Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHAMS:2025:3849

Op 27 May 2025 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 23-001015-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2025:3849. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
23-001015-23
Datum uitspraak:
27 May 2025
Datum publicatie:
5 June 2026

Indicatie

Vrijspraak voor de onder 1 tenlastegelegde mishandeling nu niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de verdachte aangeefster een klap heeft gegeven. Bewezenverklaring voor de onder 2 tenlastegelegde mishandeling door het geven van een kopstoot. Noodweerverweer wordt verworpen.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001015-23

datum uitspraak: 27 mei 2025

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-228974-22 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 mei 2025.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.zij op of omstreeks 11 september 2022 te Zaandam, gemeente Zaanstad [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] - een klap in het gezicht, althans tegen het lichaam, te geven en/of - aan haar haren te trekken;

2.zij op of omstreeks 11 september 2022 te Zaandijk, gemeente [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een kopstoot in het gezicht, althans tegen het lichaam, te geven;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de aangifte en de getuigenverklaringen. De getuigen verklaren zowel bij de politie als de raadsheer-commissaris dat de verdachte degene is geweest die een klap heeft gegeven en deze getuigenverklaringen zijn betrouwbaar en consistent.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de getuigenverklaringen in het dossier de aangifte van [slachtoffer 1] onvoldoende ondersteunen, waardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte aangeefster een klap heeft gegeven.

Hoewel uit verschillende getuigenverklaringen is af te leiden dat er over en weer duw- en trekwerk heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en het slachtoffer, is het hof van oordeel dat op basis van het dossier - mede in aanmerking genomen de getuigenverklaringen die bij de raadsheer-commissaris zijn afgelegd - niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen haar onder 1 ten laste is gelegd, zodat zij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging van het onder 2 ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit, nu haar een geslaagd beroep op noodweer toekomt. De verdachte heeft onder meer verklaard dat zij door de groep jongeren van haar fiets is getrokken, is bespuugd en getrapt, waarna zij aangever [slachtoffer 2] een kopstoot heeft gegeven uit zelfverdediging.

Het hof overweegt daarover als volgt.

Voor aanvaarding van het beroep op noodweer is onder meer vereist dat de rechter van oordeel is dat de feitelijke grondslag van dat beroep, gelet op wat de verdachte daarover heeft verklaard en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat voorafgaand aan het handelen van de verdachte sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding of een dreigend gevaar daartoe van de verdachte door de aangever.

Uit het dossier volgt dat op 11 september 2022 in Amsterdam een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en een groep jongeren, waaronder aangever [slachtoffer 2] . De aangever heeft verklaard dat hij en zijn vrienden zagen dat de verdachte al fietsend in de bosjes viel en dat zij haar te hulp schoten. De verdachte werd vervolgens ineens agressief en heeft de aangever op enig moment een kopstoot gegeven. Deze aangifte van de aangever wordt ondersteund door meerdere getuigenverklaringen afgelegd zowel bij de politie als bij de raadsheer-commissaris en door de camerabeelden waarop de kopstoot te zien is.

Alleen de verdachte heeft verklaard dat zij door de groep jongeren van haar fiets werd getrokken, is bespuugd en getrapt. Deze verklaring van de verdachte vindt geen steun in het dossier, zodat het hof van oordeel is dat de gestelde feitelijke grondslag van de vermeende noodweersituatie niet aannemelijk is geworden.

Het verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 11 september 2022 te Zaandijk, gemeente Zaanstad, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een kopstoot in het gezicht te geven.

Hetgeen onder 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis, waarvan 50 uren, te vervangen door 25 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 2] , destijds 16 jaar oud, door hem een kopstoot te geven, waardoor hij pijn heeft ondervonden. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast dragen feiten als de onderhavige, waarvan omstanders getuige zijn geweest, bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Uit een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 29 april 2025 blijkt dat zij eerder ter zake van misdrijven – waaronder het medeplegen van mishandeling en weerspannigheid – onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. De verdachte is door haar ex-partner uit huis gezet en verblijft sinds enige tijd in een crisiswoning van het Leger des Heils. Dit valt haar emotioneel zwaar. Uit het reclasseringsadvies van 8 december 2022 volgt onder meer dat bij de verdachte sprake is van gebrekkige vaardigheden omtrent emotie-regulatie en het maken van constructieve keuzes. De raadsvrouw heeft ter zitting medegedeeld dat de verdachte momenteel in een toezicht loopt en behandeld wordt door de Waag voor haar problematiek.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, te vervangen door 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk, passend en geboden.

Het hof constateert dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, in hoger beroep is geschonden. In strafzaken wordt onder meer geen vermindering van de opgelegde straf toegepast als het gaat om een taakstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte minder van honderd uren beloopt. Gelet hierop volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is geschonden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, mr. B.E. Dijkers en mr. C.P.E.M. Fonteijn-van der Meulen, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 mei 2025.

=========================================================================

[…]