delen.

Met betrekking tot de vakantieregeling adviseert de raad op dit moment nog geen regeling vast te stellen waarbij [minderjarige 1] gedurende twee aaneengesloten weken bij de vader verblijft. Tot op heden heeft [minderjarige 1] maximaal drieënhalve dag achtereen bij de vader verbleven en zij kan een dergelijke periode van twee weken, gelet op haar leeftijd, nog niet overzien. Hoewel een verdeling van de zomervakantie tussen de ouders wellicht als eerlijk kan worden beschouwd, dient het belang van [minderjarige 1] voorop te staan. Indien het hof toch een vakantieregeling vaststelt, adviseert de raad een maximale aaneengesloten verblijfsduur bij de vader van vijf dagen, vier nachten.

De beoordeling

De zorgregeling

5.6

Met grief I komt de moeder op tegen de afwijzing van haar vordering in conventie tot wijziging (inperking) van de zorgregeling. Ook vordert de moeder een bepaalde wijze van overdracht van [minderjarige 1] te bepalen.

Het hof ziet, net zoals de voorzieningenrechter, onvoldoende aanleiding de bestaande zorgregeling te wijzigen. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende aannemelijk geworden dat een beperking van de zorgregeling met de vader zal leiden tot een vermindering van de door de moeder gestelde klachten van [minderjarige 1] . Daarbij weegt het hof mee dat een wijziging van een bestaande (voorlopige) zorgregeling in kort geding slechts aangewezen is indien voldoende aannemelijk is dat de huidige regeling niet langer in het belang van het kind wenselijk is.

Uit het triageverslag van de huisartsenpost van 30 maart 2026 blijkt dat de huisarts op dit moment geen medische reden tot zorg heeft. Uit het verslag van 9 juni 2026 van het op 2 juni 2026 bij het AUMC verrichte onderzoek volgt dat er geen aanknopingspunten zijn die wijzen in de richting van door [minderjarige 1] doorgemaakt seksueel misbruik . Ook uit de observatie van [minderjarige 1] door een GZ-psycholoog kwamen geen aanknopingspunten van seksueel misbruik naar voren. Uit het top-tot-teen onderzoek bleek een aantal oppervlakkige huidbeschadigingen, maar deze zouden passend zijn als gevolg van normale motorische- en speelactiviteiten. Uit de overgelegde medische informatie is het hof niet gebleken van een direct verband tussen de huidige zorgregeling en de door de moeder gestelde spanningsklachten bij [minderjarige 1] . Het hof neemt in de beoordeling mee dat op korte termijn (25 augustus 2026) een mondelinge behandeling in de bodemprocedure zal plaatsvinden waarbij de zorgregeling integraal zal worden beoordeeld. De raad start spoedig met een beschermingsonderzoek binnen het gezin en is van plan het rapport voor de zitting in de bodemprocedure over te leggen. Tegen die achtergrond bestaat in dit kort geding slechts aanleiding voor het inperken van de zorgregeling indien een onmiddellijke wijziging wenselijk is in het belang van [minderjarige 1] , zonder dat de beslissing in de bodemprocedure kan worden afgewacht. Van een dergelijke situatie is op basis van het voorgaande onvoldoende gebleken.

5.7

Net zoals de raad ziet het hof de sleutel voor het verminderen van de spanningen bij [minderjarige 1] vooral bij de ouders gelegen. Van hen mag worden verwacht dat zij zich inspannen om hun opvoeding en dagelijkse routines zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen zodat het voor [minderjarige 1] minder energie kost om te schakelen tussen beide opvoedsituaties. Ook dienen de ouders beiden naar [minderjarige 1] uit te dragen dat het voor haar goed en veilig is om bij de andere ouder te verblijven. Dit zal kunnen bijdragen aan meer voorspelbaarheid en rust voor [minderjarige 1] .

5.8

Het hof ziet evenmin aanleiding de wijze van overdracht van [minderjarige 1] nader voor te schrijven. De vordering van de moeder om te bepalen dat [minderjarige 1] de gelegenheid krijgt door middel van een bepaald ritueel afscheid te nemen van de moeder, wordt afgewezen. Dit betekent dat de overdracht bij de buitendeur van het flatgebouw van de moeder zal zijn. Daarbij merkt het hof op dat het partijen vrijstaat hierover in onderling overleg andere afspraken te maken, bijvoorbeeld in het geval de overdracht van [minderjarige 1] weer via het kinderdagverblijf zal plaatsvinden.

5.9

Het voorgaande houdt in dat grief I faalt. De onder III in principaal hoger beroep door de moeder gevorderde voorzieningen worden afgewezen en het bestreden vonnis in zoverre bekrachtigd.

De informatieverstrekking

5.10

Met grief II komt de moeder op tegen de afwijzing van haar vordering om de vader te verplichten meer informatie te verstrekken over de personen bij wie [minderjarige 1] verblijft en de plaats waar zij verblijft gedurende de zorgmomenten bij de vader.

5.11

Het hof ziet geen aanleiding de bestaande informatieverplichting uit te breiden. Een informatieregeling heeft tot doel de andere ouder op de hoogte te houden van relevante ontwikkelingen omtrent het kind. Een informatieregeling is niet bedoeld om een ouder in staat te stellen toezicht te houden op de wijze waarop de andere ouder invulling geeft aan zijn/haar tijd met het kind. Het hof acht geen grond aanwezig de vader te verplichten de door de moeder verlangde aanvullende informatie te verstrekken. Met de betrokken jeugdbescherming is afgesproken dat de informatievoorziening tussen de ouders een beknopt bericht dient te zijn met relevante en/of belangrijke informatie aangaande [minderjarige 1] . De betrokken jeugdbeschermer leest mee met de overdrachtsmails van de ouders en niet is gebleken dat de vader tekortschiet in zijn informatievoorziening over [minderjarige 1] aan de moeder.

Het voorgaande houdt in dat grief II van de moeder faalt. De onder I in principaal hoger beroep gevorderde voorziening door de moeder, voor zover deze betrekking heeft op de informatieverstrekking, wordt afgewezen en het bestreden vonnis wordt in zoverre bekrachtigd.

5.12

Het hof onderschrijft wel het advies van de raad aan de ouders om elkaar meer te informeren over de dagelijkse routines van [minderjarige 1] . Zo kunnen de ouders de opvoedsituaties en dagelijkse routines bij hen thuis zoveel mogelijk, dan wel meer op elkaar afstemmen. Hierdoor zal [minderjarige 1] meer voorspelbaarheid ervaren wanneer zij van de ene ouder naar de andere ouder gaat. Dit kan ook bijdragen aan het verminderen van de door de moeder gestelde spanningsklachten van [minderjarige 1] . Een daartoe strekkende vordering ontbreekt echter.

De vakantieregeling.

5.13

Met grief III komt de moeder op tegen de door de voorzieningenrechter vastgestelde regeling voor de zomervakantie in 2026. Zij vordert het bestreden vonnis op dit punt te vernietigen en, zo begrijpt het hof, geen vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen.

5.14

Het hof volgt ten aanzien van de vakantieregeling het advies van de raad. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige 1] en de omstandigheid dat zij tot op heden niet langer dan drie nachten aaneengesloten bij de vader heeft verbleven, acht het hof een verblijf van twee aaneengesloten weken bij de vader een te grote stap voor haar. Ook is ter zitting in hoger beroep gebleken dat [minderjarige 1] gedurende haar verblijf bij de ene ouder geen contact heeft met de andere ouder, omdat de ouders dit niet voor haar faciliteren. Het hof zal daarom bepalen dat [minderjarige 1] tijdens de zomervakantie van 2026 voor vijf aaneengesloten dagen en vier nachten bij de vader zal verblijven. Daarna zal de reguliere zorgregeling weer doorlopen. Met deze vakantieregeling wordt enerzijds recht gedaan aan het belang van de vader (en [minderjarige 1] ) om gedurende de vakantie wat meer tijd met elkaar door te brengen, terwijl anderzijds wordt voorkomen dat voor [minderjarige 1] een te grote overgang ontstaat en zij twee weken geen contact heeft met de moeder, haar primaire verzorgster.

5.15

In zoverre slaagt grief III. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover daarin een vakantieregeling voor de zomervakantie van 2026 is vastgesteld en zal, opnieuw rechtdoende, de hiervoor opgenomen vakantieregeling bepalen.

De proceskosten

5.16

De moeder vordert onder I en IV de vader te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep. De vader voert verweer.

5.17

Het hof ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat in zaken van familierechtelijke aard de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

De door de moeder onder I en IV in principaal hoger beroep gevorderde proceskostenveroordeling wordt afgewezen en het bestreden vonnis in zoverre bekrachtigd.

In incidenteel appel

Aanvang en einde van de vakanties

5.18

De vader vordert in incidenteel appel te bepalen dat ten aanzien van de vakanties wordt aangesloten bij de vakantieplanning van regio Noord, waarbij de vakanties aanvangen op vrijdag om 17.00 uur en eindigen, afhankelijk van de duur van de vakantie, op vrijdag om 17.00 uur. De vader acht dit wenselijk zodat hierover duidelijkheid bestaat zodat enig conflict tussen de ouders kan worden voorkomen.

De moeder voert verweer, omdat zij van mening is dat de vordering van de vader met betrekking tot de zomervakantie überhaupt moet worden afgewezen.

5.19

Zoals hiervoor onder 5.14 is overwogen zal het hof een regeling vaststellen voor de zomervakantie van 2026, zij het beperkter dan de regeling die de voorzieningenrechter had bepaald. De moeder heeft tegen de vordering van de vader over aanvang en einde van de vakanties geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het hof acht het in het belang van [minderjarige 1] dat tussen partijen duidelijkheid bestaat over het begin- en eindmoment van de vakantie. Een koppeling aan het begin- en eindmoment van de vakantieplanning van regio Noord voorkomt eventuele nieuwe geschillen tussen de ouders.

Omdat de vader zijn vordering ten aanzien van toekomstige vakanties heeft ingetrokken, wijst het hof het door de vader onder I in incidenteel appel gevorderde toe voor zover deze de zomervakantie in 2026 betreft. Het incidentele hoger beroep slaagt in zoverre. Het voorgaande houdt in dat de zomervakantie in 2026 voor [minderjarige 1] aanvangt op vrijdag 3 juli om 17.00 uur.

In principaal en incidenteel appel

5.20

Uit het voorgaande volgt dat de concrete invulling van de zomervakantie van 2026 als volgt is. De zomervakantie in regio Noord vangt aan in een oneven week, op vrijdag 3 juli 2026. Dit betekent dat [minderjarige 1] volgens de hiervoor in 5.14 vastgestelde vakantieregeling van vrijdag 3 juli 2026 17.00 uur tot dinsdag 7 juli 2026 17.00 uur bij de vader verblijft. Omdat is bepaald dat [minderjarige 1] voorlopig maximaal vijf dagen achtereen bij de vader zal verblijven, vervalt in week 28 van 2026 eenmalig de reguliere zorgregeling op dinsdag 7 juli 2026 tot woensdag 8 juli 2026 9.00 uur bij de vader. Vanaf dinsdag 7 juli 2026 17.00 uur verblijft [minderjarige 1] bij de moeder, waarna [minderjarige 1] volgens de reguliere zorgregeling op dinsdag 14 juli 2026 weer naar de vader gaat.

Dwangsom

5.21

De vader vordert in incidenteel appel onder III de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom te verhogen naar € 500, - per keer dat de moeder weigert, nalaat of in gebreke blijft de verdeling van de (school)vakanties en feestdagen na te komen, met een maximum van € 50.000, -.

De moeder voert verweer en heeft in principaal appel gevorderd dat de vorderingen van de vader in eerste aanleg in reconventie alsnog worden afgewezen, naar het hof begrijpt met inbegrip van de door de voorzieningenrechter opgelegde dwangsom. De moeder stelt (in incidenteel appel) dat het opleggen van dwangsommen de spanningen tussen de ouders vergroten en daarmee contraproductief werkt.

5.22

Het hof ziet geen aanleiding om verandering te brengen in de opgelegde dwangsom. De hoogte van de door de voorzieningenrechter bepaalde dwangsom van € 100, - per dag, met een maximum van € 5.000, -, vormt naar het oordeel van het hof een voldoende, maar ook noodzakelijke financiële prikkel tot nakoming van de vakantieregeling door de moeder. Het hof zal daarom aan de in 5.14 bepaalde vakantieregeling voor 2026 dezelfde (hoogte van de) dwangsom verbinden. De vordering onder III in incidenteel appel van de vader wordt afgewezen.

In incidenteel appel

De proceskosten

5.23

In zijn derde grief in incidenteel appel stelt de vader dat een kostenveroordeling van de moeder op zijn plaats is, te weten dat zij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter en in hoger beroep. Zoals in principaal appel in 5.17 is overwogen zal het hof de proceskosten, gelet op de familierechtelijke aard, tussen partijen compenseren. Grief III van de vader in incidenteel hoger beroep faalt.

Slotsom in principaal en incidenteel hoger beroep

5.24

De slotsom is dat het principaal hoger beroep van de moeder slechts gedeeltelijk slaagt. Grief III slaagt voor zover deze betrekking heeft op de duur van het aaneengesloten verblijf van [minderjarige 1] bij de vader gedurende de zomervakantie van 2026. Voor het overige falen de grieven van de moeder en wijst het hof haar vorderingen in principaal hoger beroep af.

5.25

Het incidenteel hoger beroep slaagt voor zover de vader heeft gevorderd te bepalen dat de zomervakantie van 2026 aanvangt op vrijdag om 17.00 uur. De vordering betreffende de verdeling van de toekomstige vakantie- en feestdagen is door de vader ingetrokken. Voor het overige faalt het incidenteel hoger beroep.

5.26

Al het voorgaande leidt ertoe dat het bestreden vonnis uitsluitend wordt vernietigd voor zover daarbij de vakantieregeling voor de zomervakantie van 2026 is vastgesteld en de daaraan verbonden dwangsom. Opnieuw rechtdoende zal het hof bepalen dat het verblijf van [minderjarige 1] bij de vader in de zomervakantie van 2026 aanvangt op vrijdag 3 juli 2026 om 17.00 uur, met oplegging van een dwangsom van de moeder aan de vader van € 100,- voor elke dag dat zij hier niet aan voldoet, tot een maximum van € 5.000,-.

De beslissing van de voorzieningenrechter omtrent de proceskosten in eerste aanleg blijft in stand. Voor het overige wordt het bestreden vonnis bekrachtigd. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

Beslissing

6
Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep:

6.1

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van

23 maart 2026, voor zover daarin een vakantieregeling voor de zomervakantie van 2026 is vastgesteld en daaraan een dwangsom is verbonden, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

6.2

bepaalt dat [minderjarige 1] gedurende de zomervakantie van 2026 vijf aaneengesloten dagen en vier nachten bij de vader verblijft, van vrijdag 3 juli 2026 17.00 uur tot dinsdag 7 juli 2026

17.00

uur;

6.3

veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 100,- voor elke dag dat zij niet aan het onder 6.2 bepaalde voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;

6.4

bepaalt dat gedurende de zomervakantie de reguliere zorgregeling voor het overige van kracht blijft, met uitzondering van week 28 van 2026;

6.5

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.6

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

6.7

wijst af het meer of anders gevorderde;

6.8

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. van Baardewijk, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.W. Brunt, in aanwezigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 2 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Dit arrest vormt de schriftelijke uitwerking van het reeds op 2 juli 2026 mondeling uitgesproken arrest en is 16 juli 2026 aldus vastgesteld door voornoemde raadsheren en ondertekend door de voorzitter.