GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.355.576/01
zaaknummer rechtbank: C/13/740474 / FA RK 23-6693
beschikking van de meervoudige kamer van 24 februari 2026 in de zaak van
[de man]
,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. B.A. Huijgen te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. F.J. Soriano te Amsterdam.
2
De procedure in hoger beroep
2.1
De man is op 5 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een deel van de beschikking van 7 maart 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vrouw heeft op 26 augustus 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 16 oktober 2025 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 5 november 2025 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de vrouw van 9 november 2025 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de man van 10 november 2025 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de vrouw van 14 november 2025 met bijlage.
2.5
De zitting heeft op 19 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door V. Duivesteijn, een tolk in de Spaanse taal.
Beide advocaten hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
4
De omvang van het hoger beroep
4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, de partneralimentatie die de man moet betalen met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 3.536,- bruto per maand.
4.2
De man verzoekt in principaal appel, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de partneralimentatie vast te stellen op nihil, althans op een bedrag dat het hof rechtens juist en rechtvaardig acht.
4.3
De vrouw verzoekt in principaal appel de verzoeken van de man af te wijzen.
4.4
De vrouw verzoekt in incidenteel appel, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de man te veroordelen tot betaling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de vrouw van maandelijks € 15.540,-, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en de man in de proceskosten te veroordelen.
4.5
De man verzoekt in incidenteel appel het verzoek van de vrouw af te wijzen.
4.6
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
5. De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft ten aanzien van de partneralimentatie. Verder is tussen partijen niet in geschil dat Nederlands recht van toepassing is, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
5.2
Tussen partijen is niet in geschil dat de verplichting tot partneralimentatie ingaat op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. De ingangsdatum is dus 30 juni 2025.
Huwelijksgerelateerde behoefte
5.3
De rechtbank heeft de huwelijksgerelateerde behoefte op € 7.570,- netto per maand bepaald aan de hand van het inkomen van partijen in 2022. Geïndexeerd naar 2025 is dat € 8.853,- netto per maand. Geen van partijen heeft tegen die beslissing gegriefd. Ook het hof stelt de huwelijksgerelateerde behoefte vast op € 8.853,- netto per maand in 2025.
Aanvullende behoefte vrouw
5.4
Volgens de man kan de vrouw ten minste een modaal inkomen verdienen van € 46.500,- per jaar. De vrouw is jurist en spreekt meerdere talen. In haar laatste betaalde functie in 2016 verdiende zij aanzienlijk meer. Daarna heeft zij zelf de keuze gemaakt niet opnieuw betaald werk te zoeken. Bovendien heeft de vrouw een aanzienlijk vermogen waarmee zij in haar levensbehoefte kan voorzien. Ook kan zij het vermogen aanwenden om rendement te genereren waarmee zij in haar aanvullende behoefte kan voorzien.
5.5
De vrouw stelt dat zij in elk geval de eerste twee jaar vanaf de ingangsdatum geen enkele verdiencapaciteit heeft. Zij had al een aanzienlijke afstand tot de arbeidsmarkt. De man heeft de afgelopen maanden geen partneralimentatie betaald en stopte met het betalen van de hypotheek van de woning waarin hij verbleef, waardoor (ook) de vrouw een BKR-registratie heeft gekregen. Door die situatie is de mentale gezondheid van de vrouw aanzienlijk verslechterd en kan zij ook de komende periode geen geld verdienen. Door de BKR-registratie heeft de vrouw bovendien geen mogelijkheid meer een lening te verkrijgen om een onderneming te starten.
5.6
Hoewel partijen verschillende lezingen hebben van de reden waarom, staat vast dat de vrouw de laatste jaren van het huwelijk, vanaf 2016, geen betaald werk meer heeft verricht. Daardoor heeft zij een afstand tot de arbeidsmarkt. De vrouw heeft daarnaast met stukken vanuit de hulpverlening onderbouwd dat zij op dit moment veel last van psychische klachten heeft. Dat zij op dit moment niet in staat is een modaal inkomen te verdienen acht het hof dan ook voldoende aannemelijk geworden. Het hof acht haar echter wel in staat om in deeltijd te werken en enig inkomen te verwerven. De rechtbank is uitgegaan van een fictief inkomen van 50 % van het minimumloon (€ 1.067,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag) voor het eerste alimentatiejaar. Voor de periode daarna is de rechtbank uitgegaan van het volledig minimumloon (€ 2.134,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag). Het hof houdt er rekening mee dat de psychische klachten van de vrouw de afgelopen maanden zijn toegenomen. Het hof zal daarom voor de eerste twee jaar vanaf de ingangsdatum uitgaan van 50 % van het minimumloon en daarna van het volledige minimumloon.
5.7
De man heeft aangevoerd dat de vrouw na de echtscheiding nog over een aanzienlijk vermogen zal beschikken. De man heeft niet becijferd hoe groot dat vermogen is of welk rendement de vrouw daarmee zou kunnen behalen. Op basis van de stellingen van de vrouw en de – in zoverre niet bestreden – beschikking van 7 maart 2025 (rechtsoverweging 4.1.8) gaat het hof er van uit dat partijen na afwikkeling van de echtscheiding elk over een vermogen van ongeveer € 700.000,- zullen beschikken. Beide partijen beschikken op dit moment niet over woonruimte waar zij langdurig kunnen blijven. Zij zullen naar verwachting een deel van het vermogen moeten aanwenden om een woning te kopen. Het hof is het met de man eens dat de vrouw het resterende vermogen zal moeten inzetten om aan haar huwelijksgerelateerde behoefte te voldoen. Het hof kan, bij gebreke van door partijen aangedragen relevante gegevens daaromtrent en daaruit volgende berekeningen, geen schatting maken van een deel van het vermogen wat dan zou resteren en welk rendement de vrouw daarmee kan behalen of van welk bedrag mag worden verwacht dat zij hier maandelijks op inteert. De man heeft daarvan zelf geen schatting of berekening gemaakt en vanwege de hoge aanvullende behoefte is, ook als de vrouw rendement behaalt of inteert op een deel van haar vermogen, de draagkracht de beslissende factor voor de partneralimentatie.
5.8
Het hof berekent, zoals uit de aangehechte berekening blijkt, de aanvullende behoefte van de vrouw op € 15.045,- bruto per maand in de eerste twee jaar en een aanvullende behoefte van € 13.151,- bruto per maand daarna.
5.9
Volgens de man moet zijn draagkracht worden gebaseerd op zijn huidige inkomen, waarbij uitgegaan kan worden van een bedrag van € 48.030,- bruto per jaar als zij-instromer in het basisonderwijs. Na zijn tweejarige opleiding zal dat inkomen toenemen tot € 60.000,- à € 65.000,- per jaar, waarna – na een aantal jaren – het salaris hopelijk doorgroeit naar ongeveer € 80.000,- bruto per jaar. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de bijdrage die de man aan [minderjarige] voldoet in [minderjarige] ’s kosten van levensonderhoud en studie. Die kosten zijn € 833,- per maand.
5.10
De vrouw stelt dat sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De man was CEO van een internationaal online reisbureau [X] b.v. (hierna: [X] ). Dit bedrijf is failliet gegaan en het is niet uitgesloten dat het faillissement door zijn handelen of nalaten is veroorzaakt. Daarnaast is de man nog steeds in staat is € 320.000,- per jaar te verdienen. Dat heeft hij jarenlang gedaan en er staan nog steeds veel vacatures open voor een functie als CEO, vice president of senior director. Veel van zijn voormalige collega’s bij zijn laatste werkgever hebben na het faillissement een soortgelijke functie gevonden. De man heeft ook daadwerkelijk een andere functie gevonden, namelijk als senior strategy advisor bij een internationaal Fintechbedrijf [XX] . Dergelijke werkzaamheden worden doorgaans beloond met minimaal € 200.000,- per jaar. De man heeft in het verleden meerdere banen gecombineerd en doet dit kennelijk nog steeds. Ten slotte zou de man ook de partneralimentatie kunnen voldoen uit vermogen.
5.11
De man heeft begin 2023 – ruim voordat het verzoek tot echtscheiding werd ingediend – zijn baan als CEO verloren omdat [X] failliet ging. De vrouw heeft haar stelling dat dat faillissement aan de man te wijten op geen enkele wijze onderbouwd. De man heeft de stelling uitgebreid en gemotiveerd betwist. Hij heeft toegelicht dat het faillissement het gevolg was van de economische omstandigheden in de reisbranche in de coronacrisis en de nasleep daarvan. Het hof is het met de man eens dat het inkomensverlies niet verwijtbaar was.
5.12
De man heeft een inkomen als zij-instromer in het onderwijs. Volgens de vrouw heeft de man daarnaast een betaalde functie bij [XX] . De man heeft met stukken, meer specifiek de verklaring van [naam] (prod 25 van de zijde van de man), onderbouwd dat die functie onbezoldigd is en bestaat uit adviesgesprekken, in ruil waarvoor hij de functie op zijn cv mag zetten. De man heeft daarmee voldoende gemotiveerd betwist dat hij andere inkomsten heeft dan zijn loon als zij-instromer. De vrouw heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd dat de man bezoldiging zou kunnen verkrijgen voor de werkzaamheden voor [XX] . Uit de door haar overgelegde verklaring van een ex-collega blijkt slechts dat die zich herinnert dat dat de man in 2008 voor ‘een bedrijf’ in Singapore zou hebben gewerkt, maar niet dat de man op dit moment door [XX] betaald wordt of zou kunnen worden. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stelling van de vrouw dat bij de man sprake zou zijn van inkomsten uit een functie bij [XX] .
5.13
De man heeft uitgebreid onderbouwd dat hij niet in staat is een baan te bemachtigen in zijn voormalige werkveld. Hij heeft inzicht gegeven in zijn sollicitatie-activiteiten. Hij heeft aangetoond dat hij ook op functies onder zijn ‘oude niveau’ heeft gesolliciteerd, zonder dat dat tot resultaat heeft geleid, en toegelicht dat hij regelmatig is afgewezen omdat hij overgekwalificeerd zou zijn. De vrouw heeft tegenover die onderbouwde betwisting van de man onvoldoende gemotiveerd aangetoond dat de man een verdiencapaciteit van € 320.000,- per jaar heeft. Gelet op het bovenstaande gaat het hof, anders dan de rechtbank, er evenmin van uit dat de man op dit moment in staat is om € 150.000,- per jaar te verdienen.
5.14
De man heeft toegelicht dat hij zich op een alternatieve carrière heeft georiënteerd toen bleek dat hij niet in zijn voormalige werkveld aan de slag kon. Enerzijds is het hof het met de man eens dat een partneralimentatieverplichting een overstap naar het onderwijs niet onmogelijk moet maken. Anderzijds kunnen de financiële gevolgen van die overstap niet volledig op de vrouw worden afgewenteld. Zoals het hof onder 5.7 heeft overwogen zullen partijen naar verwachting ieder over een vermogen van ongeveer € 700.000,- beschikken. Zoals de vrouw een deel van het vermogen zal moeten inzetten om in haar levensonderhoud te voorzien, zal ook de man een deel moeten gebruiken om de periode dat hij in opleiding is en een aantal jaren daarna te overbruggen door zijn salaris uit zijn vermogen aan te vullen. Het hof ziet daarin aanleiding om bij het bepalen van de draagkracht van de man aan zijn kant uit te gaan van het bedrag dat hij op termijn in het onderwijs verwacht te verdienen, namelijk € 80.000,- per jaar. Dat leidt, zoals blijkt uit bijgevoegde berekening, tot een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 4.465,-. Aan de hand van dat NBI berekent het hof de draagkracht aan de hand van de zogenaamde draagkrachtformule 60% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)]. Dat houdt in dat het hof rekening houdt met een woonbudget van 30% van het NBI en € 1.310,- als forfaitair bedrag voor overige lasten. Die uitgaven vormen met elkaar het draagkrachtloos inkomen. Het NBI, verminderd met het draagkrachtloos inkomen, leidt tot de draagkrachtruimte. Van de draagkrachtruimte is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. Dat leidt tot een draagkracht van € 1.085,- netto per maand. Het hof ziet onder ogen dat bij deze benadering wordt gerekend met fiscale heffingen en een - aan de vrouw toekomend -belastingvoordeel van de man (fiscale aftrek van partneralimentatie) dat niet overeenstemt met de thans werkelijk bestaande (inkomens)situatie van de man, maar daartegenover staat dat aan zijn zijde met een hoger woonbudget (0,3 x NBI) wordt gerekend dan bij een inkomen van
€ 48.030,- per jaar het geval zou zijn, en dat de man, zoals overwogen, geacht wordt zijn salaris uit zijn vermogen aan te vullen.
Gelet op het reeds beschikbare vermogen voor de man (zie beschikking van 7 maart 2025, rechtsoverweging 4.1.8) acht het hof het redelijk om reeds vanaf de ingangsdatum (30 juni 2025) rekening te houden met genoemd (fictief) inkomen van € 80.000,- per jaar.
5.15
Op de zitting hebben partijen verklaard dat zij ieder € 250,- per maand bijdragen aan hun zoon [minderjarige] . Daarnaast hebben zij afgesproken dat zij elk de helft van het collegegeld betalen, dat € 4.100,- per jaar bedraagt. De man draagt in totaal dus [(4.100 : 2 : 12) + 250] = € 421,- per maand bij aan [minderjarige] . Dat bedrag trekt het hof af van de draagkracht van de man. Voor de partneralimentatie resteert dan een draagkracht van (1.085 - 421 =) € 664,- netto per maand. Gebruteerd is dat € 1.062,- per maand.
5.16
Aangezien de draagkracht van de man lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, stelt het hof de partneralimentatie vast op een bedrag van € 1.062,- bruto per maand.
5.17
Voor zover sprake is van een terugbetalingsverplichting van de zijde van de vrouw omdat het hof een substantieel lagere partnerbijdrage vaststelt dan de rechtbank, zal dit bedrag beperkt zijn nu is gebleken dat de man de door de rechtbank opgelegde bijdrage enkel voor de maand juli 2025 en ten dele voor de maand augustus 2025 aan de vrouw heeft voldaan. Het hof is van oordeel dat de vrouw, voor zover dit al aan de orde is, uit haar vermogen zal kunnen voldoen.
5.18
Met inachtneming van het overwogene in rechtsoverweging 3.2.6. in HR 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165) zal het hof beoordelen of aanleiding bestaat de door de man verschuldigde partneralimentatie te verhogen per 1 januari 2026 gelet op de gevolgen die de jaarlijkse indexering als bedoeld in art 1:402a BW, zou hebben gehad voor de hoogte van de partneralimentatie indien de datum van de onderhavige beschikking zou zijn samengevallen met de ingangsdatum (30 juni 2025).
Evident is dat de vrouw belang heeft bij toepassing van een indexering, gelijk aan de wettelijke indexering. Met toepassing daarvan zou het door de man verschuldigde bedrag immers per 1 januari 2026 zijn verhoogd met 4,6 %. Daartegenover staat dat bij het bepalen van de draagkracht van de man niet is uitgegaan van zijn werkelijk op dit moment verdiende salaris – dat hoogstwaarschijnlijk jaarlijks met een (cao) indexering wordt verhoogd – maar van het salaris dat hij op termijn in het onderwijs verwacht te verdienen en ook van een aanvulling daarop vanuit het eigen vermogen van de man. Gelet daarop zal het hof de partneralimentatie per 1 januari 2026 niet verhogen met enige (rechterlijke) indexering. Verhoging van de door de man verschuldigde partneralimentatie vindt op de voet van art. 1:402a BW plaats per 1 januari 2027.
5.19
Het hof ziet geen aanleiding om de man in de proceskosten te veroordelen, zoals de vrouw heeft verzocht. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure.
Beslissing
in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 30 juni 2025 als uitkering tot haar levensonderhoud € 1.062,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.T. Hoogland, mr. A.N. van de Beek en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 24 februari 2026 uitgesproken in het openbaar.