Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep personen- en familierecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:789

Op 10 March 2026 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 200.362.165/01, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2026:789. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
200.362.165/01
Datum uitspraak:
10 March 2026
Datum publicatie:
23 March 2026
Advocaat:
mr. E Stam te Heerhugowaard;mr. M. Ferwerda te Amsterdam

Indicatie

“Bekrachtiging bestreden beschikking. De gronden van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige waren ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig en zijn nog steeds aanwezig”.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.362.165/01

zaaknummer rechtbank: C/15/367146/ JU RK 25-935

beschikking van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. E. Stam te Heerhugowaard ,

en

de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de GI.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , hierna te noemen: [minderjarige] ;

- [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] , advocaat: mr. M. Ferwerda te Amsterdam.

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna: de raad.

1
De zaak in het kort
1.1

De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (4 jaar). De kinderrechter heeft op het verzoek van de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder verlengd tot 22 maart 2026.

De vader is het daar niet mee eens en wil dat het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder alsnog wordt afgewezen. De GI en de moeder zijn het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.

2
De procedure in hoger beroep
2.1

De vader is op 3 december 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 15 of 18 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter).

2.2

De GI heeft op 9 januari 2026 een verweerschrift ingediend.

2.3

Daarnaast heeft het hof ontvangen:

- een bericht van de zijde van de moeder van 25 januari 2026, met een bijlage.

2.4

De zitting heeft op 28 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door mr. J.J.C. Engels, advocaat te Heerhugowaard, waarnemend voor mr. E. Stam,

- de advocaat van de moeder,

- twee vertegenwoordigers van de GI, en

- de raad, vertegenwoordigd door N. Hoogervorst.

Na voorafgaand verzoek, waarmee alle partijen hebben ingestemd, was de moeder via een videobeeldverbinding (Teams) aanwezig.

3
De feiten
3.1

De vader en de moeder (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) zijn met elkaar tot 23 oktober 2023 gehuwd geweest en zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren [in] 2021 te [plaats A] .

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De moeder en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Italiaanse nationaliteit.

3.2

De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 september 2022 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: de WSS). Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder verleend. Deze maatregelen zijn daarna steeds verlengd. De ondertoezichtstelling laatstelijk bij beschikking van 3 september 2025 (gelijktijdig met de bestreden beschikking op schrift gesteld op 18 september 2025) tot 22 september 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing in de bestreden beschikking tot 22 maart 2026.

3.3

Bij beschikking van 8 januari 2024 heeft de kinderrechter de WSS vervangen door De Jeugd- & Gezinsbeschermers (de GI).

4
De omvang van het hoger beroep
4.1

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder verlengd tot 22 maart 2026.

4.2

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, alsnog af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Beslissing

5
De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1

Zoals hiervoor vermeld, heeft de vader de Italiaanse nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. Omdat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. De kinderrechter heeft Nederlands recht toegepast bij de beoordeling van het verzoek. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

Het wettelijk kader

5.2

Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.

Standpunten

5.3

De vader is van mening dat de kinderrechter ten onrechte heeft overwogen dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter heeft aldus de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ten onrechte verlengd. De door de GI in het verweerschrift genoemde omstandigheden die volgens de GI een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing rechtvaardigen, zien uitsluitend op de communicatie en interactie tussen de ouders en niet op tekortkomingen in de verzorging of opvoeding van [minderjarige] . [minderjarige] gedraagt zich bij de vader veilig, gezond en prettig. Daarmee ontbreekt de noodzaak voor een ingrijpende maatregel als een machtiging tot uithuisplaatsing. De vader had ruim één jaar structurele omgang met [minderjarige] , waarbij [minderjarige] van maandagochtend 11:00 uur tot en met woensdagmiddag 18:00 uur bij hem verbleef. Daarnaast verzorgde de vader [minderjarige] op zondagen, wanneer hij met hem naar de voetbal ging. Deze omgangsmomenten verliepen goed en zonder noemenswaardige incidenten. Op 1 december 2025 is de omgang tussen de vader en [minderjarige] na een incident per direct door de Gl stopgezet. De vader erkent dat hij soms vervelend uit de hoek kan komen, maar dit komt voornamelijk door alle emoties die voortkomen uit deze situatie. De plotselinge stopzetting van het contact heeft niet alleen impact op de vader, maar ook op [naam ] , het halfzusje van [minderjarige] . Zij begrijpt niet waarom zij haar broertje niet langer kan zien, aldus de vader.

5.4

De GI voert aan dat de gronden voor de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en nog steeds aanwezig zijn. De laatste maanden zijn zorgsignalen geaccumuleerd die, tezamen bezien, een patroon van druk en grensoverschrijding vormen dat onverenigbaar is met een veilige opvoedomgeving voor [minderjarige] .

Het is belangrijk om rust en veiligheid te waarborgen en met gespecialiseerde diagnostiek bij de Waag objectief vast te stellen welke patronen bij beide ouders doorbroken moeten worden voordat de omgang van vader met [minderjarige] weer veilig, voorspelbaar en kindgericht kan worden hervat. De inzet van risicotaxatie en patrooninterventie sluit aan bij het juridische kader waarin, wanneer noodzakelijk, wordt gehandeld in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, en waarbij minder ingrijpende alternatieven slechts aan de orde zijn als de veiligheid feitelijk is gewaarborgd. Halverwege december 2025 heeft de GI [minderjarige] zonder aanwezigheid van de moeder gesproken. Zodra onderwerpen als ‘papa’, ‘terug naar papa’ of ‘logeren bij papa’ ter sprake kwamen, vertoonde [minderjarige] een duidelijke angstreactie: hij dook weg, bedekte zijn gezicht met een kussen en zei herhaaldelijk ‘nee, ik wil niet naar papa, ik wil hier blijven’. Zijn verbale en non-verbale uitingen waren op dit punt helder en consistent. Deze observatie weegt zwaar in de beoordeling van zijn actuele veiligheidsbeleving, aldus de GI.

5.5

De moeder is van mening dat de kinderrechter terecht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij haar heeft verlengd. De ouders hebben beiden een geheel andere beleving van wat er zich tussen hen allemaal heeft afgespeeld. De Blijfgroep is van mening dat sprake is van dwingende controle door de vader. Het is belangrijk dat de Waag gaat kijken naar de dynamiek tussen de ouders. De moeder ziet paralellen met een zaak van het hof Arnhem- Leeuwarden uit 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:5403), waar ook zorgen waren, zowel op het gebied van de veiligheid als op het gebied van de weerbaarheid en de emotionele beschikbaarheid van de moeder voor het kind, en waar het hof het risico dat zij opnieuw in een onveilige situatie terecht zouden komen bij een terugplaatsing naar hun thuissituatie te groot achtte. Het hof oordeelde in die zaak dan ook terecht dat dat risico bij jonge en kwetsbare kinderen niet kan worden genomen, net als in deze zaak, aldus de moeder.

5.6

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder te verlengen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Het is van belang dat de risicotaxatie en patrooninterventie bij de Waag zo spoedig mogelijk worden afgerond, zodat risico’s kunnen worden ingeschat en inzicht kan worden verkregen in de hardnekkige patronen bij beide ouders. Ook in eerdere relaties van de vader was namelijk sprake van geweld. [minderjarige] reageert angstig op de vader en dit moet serieus worden genomen. Het waarborgen van de veiligheid van [minderjarige] staat op de eerste plaats, aldus de raad.

De beoordeling door het hof

5.7

Het hof is van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ten tijde van de bestreden beschikking noodzakelijk was, en ook thans nog steeds is, in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hiertoe overweegt het hof als volgt. Uit de stukken en wat is besproken ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er al voor de geboorte van [minderjarige] zorgen waren over de situatie van de moeder. Tussen de ouders bestaat vanaf het begin van hun relatie een instabiele en gewelddadige dynamiek, gekenmerkt door ruzies, spanningen en huiselijk geweld. Ook na de geboorte van [minderjarige] hebben zich meerdere geweldsincidenten voorgedaan tussen de ouders, waarvan [minderjarige] herhaaldelijk getuige is geweest. Uit een verslag van de Blijf Groep van 22 januari 2026 blijkt dat Veilig Thuis in juni 2022 de moeder heeft aangemeld bij de Blijf Groep, waar zij vervolgens tot januari 2025 verbleef. Tijdens de intake heeft zij verklaard dat de vader dominant en extreem jaloers gedrag vertoont, haar controleert en haar zowel fysiek als verbaal mishandelt. Ondanks meerdere politiemeldingen had de moeder deze incidenten aanvankelijk ontkend uit angst voor de vader. Op 10 november 2024 heeft de Blijf Groep de situatie van de moeder en [minderjarige] op code rood geplaatst vanwege ernstige zorgen over hun veiligheid. Daarbij is in aanmerking genomen dat de vader een geschiedenis heeft van ernstig huiselijk geweld, waaronder een veroordeling voor het neersteken van een eerdere partner. De specifieke risico’s voor de moeder zijn volgens de Blijf Groep onder meer gelegen in het blijvend grensoverschrijdend gedrag van de vader, waaronder pogingen om informatie te verkrijgen via instanties, klachten tegen hulpverleningsinstanties en ongewenst contact met de voorschool van [minderjarige] . Naar aanleiding hiervan is de omgang tussen [minderjarige] en de vader destijds stopgezet.

In januari 2025 heeft de moeder tegen het advies van de Blijf Groep, samen met [minderjarige] de Blijf Groep verlaten en is zij bij haar moeder gaan wonen. In deze periode hebben de ouders, zonder medeweten van de GI, opnieuw contact met elkaar gehad, zowel met als zonder [minderjarige] , en hebben zij zelfstandig afspraken gemaakt over de hervatting van de omgang tussen de vader en [minderjarige] . De omgang is vervolgens weer gestart. De Blijf Groep heeft hierover zorgen geuit, omdat conflicten tussen de ouders of het stellen van grenzen door de moeder kunnen leiden tot onvoorspelbare en escalerende reacties van de vader. Opnieuw werd de moeder geadviseerd het contact met de vader volledig te verbreken. De moeder heeft verklaard dat zij het contact met de vader deels uit angst aanging, om zijn emoties te kunnen inschatten. Tegelijkertijd heeft zij verklaard dat dit contact haar niets opleverde en dat zij verlangt naar een toekomst met rust en (mentale) veiligheid voor zichzelf en [minderjarige] .

De GI heeft vervolgens een aanmelding bij De Waag gedaan, om een risico-inschatting te laten uitvoeren en te onderzoeken of de bestaande patronen tussen de ouders doorbroken kunnen worden. Dit acht de GI van belang omdat beide ouders een tweeslachtige houding hebben ten aanzien van hun onderlinge relatie. De uitkomsten van dit traject zijn noodzakelijk om de GI in staat te stellen een duidelijke lijn te bepalen ten aanzien van het al dan niet voeren van gezamenlijke gesprekken tussen de ouders en de vormgeving van hun contact. Daarnaast zal NIKA worden ingezet om beter zicht te krijgen op de relatie tussen [minderjarige] en de ouders, wat noodzakelijk is om het welzijn en de ontwikkelingsmogelijkheden van [minderjarige] te waarborgen.

In dit kader heeft de GI getracht GGZ-informatie van de vader uit een eerder doorlopen hulpverleningstraject op te vragen, om doublures te voorkomen en de slagingskans van het traject bij de Waag te vergroten. De vader heeft hiervoor tot op heden geen toestemming verleend, waardoor het traject onvoldoende van de grond komt.

Na een incident eind november 2025 verbleef de moeder opnieuw met [minderjarige] bij de Blijf Groep. Aanleiding hiervoor was een door de moeder gedeeld audiofragment, waarin hoorbaar is dat zij de vader herhaaldelijk verzoekt te stoppen en weg te gaan, terwijl haar ‘nee’ niet wordt gerespecteerd. Tevens maakt de vader een bagatelliserende doch intimiderende opmerking in de trant van: “wat ga je doen, anders gaan we vechten”. [minderjarige] was daarbij hoorbaar aanwezig. Naar aanleiding van deze concrete onveiligheid heeft de Gl de omgang per 1 december 2025 opnieuw en onmiddellijk stopgezet als veiligheidsinterventie.

Daarnaast is gebleken dat de vader ook tijdens overdrachtsmomenten grenzen overschreed, onder meer door er bij de moeder op aan te dringen mee naar boven te gaan bij het terugbrengen van [minderjarige] , wat door de moeder als grensoverschrijdend en onveilig werd ervaren.

5.8

Het hof stelt vast dat beide ouders betrokkenheid tonen bij [minderjarige] en het belang erkennen van contact tussen [minderjarige] en zijn beide ouders. [minderjarige] ontwikkelt zich over het algemeen goed. Met de GI is het hof dan ook van oordeel dat de noodzaak van de maatregel niet zozeer ligt in de opvoedvaardigheden van de ouders als zodanig, maar in het ontbreken van voldoende psychologische en sociale veiligheid voor [minderjarige] en de moeder.

De structureel onveilige, controlerende en escalerende dynamiek tussen de ouders vergroot de spanning, belemmert stabiele opvoedingscondities en vormt de kern van de zorgen die de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk maken. Het patroon van aantrekken en afstoten tussen de ouders dient doorbroken te worden. Het hof is, met de GI en de raad, van oordeel dat het van belang is dat de risicotaxatie en patrooninterventie bij de Waag zo spoedig mogelijk worden afgerond, zodat inzicht wordt verkregen in de hardnekkige interactiepatronen van beide ouders. De veiligheid van [minderjarige] , alsmede de veiligheid van de moeder, dienen daarbij zorgvuldig in kaart te worden gebracht, alvorens de omgang met de vader te hervatten. De Blijf Groep heeft in dit verband gewezen op signalen van intieme terreur en dwingende controle, welke problematiek niet eenvoudig of op korte termijn kan worden opgelost. Voor een succesvolle uitvoering van het traject bij de Waag is het noodzakelijk dat

beide ouders hun volledige medewerking blijven verlenen, waaronder het verstrekken van toestemming voor het delen van relevante informatie uit eerder doorlopen hulpverleningstrajecten. Anders dan de vader heeft betoogd, is het hof van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat deze informatie tegen de vader zal worden gebruikt, maar juist zal bijdragen aan het vergroten van de slagingskans van het ingezette traject, waarvan ook de vader de positieve gevolgen van kan ondervinden.

5.9

Het hof is al met al van oordeel dat de gronden van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en dat deze nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel dan ook bekrachtigen.

5.10

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6
De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. A.N. van de Beek en mr. M.C. Braak, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 10 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.