GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.363.067/01
zaaknummer rechtbank: C/13/771608 / FA RK 25-4846
beschikking van de meervoudige kamer van 18 augustus 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M.M.C. Wingen te Heemstede,
[de moeder] ,
wonende op een bij het gerechtshof bekend adres,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. L. de Roode te Leiderdorp.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.
2
De procedure in hoger beroep
2.1
De vader is op 24 december 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 17 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 14 april 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De vader heeft op 20 mei 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 22 juni 2026 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 29 juni 2026 met bijlagen.
2.5
De oudste raadsheer heeft voorafgaand aan de zitting, te weten op 8 juli 2026, met [minderjarige 1] gesproken. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergeven. Verder heeft de voorzitter ter zitting vermeld dat de oudste raadsheer [minderjarige 2] op de dag van het kindgesprek heeft gezien. Op de vraag of zij ook met de oudste raadsheer in gesprek wilde gaan, heeft [minderjarige 2] aangegeven dit niet te willen.
2.6
De zitting heeft op 9 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de advocaat van de moeder;
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.
De moeder is niet in persoon ter zitting verschenen, zij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar advocaat.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
3.1
Uit het huwelijk van de moeder en de vader (hierna ook: de ouders) zijn geboren:
- [minderjarige 1] , [in] 2009 te [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , [in] 2013 te [plaats A] .
Het huwelijk van de ouders is op 25 mei 2021 door inschrijving van de echtscheiding ontbonden. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna ook: de kinderen). De kinderen verblijven bij de moeder.
3.2
[minderjarige 2] is geboren met een lichamelijke en verstandelijke beperking.
3.3
Na de echtscheiding van de ouders heeft er nauwelijks contact meer plaatsgevonden tussen de vader en de kinderen.
3.4
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank van 10 september 2020 is onder meer bepaald dat de vader eenmaal per twee weken een videobelmoment met de kinderen heeft.
3.5
Bij beschikking van 2 september 2021 zijn de kinderen onder toezicht van de William Schrikker Stichting (hierna: de GI) gesteld. Dit hof heeft op 21 december 2021 deze beslissing van de kinderrechter bekrachtigd. De kinderrechter heeft in een beschikking van 4 november 2022 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 23 september 2023. In diezelfde beschikking is het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag over de kinderen afgewezen, het verzoek van de vader om omgang met [minderjarige 1] afgewezen en is ten aanzien van [minderjarige 2] een opbouwende contactregeling bepaald met bepaling dat de regievoering over deze omgang voor de duur van de ondertoezichtstelling bij de GI zal liggen. Dit hof heeft op 25 juli 2023 de beschikking van de kinderrechter tot verlenging van de ondertoezichtstelling vernietigd voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling vanaf 25 juli 2023. Ten aanzien van de omgang heeft dit hof in de beschikking van 25 juli 2023 bepaald dat de vader eenmaal per twee weken een belmoment met [minderjarige 2] heeft op een door de moeder en de vader in overleg te bepalen moment, waarbij dit in eerste instantie zonder beeld zal zijn en vervolgens ook met beeld, op geleide van de mogelijkheden van [minderjarige 2] en in onderling overleg tussen de ouders en zo nodig met hulp van Levvel.
4
De omvang van het hoger beroep
4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover van belang, het inleidende verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorgregeling tussen hem en de kinderen en de benoeming van een bijzondere curator afgewezen.
In principaal hoger beroep
4.2
De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen – naar het hof begrijpt: – voor zover de rechtbank zijn inleidende verzoek tot vaststelling van een zorgregeling heeft afgewezen en primair te bepalen dat de zorgregeling wordt gewijzigd als volgt:
ten aanzien van [minderjarige 2] :
- dat hij om de week op zaterdag één uur met [minderjarige 2] doorbrengt voor de duur van drie maanden;
- na drie maanden 2 uur; en
- na zes maanden 3 uur,
waarbij de omgang begeleid plaatsvindt onder regie van een professionele instantie, die bij voorkeur ervaring heeft met kinderen met een licht verstandelijke beperking, dan wel onder regie van een kinderpsycholoog of -therapeut, dan wel een door het hof in goede justitie aan te wijzen persoon of instantie;
ten aanzien van [minderjarige 1] :
- dat hij om de week op zaterdag één uur met [minderjarige 1] doorbrengt voor de duur van drie maanden;
- dat [minderjarige 1] zélf aangeeft of en hoe hij de frequentie en duur wil uitbreiden, waarbij de omgang begeleid plaatsvindt onder regie van een professionele instantie, psycholoog, vertrouwenspersoon, dan wel een door het hof in goede justitie aan te wijzen persoon of instantie,
en te bepalen dat de moeder een dwangsom verbeurt van € 400,- per keer dat zij niet meewerkt aan de uitvoering van de vastgelegde contacturen.
Subsidiair verzoekt de vader een bijzonder curator te benoemen op grond van artikel 1:250 BW.
4.3
De moeder verzoekt de bestreden beschikking (in zoverre) te bekrachtigen en de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen.
In incidenteel hoger beroep
4.4
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen – naar het hof begrijpt: – voor zover de rechtbank haar inleidende verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders heeft afgewezen en haar inleidende verzoek alsnog toe te wijzen.
4.5
De vader verzoekt de bestreden beschikking (in zoverre) te bekrachtigen en het verzoek van de moeder in incidenteel hoger beroep af te wijzen althans de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek in incidenteel hoger beroep.
Beslissing
5
De motivering van de beslissing
5.1
Het hof zal eerst beoordelen of de beslissing van de rechtbank om het gezamenlijk gezag van de ouders in stand te laten op goede gronden berust. Daarna zal het hof beoordelen of het in het belang van de kinderen is om een zorgregeling tussen hen en de vader vast te stellen.
5.2
Uit artikel 1:251a, eerste en tweede lid, BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen kan bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3
De moeder stelt – kort samengevat – dat de rechtbank ten onrechte haar inleidende verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders heeft afgewezen.
5.4
De vader voert – kort samengevat – aan dat de beslissing van de rechtbank om het gezamenlijk gezag in stand te laten op goede gronden berust. Er zijn geen feiten of omstandigheden waaruit geconcludeerd kan worden dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen beide ouders, dan wel dat een wijziging van het gezag in het belang van de kinderen is.
5.5
De raad heeft zich ter zitting in hoger beroep onthouden van een advies ten aanzien van het gezag. De raad ziet zowel bij voortzetting van het gezamenlijk gezag als bij toekenning van eenhoofdig gezag aandachtspunten en acht zich onvoldoende in staat om daarover een advies te geven.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof zal het verzoek met betrekking tot het gezag ten aanzien van beide kinderen afzonderlijk beoordelen.
5.7
Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt het hof als volgt. [minderjarige 2] heeft na de scheiding van de ouders in 2021 bij de moeder gewoond en sindsdien heeft er niet tot nauwelijks contact tussen [minderjarige 2] en de vader plaatsgevonden. Hierdoor is de moeder feitelijk al langere tijd de enige opvoeder van [minderjarige 2] . Hoewel het hof aannemelijk acht dat [minderjarige 2] zich in een loyaliteitsconflict bevindt en mogelijk tussen haar ouders klem en verloren is geraakt, is het hof toch van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 2] is dat de ouders het gezag over haar gezamenlijk blijven uitoefenen. Hierbij weegt voor het hof mee dat [minderjarige 2] een lichamelijke beperking heeft, waardoor regelmatig ingrijpende beslissingen over haar gezondheid en behandeling moeten worden genomen. Gebleken is dat de ouders, met name ten aanzien van een eventuele operatie van [minderjarige 2] , niet altijd dezelfde visie hebben. Juist gelet op de verstrekkende gevolgen van dergelijke medische beslissingen acht het hof het van belang dat beide ouders daarbij betrokken blijven en hun standpunten kunnen inbrengen. Dat de ouders het niet altijd met elkaar eens zijn, maakt op zichzelf nog niet dat het gezamenlijk gezag niet langer in het belang van de [minderjarige 2] is. De praktische problemen die de moeder heeft gesteld ten aanzien van de gezamenlijke uitoefening van het gezag maken niet dat sprake is van een situatie waarin wijziging van het gezag noodzakelijk is. Naar het oordeel van het hof is weliswaar duidelijk dat sommige beslissingen betreffende [minderjarige 2] moeilijker zijn gegaan dan voor de scheiding en dat die beslissingen spanningen oproepen bij de moeder, maar de moeder heeft onvoldoende aangetoond dat de vader zijn gezag zodanig uitoefent dat daar voor [minderjarige 2] nadeel uit voortvloeit. Voortzetting van het gezamenlijk gezag zal de ontstane situatie naar het oordeel van het hof niet verergeren. Beëindiging van het gezamenlijk gezag brengt daarentegen in de huidige situatie, waarin [minderjarige 2] al geruime tijd geen contact heeft met de vader, een onaanvaardbaar risico met zich mee dat de vader geheel uit het leven van [minderjarige 2] zal worden geweerd. Daarbij komt dat het gezag voor de vader een belangrijk middel is om rechtstreeks (medische) informatie te verkrijgen van de medische instanties en andere hulpverleningsinstanties rondom [minderjarige 2] . Gelet op het voorgaande is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat door de moeder niet aannemelijk is gemaakt dat wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige 2] noodzakelijk is. Dit maakt dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen.
5.8
Ten aanzien van [minderjarige 1] overweegt het hof als volgt. [minderjarige 1] heeft een leeftijd waarbij wat hij belangrijk vindt zwaar weegt en hij heeft meerdere malen aangegeven dat hij niet wil dat de vader mede het gezag over hem heeft. Hoewel niet is gebleken dat de vader belangrijke beslissingen heeft tegengehouden, vindt het hof het in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk dat de vader niet langer het gezag over hem uitoefent. [minderjarige 1] heeft inmiddels de middelbare school afgerond en zal een vervolgopleiding gaan volgen, waartoe gezagsbeslissingen moeten worden genomen en ook praktische zaken moeten worden geregeld, waarvoor mogelijk toestemming van de vader met gezag nodig is. [minderjarige 1] heeft belang bij rust, en de noodzaak om de vader bij beslissingen om toestemming te vragen en zijn reactie af te wachten zal naar verwachting bij hem bovenmatig onrust veroorzaken, hetgeen het hof niet in zijn belang vindt. Gelet op het voorgaande zal het hof het inleidende verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige 1] alsnog toewijzen en bepalen dat de moeder voortaan, dat wil zeggen de korte nog resterende periode totdat [minderjarige 1] achttien jaar wordt, het gezag over [minderjarige 1] alleen uitoefent. Dit maakt dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal vernietigen.
5.9
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan, voor zover hier van belang, omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
5.10
Uit artikel 1:250, eerste lid, BW volgt dat, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen in strijd zijn met die van die minderjarige, de rechter, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende een bijzondere curator kan benoemen om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.
5.11
De vader stelt – kort samengevat – dat de rechtbank ten onrechte geen zorgregeling heeft vastgesteld tussen hem en de kinderen. Er heeft al jaren geen fysiek contact plaatsgevonden tussen de kinderen en de vader, terwijl er geen concrete redenen zijn die dat onmogelijk maken. Het is in het belang van de kinderen dat zij een band kunnen opbouwen met hun vader. De vader verwijst naar het rapport van 31 mei 2021 van de door de rechtbank bij beschikking van 14 april 2021 tot bijzondere curator benoemde [curator] , klinisch psycholoog, psychotherapeut, GZ-psycholoog en MfN registermediator. De vader stelt dat het gedrag van de moeder de verwijdering tussen hem en de kinderen heeft veroorzaakt, terwijl de kinderen volgens het rapport van de toen benoemde bijzondere curator hun vader juist wel wilden zien.
5.12
De moeder voert – kort samengevat – aan dat de beslissing van de rechtbank om geen zorgregeling vast te stellen op goede gronden berust. De kinderen blijven aangeven dat zij nog steeds geen contact willen met de vader. De moeder merkt dat de kinderen veel last hebben van de huidige situatie en dat zij veel stress ervaren van de procedures rondom het contact met de vader.
5.13
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om geen zorgregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen. Volgens de raad is al langere tijd bekend dat contact tussen de vader en de kinderen op dit moment niet mogelijk is. Ten aanzien van [minderjarige 2] heeft de raad gewezen op haar fysieke beperkingen en de aanwezig trauma’s als gevolg van de gebeurtenissen uit het verleden. Hoewel het ontbreken van contact met de vader een ontwikkelingsbedreiging vormt, vraagt contact op dit moment te veel van [minderjarige 2] waardoor contactherstel met de vader op dit moment niet in haar belang is. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de vader heeft de raad aangegeven niet te verwachten dat de benoeming van een bijzondere curator tot een andere uitkomst zal leiden, nu de standpunten van de ouders bekend zijn en al veel informatie over [minderjarige 2] beschikbaar is. De raad acht het verder van belang om de door de GZ-psycholoog gerapporteerde uitingen van [minderjarige 2] serieus te nemen. Ten aanzien van [minderjarige 1] heeft de raad erop gewezen dat hij duidelijk heeft aangegeven geen contact te willen met de vader. Gelet op zijn leeftijd dient zijn mening zwaar te wegen en is het afdwingen van contact met de vader niet in zijn belang.
De beoordeling door het hof
5.14
Aan het hof ligt de vraag voor of een zorgregeling moet worden vastgesteld tussen de kinderen en de vader. Het hof acht zich op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Het hof volgt de vader niet in zijn standpunt dat een nader onderzoek (door de raad of anderszins) nodig zou zijn.
5.15
Het hof stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat de vader recht op omgang heeft met de kinderen. Het kan echter voorkomen dat een situatie bestaat waarin het niet (langer) in het belang is van een kind om omgang te hebben en ook niet om pogingen te doen tot contactherstel. Het hof is van oordeel dat van een dergelijke situatie in deze zaak sprake is en dat het vaststellen van een zorgregeling tussen de vader en kinderen op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
Het hof constateert dat bij de kinderen te weinig draagvlak aanwezig is voor contact met de vader. De kinderen hebben na de scheiding van de ouders in 2021 bij de moeder gewoond en sindsdien heeft er niet tot nauwelijks contact tussen de kinderen en de vader plaatsgevonden. De ouders verschillen van mening over de reden van het uitblijven van contact. De moeder meent dat er een belemmering is bij de kinderen zelf, waar de vader dit wijt aan de opstelling van de moeder. Volgens hem heeft de moeder ervoor gezorgd dat de kinderen een negatief beeld hebben van de vader en geen contact met hem willen. Wat er van dit laatste ook zij, het beroep van de vader op de vermelding in het rapport van de bijzondere curator Van [curator] dat de kinderen wel contact zouden willen dateert van 2021 en inmiddels is er al jaren geen contact geweest tussen de kinderen en de vader. Verder staat voor het hof vast dat de kinderen op dit moment zeer afwijzend staan tegenover contact met de vader. [minderjarige 1] heeft herhaaldelijk aan de verschillende betrokken hulpverleningsinstanties en aan het hof tijdens het kindgesprek laten weten dat hij op dit moment geen contact wil met de vader. Hij voelt weerstand tegen contact met de vader en heeft daaraan geen enkele behoefte, zo heeft hij verklaard. Gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] – die over een aantal maanden achttien jaar wordt – vindt het hof de wensen van [minderjarige 1] ten aanzien van het contact tussen hem en de vader van doorslaggevend belang. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] zijn leven kan voortzetten zonder de spanningen die in dit geval een opgelegde zorgregeling met zich mee zouden brengen.
5.16
Ten aanzien van [minderjarige 2] overweegt het hof dat uit de tussentijdse evaluatie van Leonie Verhulst, GZ-psycholoog/orthopedagoog-Generalist, van 31 maart 2026 is gebleken dat [minderjarige 2] met woorden en lichaamstaal meer heeft verteld over herinneringen en ervaringen van ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden. De GZ-psycholoog heeft sommige gebeurtenissen gekwalificeerd als trauma’s omdat deze gebeurtenissen bij [minderjarige 2] tot spanning en stress leiden. Door middel van EMDR-behandeling is een start gemaakt met de verwerking van deze trauma’s. In het kader van deze behandeling is ook het contact met de vader aan de orde gekomen. [minderjarige 2] heeft in dat kader duidelijk aangegeven geen contact met de vader te willen. Het hof stelt vast dat eerdere pogingen om het contact tussen de vader en [minderjarige 2] in de vorm van videobelmomenten te laten plaatsvinden – na de beschikking van dit hof van 25 juli 2023 – bij [minderjarige 2] heftige lichamelijke reacties hebben opgeroepen. [minderjarige 2] verzette zich tegen het contact en liet een heftige lichamelijke reactie zien op de momenten dat het contact zou plaatsvinden. Naar het oordeel van het hof is deze (lichamelijke) reactie kenmerkend voor de emotionele belasting die het contact met de vader bij [minderjarige 2] oproept. De EMDR-behandeling is op dit moment tijdelijk onderbroken vanwege overbelasting van [minderjarige 2] . De verwachting is dat deze behandeling op een later moment zal worden hervat zodra haar belastbaarheid dit toelaat. Het hof acht het van belang dat [minderjarige 2] eerst de ruimte krijgt om haar traumaverwerking voort te zetten, zonder dat zij wordt belast met de spanningen die een opgelegde zorgregeling met zich mee zouden brengen.
5.17
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het opleggen van een zorgregeling met de vader op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen. Het dwingen van de kinderen tot het hebben van (begeleid contact) met de vader zal naar verwachting enkel een averechts effect hebben. Aannemelijk is dat dit grote spanningen bij de kinderen zal veroorzaken. Contact tussen de kinderen en de vader is pas mogelijk als de kinderen daaraan toe zijn. Anders dan de vader meent, is nader onderzoek door de raad of benoeming van een bijzondere curator niet het middel om contact te bewerkstelligen omdat de kinderen ook dit als een vorm van dwang zullen ervaren. Het hof zal het verzoek van de vader om een zorgregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen en het subsidiaire verzoek om benoeming van een bijzondere curator dan ook afwijzen en de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen. Dit neemt niet weg dat het de kinderen altijd vrij staat om op enig moment in hun leven op eigen initiatief contact op te nemen met de vader.
5.18
Nu het hof geen zorgregeling zal vaststellen tussen de vader en de kinderen zal het verzoek van de vader tot oplegging van een dwangsom worden afgewezen.
5.19
Dit leidt tot de volgende beslissing.
vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover de rechtbank het inleidende verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige 1] heeft afgewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst het inleidende verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige 1] alsnog toe en bepaalt dat de moeder het gezag over [minderjarige 1] voortaan alleen uitoefent;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;
draagt de griffier op krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.F. Miedema en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hermans als griffier en is op 18 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.