GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.588/01
zaaknummer rechtbank: C/15/362276/FARK 25-918
beschikking van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. L.T.C.M. Geurts te Den Haag,
Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] ,
- [de vader] , hierna: de vader; advocaat mr. M. Heimensem te Hoorn heeft zich voor de vader gesteld op 31 december 2025.
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats B ] , gevestigd te [plaats B ] , hierna:de GI.
Het hof heeft als informant aangemerkt:
- de Stichting [X] te [plaats E] , hierna: [X] .
2
De procedure in hoger beroep
2.1
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) heeft in haar beschikking van 24 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) het ouderlijk gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en de GI belast met de voogdij.
2.2
De moeder is op 7 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de bestreden beschikking.
2.3
De raad heeft op 17 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 6 augustus 2025, met bijlagen,
- een bericht van de zijde van moeder van7 augustus 2025, met bijlage, en
- een bericht van de GI van 2 december 2025, met bijlagen.
2.5
De vader is niet in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en er is van zijn zijde geen verweerschrift ingediend. O p 31 december 2025 heeft zijn advocaat zich voor hem gesteld.
2.6
Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
2.7
De zitting heeft op 11 december 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder,
- de vader,
- twee vertegenwoordigers van de GI,
- de raad, vertegenwoordigd door S. Molenaar.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
2.8
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een verzoek tot aanhouding van de mondelinge behandeling gedaan in verband met de afwezigheid van de moeder. Het hof heeft, na kort beraad in raadkamer, dit verzoek afgewezen.
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [plaats C] ,
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 te [plaats C] ,
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2018 te [plaats D] .
De moeder en [de vader] hebben een affectieve relatie gehad. Tot aan de bestreden beschikking oefenden de moeder en [de vader] gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
3.2
Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter) van 28 april 2022 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI.
Bij beschikking van 21 november 2022 heeft de kinderrechter ten aanzien van de kinderen een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Beide maatregelen zijn sindsdien telkens verlengd, voor het laatst bij beschikking van 24 april 2024 tot 28 april 2025. Eerder hebben de kinderen van 20 juli 2018 tot 20 januari 2021 onder toezicht gestaan van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.
3.3
Sinds 21 november 2022 verblijven de kinderen bij [X] in [plaats E] .
3.4
Uit de affectieve relatie van de moeder en [naam] (hierna: [naam] ) zijn geboren:
- de minderjarige [minderjarige 4] , geboren [in] 2021 te [plaats D] (hierna: [minderjarige 4] );
- de minderjarige [minderjarige 5] , geboren [in] 2024 te [plaats A] (hierna: [minderjarige 5] ).
[minderjarige 4] staat ook sinds 28 april 2022 onder toezicht van de GI en hij verblijft eveneens sinds 21 november 2022 in het gezinshuis [X] .
De rechtbank heeft het gezag van de moeder over [minderjarige 4] bij afzonderlijke beschikking van 24 april 2025 beëindigd. Tegen die beslissing heeft de moeder eveneens hoger beroep ingesteld. Die zaak is bij het hof bekend onder zaaknummer 200.356.577/01. Het hof doet in beide zaken gelijktijdig uitspraak.
4
De omvang van het hoger beroep
4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en dat de GI tot voogd over de kinderen wordt benoemd.
4.2
De moeder verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, dat het verzoek tot beëindiging van haar gezag alsnog wordt afgewezen.
Beslissing
5
De motivering van de beslissing
5.1
Het hof heeft het ter terechtzitting gedane verzoek tot aanhouding afgewezen. Het is in het belang van de kinderen dat zij niet langer dan nodig in onzekerheid en spanning hoeven zitten over de uitkomst van deze procedure. De moeder was volgens haar advocaat (die telefonisch contact met haar had voor de aanvang van de zitting) op de hoogte van de zitting en op weg daarheen. Er zouden problemen zijn met het openbaar vervoer waardoor zij later zou arriveren, maar zij heeft niet aangegeven hoe laat dan wel. Vervolgens is zij – zonder verder bericht - niet verschenen, terwijl het hof uit informatie uit openbare bronnen niet is gebleken dat er op het traject [plaats A] - [plaats B ] problemen waren met het openbaar vervoer.
5.2
Uit artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.3
De moeder vindt dat haar gezag ten onrechte is beëindigd en voert daartoe het volgende aan. De beëindiging van het gezag is in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel de moeder het liefst zou zien dat de kinderen met intensieve begeleiding bij haar worden teruggeplaatst, heeft zij zich neergelegd bij de uithuisplaatsing. De moeder werkt samen met de GI en geeft de benodigde toestemmingen, zodat beëindiging van haar gezag niet noodzakelijk is. Een lichter alternatief zoals een ondertoezichtstelling in combinatie met een uithuisplaatsing moet ingezet worden. Het opvoedperspectief kan in de toekomst met de juiste hulp en begeleiding wel weer bij de moeder komen te liggen. De aanvaardbare termijn is volgens de moeder nog niet overschreden, omdat zij tot nu toe niet de juiste hulp en mogelijkheden heeft gehad om te laten zien dat zij de opvoeding wel degelijk aankan. De moeder betwist dat zij niet goed kan aansluiten bij de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat de moeder het gezag behoudt en dit belang weegt zwaarder dan de belasting van de jaarlijkse verlenging van de maatregelen. Verder heeft de moeder op dit moment contact met het Regionaal Expertise Team (RET) voor hulp en deze hulp kan ook voor de kinderen worden ingezet.
5.4
De raad voert aan dat de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk en in het belang van de kinderen is en dat zowel aan het wettelijk criterium als aan de eisen van het EVRM wordt voldaan. De kinderen hebben veel meegemaakt thuis. Zij zijn getuige geweest van huiselijk geweld en agressieve ruzies tussen de ouders, waardoor zij zowel fysiek als mentaal beschadigd zijn geraakt en zeer zorgelijk gedrag laten zien. Er zijn grote zorgen over de hechtingsmogelijkheden van de kinderen. De kinderen laten na de omgangsmomenten met hun ouders nog wekenlang problematisch gedrag zien. Ook tijdens de omgangsmomenten is sprake geweest van agressie tussen de ouders. Het lukt de moeder niet om keuzes te maken in het belang van de kinderen en zij ziet onvoldoende in welke negatieve impact de thuissituatie op hen heeft gehad. De moeder heeft eerder gestarte hulpverlening stopgezet. Op dit moment is in de thuissituatie van de moeder nog steeds sprake van huiselijk geweld. Het perspectief van de kinderen ligt niet meer bij de moeder. De moeder is niet in staat gebleken om binnen een aanvaardbare termijn een gezond opvoedklimaat voor de kinderen te realiseren. De moeder heeft eerder aangegeven dat zij niet achter de uithuisplaatsing staat en dat het nog steeds haar doel is dat de kinderen thuis komen wonen. De jaarlijkse verlenging van de beschermingsmaatregelen zal spanning en onrust voor de kinderen met zich meebrengen. Verder is de samenwerking tussen de moeder en de GI moeizaam. De moeder heeft in eerste instantie geen toestemming gegeven voor noodzakelijke behandelingen en komt niet naar (behandel)afspraken. Het niet beëindigen van het gezag is schadelijk voor de ontwikkeling van de kinderen, aldus de raad.
5.5
De GI heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat beëindiging van het gezag van de moeder in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Zij moeten in veiligheid kunnen opgroeien en dat kan de moeder hen niet bieden. De kinderen zijn gespannen over dit hoger beroep. De spanning heeft er ook mee te maken dat de omgang een aantal keer niet is doorgegaan, omdat de moeder heeft afgezegd. De moeder komt niet altijd naar de omgangsmomenten. Verder zijn er recent bij de moeder thuis twee incidenten geweest waarbij Veilig Thuis betrokken is. De dinsdag voorafgaand aan de zitting is er een overleg geweest tussen de GGZ, het RET en [X] om opnieuw te kijken welke plek het meest passend is voor [minderjarige 1] . Er wordt per kind bekeken welke plek het meest passend is. De moeder wordt telkens uitgenodigd voor verschillende overleggen over de kinderen, maar komt vaak niet opdagen. De behandeling bij de GGZ loopt voor alle drie de kinderen. Eerder zijn er problemen en vertragingen geweest bij het verkrijgen van toestemming van de moeder bij het nemen van beslissingen voor de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat de GI besluiten kan nemen.
De boordeling door het hof
5.6
Uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken is het volgende naar voren gekomen. Al jarenlang zijn er zorgen over het opvoedklimaat bij de moeder thuis. De kinderen worden belast met de relatieproblemen tussen de ouders, waarbij sprake is van huiselijk geweld. Omdat de ouders door te weinig probleembesef en zorgmijdend gedrag onvoldoende in staat waren om de bedreiging voor de kinderen weg te nemen, werden de kinderen al op jonge leeftijd onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst. Nadat de kinderen weer waren teruggeplaatst bij de moeder en de hulpverlening is afgeschaald naar het vrijwillige kader, volgden opnieuw verschillende zorgmeldingen bij Veilig Thuis, omdat de ruzies tussen de moeder en de vader en tussen de moeder en haar nieuwe partner ( [naam] ) uit de hand liepen. De kinderen werden opnieuw geconfronteerd met huiselijk geweld en zij zijn wederom getuige geweest van gewelddadige ruzies. Ambulante Spoedhulp stelde daarop vast dat het de moeder en de vader niet lukte om zich aan veiligheidsafspraken te houden. Er is nog steeds sprake van veel strijd en spanning en de kinderen hebben daar last van. De moeder heeft weinig inzicht in wat de thuissituatie met de kinderen heeft gedaan en accepteert moeilijk hulp. Ondanks de inzet en betrokkenheid van verschillende hulporganisaties, bleef het patroon van onveiligheid en huiselijk geweld zich herhalen. Omdat sprake was van structurele en ernstige bedreigingen voor de ontwikkeling van de kinderen is in november 2022 besloten de kinderen uit huis te plaatsen. Vanaf dat moment verblijven de kinderen bij [X] .
5.7
De afgelopen jaren heeft de GI geprobeerd om met de moeder aan haar persoonlijke problematiek te werken en is onderzocht of er mogelijkheden waren de kinderen thuis te laten opgroeien. De kinderen kampen echter met forse (hechtings)problematiek en de hulpverlening voor de moeder komt niet goed op gang. Het lukt de moeder onvoldoende om afspraken met hulpverlening na te komen. Zo komt zij niet naar behandelafspraken bij PSYTREC, waar zij psychotraumatherapie zou krijgen. Opnieuw volgden er verschillende zorgmeldingen bij Veilig Thuis en is de politie meerdere keren ingeschakeld. Over de omgangsmomenten tussen de moeder en de kinderen bestaan zorgen. De spanningen tussen de ouders zijn voor de kinderen merkbaar. Ook wordt waargenomen dat het de moeder onvoldoende lukt om goed aan te sluiten bij de kinderen. De kinderen laten voor en na de omgang zorgelijk gedrag zien. Zo laten [minderjarige 1] en [minderjarige 3] seksueel grensoverschrijdend gedrag zien en is [minderjarige 2] in de avond heel angstig. De moeder blijkt onvoldoende leerbaar. In 2024 heeft de GI dan ook besloten dat het opvoedperspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt.
Op dit moment krijgen de kinderen therapie om hun trauma’s te verwerken. Uit de verslagen van [X] blijkt dat het steeds beter met hen gaat en dat zij stappen in de goede richting zetten. Op dit moment vinden er per kind gesprekken plaats om vast te stellen welke woonplek voor ieder van de kinderen het meest passend is om deze positieve ontwikkelingen vast te houden.
5.8
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen en dat niet te verwachten valt dat zij daartoe wel in staat zal zijn binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn. Zoals de rechtbank heeft overwogen, zijn er al jarenlang zorgen over de persoonlijke problematiek van de moeder. Zowel in haar relatie met de vader als in de relatie met haar huidige partner is sprake van ernstig huiselijk geweld. Ondanks de ingezette hulpverlening is het de moeder niet gelukt om een veilige opvoedingsomgeving voor de kinderen te creëren. Al jaren staat de persoonlijke problematiek van de moeder op de voorgrond en lukt het haar onvoldoende om het belang van de kinderen voorop te stellen.
Uit het voorgaande volgt dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt. Dat het woonperspectief van de kinderen nog niet helemaal duidelijk is, doet daar niet aan af. De kinderen hebben meer nodig dan de moeder hen kan bieden.
5.9
Het hof is daarnaast – net als de rechtbank - van oordeel dat voortzetting van het gezag van de moeder schadelijk is voor de verdere ontwikkeling van de kinderen. Tot op heden is de samenwerking tussen de GI en de moeder onvoldoende van de grond gekomen. Hoewel de moeder stelt dat zij zich heeft neergelegd bij de uithuisplaatsing van de kinderen en dat zij samenwerkt met de GI, blijkt dat niet uit haar handelen. In het beroepschrift stelt zij immers dat het opvoedperspectief van de kinderen op korte termijn weer bij haar kan komen te liggen. Verder is de moeder voor de GI moeilijk bereikbaar, komt zij regelmatig afspraken niet na en is zij vaak afwezig bij uitvoerdersoverleggen. De moeder neemt daarnaast onvoldoende verantwoordelijkheid voor de kinderen. Zo gaf zij in eerste instantie geen toestemming voor de GGZ-behandeling van de kinderen en nu de behandeling is begonnen, komt zij niet naar behandelafspraken waarbij haar aanwezigheid nodig is, waardoor de hulp aan de kinderen wordt vertraagd. Ook was zij niet aanwezig bij een overleg met het RET. Het hof is dan ook van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de GI voortaan de opvoedbeslissingen over hen neemt, zodat zich geen moeilijkheden ten aanzien van de uitoefening van het gezag meer voordoen. Niet alleen nu, maar ook in de toekomst is het naar het oordeel van het hof in het belang van de kinderen dat gezagsbeslissingen zonder vertraging genomen kunnen worden.
Daarbij komt dat jaarlijkse verlengingen van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing de onzekerheid en onrust bij de kinderen in stand houden, zoals de GI ook ter zitting in hoger beroep heeft benadrukt. Nu vaststaat dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt, is het hof van oordeel dat de terugkerende onzekerheid bij hen over hun perspectief niet in hun belang is. Invoelbaar is dat de moeder emotionele waarde hecht aan haar gezag, maar naar het oordeel van het hof weegt het belang van de kinderen bij duidelijkheid en continuïteit zwaarder.
5.10
De moeder heeft een beroep gedaan op artikel 8 EVRM. Uit het voorgaande volgt dat de beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk en proportioneel is. De inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM is gerechtvaardigd. Die inbreuk is immers noodzakelijk en evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van de kinderen.
5.11
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 24 april 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier op grond van het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. E.S. Jansen, in tegenwoordigheid van mr. F. Tolman als griffier en is op 17 februari 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.