afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001317-23
datum uitspraak: 9 juni 2026
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 17 april 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-146231-22 (hierna: zaak A) en 15-126837-21 (hierna: zaak B) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei en 9 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van wat de verdachte en zijn raadsman en de advocaten van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
de bewijsmiddelen zal vervangen ingeval beroep in cassatie wordt ingesteld;
de bewijsmotivering zal aanvullen;
het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal opheffen.
Aanvullende bewijsmotivering
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van het hof, en heeft de verdachte verklaard het door de rechtbank bewezenverklaarde in zowel zaak A als zaak B te bekennen. Voor zover de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring op onderdelen een ontkenning of betwisting inhoudt van onderdelen van de bewezenverklaring, worden deze onderdelen van de verklaring van de verdachte weerlegd door de inhoud van de – ingeval van beroep in cassatie uit te werken – bewijsmiddelen. De behandeling in hoger beroep heeft het hof niet tot een andere beoordeling van het tenlastegelegde gebracht dan de beoordeling van de rechtbank.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Ook heeft zij de verdachte als vrijheidsbeperkende maatregel een contactverbod met de slachtoffers opgelegd voor de duur van vijf jaren, en heeft zij de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel bevolen.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van
64 maanden zal worden opgelegd.
De raadsman heeft het hof verzocht dezelfde straf op te leggen als opgelegd door de rechtbank.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft gedurende een langere periode drie jonge en kwetsbare vrouwen seksueel uitgebuit, voor een deel samen met anderen. Hij heeft de vrouwen gemanipuleerd, misleid, bedreigd en onder druk gezet om hen in de prostitutie te laten werken. De verdachte heeft hierbij ogenschijnlijk gewetenloos misbruik gemaakt van de kwetsbare positie waarin de vrouwen zich bevonden. Met zijn handelen heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de vrouwen en op hun persoonlijke vrijheid, en daarmee op hun fundamentele grondrechten. Dit rekent het hof de verdachte aan, ook omdat de ervaring leert dat de slachtoffers van mensenhandel hiervan nog lange tijd ernstige psychische en emotionele gevolgen kunnen ondervinden. Hoezeer dit bij de slachtoffers in deze zaak het geval is, blijkt ook uit de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaringen. De verdachte heeft – zo blijkt uit het dossier – alleen zijn eigen financieel gewin voor ogen gehad, zonder zich te bekommeren om het leed dat hij de slachtoffers heeft aangedaan. Uit chatgesprekken tussen de verdachte en zijn vrouw blijkt hoe de verdachte de slachtoffers instrumenteel heeft ingezet om geld te verdienen, om zo bijvoorbeeld de verbouwing van hun woning te kunnen bekostigen. Hoewel de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven zijn verantwoordelijkheid te nemen, heeft het hof naar aanleiding van het gesprek met de verdachte op de zitting de indruk gekregen dat de verdachte wel vanwege de duur van de reeds ondergane voorlopige hechtenis en de geboorte van zijn dochter een reëlere blik heeft gekregen op de ernst van zijn handelen en zich niet meer met dit soort zeer ernstige misdaden wil inlaten, maar dat hij nog altijd niet de volledige verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt. Het hof wijst er in dat kader op dat de verdachte ook nu nog zijn rol in het bewezenverklaarde bagatelliseert en dat hij met name wenst het daaruit verkregen voordeel te nuanceren op een manier die te ver afstaat van wat het dossier aan belastende informatie daarover bevat.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 4 mei 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van een geweldsdelict (huiselijk geweld) onherroepelijk tot een taakstraf is veroordeeld. Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 13 mei 2026, waarin onder meer wordt geadviseerd de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Het hof is van oordeel dat op de bewezenverklaarde feiten, gelet op de aard en ernst daarvan, niet anders kan worden gereageerd dan met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Het hof ziet in deze zaak geen aanleiding een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden passend en geboden. Het hof stelt echter vast dat het in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opgenomen recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht is geschonden. De verdachte heeft op 1 mei 2023 hoger beroep ingesteld en op 9 juni 2026 wordt door het hof eindarrest gewezen. Nu de verdachte sinds zijn aanhouding in verband met zaak A gedetineerd is geweest tot 31 januari 2025, betekent dit dat de redelijke termijn van 16 maanden is overschreden met ruim 21 maanden. Het hof is van oordeel dat dit matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben, in die zin dat het hof in plaats van voornoemde gevangenisstraf van 54 maanden een gevangenisstraf van 48 maanden zal opleggen.
Het hof ziet – net zoals de advocaat-generaal - op dit moment geen noodzaak meer om aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen in de vorm van een contactverbod met de slachtoffers. Doorslaggevend daarbij is dat de feiten inmiddels ongeveer vijf jaar geleden zijn gepleegd en er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte nog contact zal zoeken met de slachtoffers.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 801.000,00, bestaande uit € 781.000,00 materiële schade en
€ 20.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 170.200,00, bestaande uit € 160.200,00 aan materiële en € 10.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 605.479,82 (bestaande uit € 585.750,00 materiële schade en
€ 20.000,00 immateriële schade, met aftrek van het reeds door medeverdachte [benadeelde partij 3] aan de benadeelde partij uitgekeerde bedrag van € 270,18). Voorts heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
De raadsman heeft het hof primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot vergoeding van materiële schade. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, en dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Op basis van de beschikbare stukken is – volgens de raadsman – niet op eenvoudige wijze een onderbouwde schatting te maken van i) de frequentie van de werkzaamheden door de benadeelde partij, ii) de gemiddelde dagopbrengst, iii) de gemaakte kosten, en daarmee iv) de winst uit de door de benadeelde partij verrichte werkzaamheden, zijnde de door de benadeelde partij geleden schade. De raadsman heeft betwist dat sprake zou zijn geweest van een (minimale) opbrengst van € 1.000,00 per dag. Hij heeft daartoe – onder verwijzing naar de zich in het dossier bevindende chatgesprekken tussen de verdachte en zijn vrouw – aangevoerd dat een dergelijke opbrengst mogelijk als doel werd gesteld, maar dat niet blijkt dat deze doelen in de praktijk ook werden behaald. Voorts heeft hij daartoe aangevoerd dat de benadeelde partij bij haar aangifte heeft verklaard dat een geschatte dagopbrengst van € 1.000,00 per dag ‘veels te veel’ is. Subsidiair heeft hij het hof verzocht de gevorderde vergoeding van materiële schade te matigen tot een bedrag van € 80.100,00, uitgaand van een gemiddelde dagwinst van € 150,00 over een periode van 534 dagen. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van immateriële schade heeft de raadsman het hof verzocht aan te sluiten bij de door de rechtbank genomen beslissing, met aftrek van het door (bij onherroepelijk vonnis veroordeelde) medeverdachte [benadeelde partij 3] reeds aan de benadeelde partij uitgekeerde bedrag.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Deze schade bestaat uit gederfde winst uit prostitutiewerkzaamheden. Het hof zal de omvang van de geleden schade schatten aan de hand van de zich in het dossier bevindende informatie.
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de advocaat van de benadeelde partij – onder verwijzing naar verklaringen van aangeefsters [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] – gesteld dat alle opbrengsten uit prostitutiewerkzaamheden verricht door de benadeelde partij zijn afgestaan aan de verdachte. Dit is door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist. Het hof gaat daarom niet uit van een verdeelsleutel tussen de benadeelde partij en de verdachte, maar van volledige afdracht aan de verdachte.
Tegenover de rechter-commissaris heeft de benadeelde partij verklaard te zijn begonnen met werken op 26 april 2020 en één vrije dag per week te hebben gehad. Het hof ziet – mede gelet op de overige inhoud van het dossier – geen reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen, en zal daarom uitgaan van een zesdaagse werkweek vanaf 26 april 2020 tot en met de dag van aanhouding van de verdachte
(11 mei 2022). Dat is een periode van 746 dagen, waarvan de benadeelde partij (afgerond) 639 dagen zou hebben gewerkt.
Over de opbrengsten van haar werkzaamheden heeft de benadeelde partij tegenover de rechter-commissaris verklaard ongeveer € 1.500,00 tot € 2.000,00 per dag te hebben verdiend. Aan de vordering van de benadeelde partij ligt een geschatte opbrengst van € 1.000,00 per dag ten grondslag. Het hof acht die schatting in algemene zin een reële gemiddelde dagopbrengst voor het door de benadeelde partij verrichte werk. Het hof betrekt daarbij het gegeven dat een zich in het dossier bevindende advertentie van de benadeelde partij (onder de naam ‘ [naam] ’) op [website] de volgende prijzen vermeldt: € 150,00 per dertig minuten, € 200,00 tot € 250,00 per uur en € 450,00 euro per twee uur. Voorts betrekt het hof daarbij dat uit onder meer de verklaring van de benadeelde partij en uit de chatgesprekken tussen de verdachte en zijn vrouw blijkt dat de benadeelde partij gehele dagen werkte en dat zij meerdere klanten per dag had. Dat de benadeelde partij in haar verklaring van 15 juni 2022 heeft verklaard dat de door verbalisanten aan haar voorgehouden dagopbrengst van € 1.000,00 ‘veels te veel’ zou zijn en dat zij dat niet zou verdienen, maakt het voorgaande niet anders. In die verklaring richtte de benadeelde partij zich vooral op de uitbuiting door de medeverdachte [benadeelde partij 3] en hield zij de verdachte – voor wie zij toen nog affectieve gevoelens had – uit de wind. Dit laatste deed de benadeelde partij in haar latere verklaring bij de rechter-commissaris niet meer en het hof gaat – zoals uit voorgaande paragraaf is gebleken, ook in het kader van de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij – uit van deze latere verklaring.
Om tot een schatting van de dagwinst te komen, zal het hof voornoemde dagopbrengst – anders dan de benadeelde partij heeft gedaan – wel verminderen met de geschatte dagelijkse kosten voor de verrichte prostitutiewerkzaamheden (onder meer kosten voor hotels en/of kamerhuur, vervoer, condooms en advertenties). Het hof zal deze kosten ruim schatten op een gemiddelde van € 250,00 per dag en komt dus op een geschatte gemiddelde dagwinst van € 750,00.
Het voorgaande brengt het hof tot een voorlopig geschatte gederfde winst over de gehele periode van
€ 479.250,00 (639 dagen x € 750,00 dagwinst).
Het hanteren van € 479.250,00 als geschat bedrag aan gederfde winst zou impliceren dat op alle
639 werkdagen genoemde opbrengst/winst zou zijn behaald. Naar het oordeel van het hof is het – gelet op de langere periode waarin de werkzaamheden zijn verricht – echter onvermijdelijk dat door (onvoorziene) omstandigheden niet elke werkdag (volledig) zal zijn gewerkt/verdiend, door bijvoorbeeld klantafspraken die geen doorgang konden vinden, perioden van beperkte toestroom van klanten, eventueel door de situatie rond COVID-19 (corona), of incidentele dagen waarop niet of minder werd gewerkt. Deze omstandigheden worden naar het oordeel van het hof onvoldoende ondervangen als over de gehele periode wordt uitgegaan van een (gemiddelde) dagopbrengst van € 1.000,00, zoals de benadeelde partij in haar vordering heeft gedaan. Het hof zal in verband daarmee een correctie toepassen van 20%.
Het hof schat het totaalbedrag aan gederfde winst daarom op € 383.400,00. Bewezen is verklaard dat de verdachte dit misdrijf tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Dit brengt met zich dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor deze ontstane schade. De verdachte is aldus tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen. Het hof zal – eveneens hoofdelijk – de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Anders dan de raadsman heeft verzocht, zal het hof het door medeverdachte [benadeelde partij 3] aan de benadeelde partij uitgekeerde bedrag niet in mindering brengen op bovengenoemd bedrag. Het hof betrekt daarbij dat ter terechtzitting in hoger beroep genoegzaam is gebleken dat het reeds door medeverdachte [benadeelde partij 3] aan de benadeelde partij uitgekeerde bedrag van € 270,18 enkel betrekking heeft op de wettelijke rente die zij uit hoofde van de bij onherroepelijk vonnis aan haar opgelegde betalingsverplichting verschuldigd is aan de benadeelde partij. Die betaling kan daarom niet worden aangemerkt als betaling van een deel van het door de benadeelde partij in de onderhavige zaak gevorderde schadebedrag.
Het hof wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade voor het overige af, omdat de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van deze vordering voor het overig gevorderde deel in voldoende mate is komen vast te staan.
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in deze zaak (het langdurig seksueel uitbuiten van de benadeelde partij door haar in de prostitutie te laten werken, waarbij zij op verschillende manieren onder druk werd gezet) mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor deze benadeelde partij zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op:
de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, samen met de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij, waarbij namens haar onderbouwd zijn toegelicht de concrete gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad en welke gevolgen zij daarvan nog altijd draagt; en
- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl). Het hof stelt alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien – tegen de achtergrond van HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376 en HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822 – de totale omvang van de vergoedbare immateriële schade van deze benadeelde partij naar billijkheid vast op € 17.500,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Nu het hof de omvang van de immateriële schade op voornoemd bedrag vaststelt, betekent dit dat het overige deel van de gevorderde vergoeding van immateriële schade (groot € 2.500,00) zal worden afgewezen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 108.000,00, bestaande uit € 98.000,00 materiële schade en € 10.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 20.000,00, bestaande uit € 10.000,00 aan materiële en € 10.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij aangevoerd dat het gevorderde bedrag ter vergoeding van immateriële schade – mede gelet op de ná indiening van de vordering gepubliceerde Rotterdamse Schaal – inmiddels niet meer billijk is. Zij heeft het hof daarom verzocht om bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor vergoeding van de immateriële schade uit te gaan van een hoger bedrag dan het gevorderde bedrag van € 10.000,00, te weten een bedrag van € 21.000,00.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk moet worden toegewezen tot een bedrag van € 103.206,17, en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd voor een bedrag van € 108.206,17. Zij heeft daarbij rekening gehouden met het gegeven dat aan de benadeelde partij door medeverdachte [benadeelde partij 3] uit hoofde van de bij onherroepelijk vonnis aan haar opgelegde betalingsverplichting reeds een bedrag van € 4.798,83 is uitgekeerd.
De raadsman heeft het hof primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot vergoeding van materiële schade. Heeft hij daartoe aangevoerd dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, en dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De raadsman heeft betwist dat de benadeelde partij voor een periode van zeven maanden prostitutiewerkzaamheden zou hebben verricht, en heeft verwezen naar de in dit kader door de rechtbank geschatte periode van vijf maanden. Voorts heeft de raadsman betwist dat sprake zou zijn geweest van een vijfdaagse werkweek, en heeft hij verwezen naar de in dit kader door de rechtbank geschatte vierdaagse werkweek. Ook heeft de raadsman de geschatte dagopbrengst van minimaal € 1.400,00 per dag betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dit bedrag, gelet op de gemaakte kosten, de afwisseling van drukke en rustige perioden en ‘het coronatijdperk’ te hoog is. Subsidiair heeft hij het hof verzocht de gevorderde vergoeding van materiële schade te matigen tot een bedrag van € 12.000,00, uitgaand van een gemiddelde dagwinst van € 150,00 over een periode van twintig vierdaagse werkweken. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van immateriële schade heeft de raadsman het hof verzocht aan te sluiten bij de door de rechtbank genomen beslissing, met aftrek van het door (bij onherroepelijk vonnis veroordeelde) medeverdachte [benadeelde partij 3] reeds aan de benadeelde partij uitgekeerde bedrag.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Deze schade bestaat uit gederfde winst uit prostitutiewerkzaamheden. Het hof zal de omvang van de geleden schade schatten aan de hand van de zich in het dossier bevindende informatie.
Uit het dossier volgt dat de benadeelde partij in de bewezenverklaarde periode kortere en langere perioden geen prostitutiewerkzaamheden heeft verricht, en dat het aantal werkdagen per week varieerde. Op grond van het dossier gaat het hof er schattenderwijs van uit dat de benadeelde partij gedurende een periode van (bij elkaar opgeteld) vijf maanden prostitutiewerkzaamheden heeft verricht voor gemiddeld vijf dagen per week. Dat levert (afgerond) een periode van 107 werkdagen op. Aan de vordering van de benadeelde partij ligt een geschatte opbrengst van € 1.400,00 per dag ten grondslag. Het hof zal uitgaan van € 1.000,00 als schatting van de gemiddelde dagopbrengst van het door de benadeelde partij verrichte werk. Het hof betrekt daarbij onder meer het gegeven dat een zich in het dossier bevindende advertentie onder de naam ‘ [naam 2] ’ op [website] de volgende prijzen vermeldt: € 150,00 per dertig minuten, € 200,00 tot € 250,00 per uur en € 500,00 euro per twee uur. Voorts betrekt het hof daarbij dat uit onder meer de verklaringen van de benadeelde partij blijkt dat zij regelmatig lange dagen werkte en dat zij (op een uitzondering na) meerdere klanten per dag had.
Om tot een schatting van de dagwinst te komen, zal het hof voornoemd bedrag verminderen met de geschatte dagelijkse kosten voor de verrichte prostitutiewerkzaamheden (onder meer kosten voor hotels en/of kamerhuur, vervoer, condooms en advertenties). Het hof zal deze kosten ruim schatten op een gemiddelde van € 250,00 per dag. Dat levert een winst van € 750,00 per dag op.
Nu aan de vordering een 50/50-verdeelsleutel tussen enerzijds de benadeelde partij en anderzijds de verdachte (en de medeverdachte) ten grondslag ligt, zal het hof de gederfde winst van de benadeelde partij schatten op € 375,00 op per dag.
Het voorgaande brengt het hof tot een voorlopig geschatte gederfde winst over de gehele periode van € 40.125,00 (107 dagen x € 375,00 dagwinst).
Het hanteren van € 40.125,00 als geschat bedrag aan gederfde winst zou impliceren dat op alle
107 werkdagen genoemde opbrengst/winst zou zijn behaald. Naar het oordeel van het hof is het – gelet op de langere periode waarin de werkzaamheden zijn verricht – echter onvermijdelijk dat door (onvoorziene) omstandigheden niet elke werkdag (volledig) zal zijn gewerkt/verdiend, door bijvoorbeeld klantafspraken die geen doorgang konden vinden, perioden van beperkte toestroom van klanten, eventueel door de situatie rond COVID-19 (corona), of incidentele dagen waarop niet of minder werd gewerkt. Deze omstandigheden worden naar het oordeel van het hof onvoldoende ondervangen als over de gehele periode wordt uitgegaan van een (gemiddelde) dagopbrengst van € 1.000,00. Het hof zal in verband daarmee een correctie toepassen van 20%.
Het hof schat het totaalbedrag aan gederfde winst daarom op € 32.100,00. Bewezen is verklaard dat de verdachte dit misdrijf tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Dit brengt met zich dat de verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor deze ontstane schade. De verdachte is aldus tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen. Het hof zal – eveneens hoofdelijk – de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Het hof wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade voor het overige af, omdat de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van deze vordering voor het overig gevorderde deel in voldoende mate is komen vast te staan.
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in deze zaak (het gedurende verschillende perioden seksueel uitbuiten van de benadeelde partij door haar in de prostitutie te laten werken, waarbij zij fysiek en mentaal op verschillende manieren onder druk werd gezet) mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor deze benadeelde partij zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Gelet op:
de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, samen met de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij, zoals namens haar toegelicht;
de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd;
de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl),
acht het hof begroting van de immateriële schade op een bedrag van € 10.000,00 billijk.
De medeverdachte [benadeelde partij 3] is bij onherroepelijk vonnis hoofdelijk veroordeeld tot vergoeding van € 10.000,00 aan immateriële schade, ten bate van deze benadeelde partij. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij bevestigd, dat de benadeelde partij dit gehele bedrag al heeft ontvangen op grond van de bij dat vonnis hoofdelijk opgelegde schadevergoedingsmaatregel. Hieruit volgt dat de benadeelde partij geen vergoedbare immateriële schade meer heeft. De verdachte is niet meer tot vergoeding van die gevorderde schade gehouden. Het hof zal de gevorderde vergoeding van immateriële schade daarom afwijzen.
Om te bevorderen dat de Staat het uit hoofde van het vonnis van medeverdachte [benadeelde partij 3] aan de benadeelde partij uitgekeerde bedrag ook op de verdachte kan verhalen, zal het hof aan de verdachte wel hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor het gehele immateriële schadebedrag van
€ 10.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna in de beslissing te noemen ingangsdatum. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte brengt mee dat voor zover dit schadebedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens medeverdachte [benadeelde partij 3] aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die betalingsverplichting zal zijn bevrijd (artikel 6:7, tweede lid, BW).
Anders dan ter terechtzitting in hoger beroep door de advocaat van de benadeelde partij verzocht, ziet het hof geen aanleiding om ten aanzien van de immateriële schade een schadevergoedingsmaatregel op te leggen die de hoogte van het (ten aanzien van dat onderdeel van de vordering) initieel gevorderde overstijgt. Naar het oordeel van het hof noopt het verbod tot verhoging van de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep, tot zeer terughoudende toepassing van de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel die de hoogte van de initiële vordering van de benadeelde partij overstijgt. Die mogelijkheid dient te worden voorbehouden aan zeer uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als sprake is van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien. In deze zaak is zo’n uitzonderlijk geval niet aan de orde en het hof gaat dus niet mee in dit namens de benadeelde partij gedane verzoek.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 144.000,00, bestaande uit € 134.000,00 materiële schade en
€ 10.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 22.000,00, bestaande uit € 12.000,00 aan materiële en € 10.000,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering hoofdelijk integraal moet worden toegewezen. Voorts heeft zij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het gehele bedrag gevorderd.
De raadsman heeft het hof primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot vergoeding van materiële schade. Heeft hij daartoe aangevoerd dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, en dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De raadsman heeft betwist dat de benadeelde partij voor een periode van zevenenzestig weekenden prostitutiewerkzaamheden zou hebben verricht, en heeft verwezen naar de in dit kader door de rechtbank gehanteerde periode van zestien weekenden. Ook heeft de raadsman de geschatte opbrengst van € 2.000,00 per weekend betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat dit bedrag, gelet op de gemaakte kosten, de afwisseling van drukke en rustige perioden en ‘het coronatijdperk’ te hoog is. Subsidiair heeft hij het hof verzocht de gevorderde vergoeding van materiële schade te matigen tot een bedrag van € 4.800,00, uitgaand van een gemiddelde dagwinst van € 150,00 over een periode van tweeëndertig dagen. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van immateriële schade heeft de raadsman het hof verzocht aan te sluiten bij de door de rechtbank genomen beslissing.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Deze schade bestaat uit gederfde winst uit prostitutiewerkzaamheden. Het hof zal de omvang van de geleden schade schatten aan de hand van de zich in het dossier bevindende informatie.
Het hof schat het aantal door de benadeelde partij gewerkte weekenden tot het moment waarop slachtoffer [benadeelde partij 1] in beeld kwam op zestien. Uit het dossier leidt het hof af dat de benadeelde partij ook ná de komst van [benadeelde partij 1] prostitutiewerkzaamheden voor de verdachte is blijven verrichten. Het dossier en de (toelichting op de) vordering bieden echter onvoldoende aanknopingspunten voor een onderbouwde schatting van de duur en frequentie van de werkzaamheden verricht vanaf dat moment. Het hof betrekt daarbij onder meer het gegeven dat de benadeelde partij onherroepelijk is veroordeeld voor het seksueel uitbuiten van [benadeelde partij 1] (gepleegd vanaf 24 april 2020), en dat zij een deel van de inkomsten van [benadeelde partij 1] zou hebben ontvangen. Het dossier bevat onvoldoende informatie over de verhouding tussen de prostitutiewerkzaamheden van de benadeelde partij en (het voordeel verkregen uit) de uitbuiting van [benadeelde partij 1] door deze benadeelde partij. Naar het oordeel van het hof bevatten het dossier en (de toelichting op) de vordering onvoldoende aanknopingspunten voor een onderbouwde schatting van de gederfde winst vanaf het moment dat slachtoffer [benadeelde partij 1] in beeld kwam. Het verrichten van nader onderzoek daarnaar zou (in deze fase van het proces) leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van haar vordering (groot € 102.000,00).
Over de opbrengsten van haar werkzaamheden heeft de benadeelde partij bij haar aangifte verklaard ongeveer € 2.000,00 tot € 3.000,00 per weekend te hebben verdiend. Aan de vordering van de benadeelde partij ligt een geschatte opbrengst van € 2.000,00 per weekend ten grondslag. Het hof acht die schatting – in het licht van het gehele dossier - reëel en neemt die over. Het hof betrekt daarbij mede dat de benadeelde partij heeft verklaard in de betreffende weekenden ‘heel veel [het hof begrijpt: klanten] te hebben moeten ontvangen’. Om tot een schatting van de winst per weekend te komen, zal het hof voornoemd bedrag verminderen met de geschatte kosten voor de verrichte prostitutiewerkzaamheden (onder meer kosten voor hotels en/of kamerhuur, vervoer, condooms en advertenties). Het hof zal deze kosten ruim schatten op een gemiddelde van € 500,00 per weekend. Dat brengt de geschatte winst op € 1.500,00 per weekend.
Nu het hof de gevorderde vergoeding van gederfde inkomsten enkel ten gronde behandelt voor zover deze ziet op een periode van zestien weekenden, zal het hof – gelet op de beperkte omvang van die periode – geen correctie toepassen in verband met onvoorziene omstandigheden. Het hof betrekt daarbij mede dat het dossier geen aanknopingspunten bevat voor onderbrekingen in prostitutiewerkzaamheden van de benadeelde partij in deze periode.
Het hof schat het totaalbedrag aan gederfde winst daarom op € 24.000,00. Het hof acht het, gelet op de inhoud van het dossier, aannemelijk dat de benadeelde partij dit volledige bedrag aan de verdachte heeft afgedragen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Voor de materiële schade tot 24 april 2020 wijst het hof het tot die datum voor het overige aan materiële schade gevorderde (groot € 8.000,00) af, omdat in zoverre de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van dit deel van de vordering in voldoende mate is komen vast te staan. Voor het na die datum gevorderde geldt dat de vordering in zoverre door de beperkingen van de voegingsprocedure in het strafproces onderwerp behoort te kunnen zijn van een vollediger partijdebat bij de civiele rechter dan in het strafproces mogelijk is. Het hof zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in dit onderdeel van haar vordering (groot €102.000,00). De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Naar het oordeel van het hof brengen de aard en de ernst van de normschending in deze zaak (het seksueel uitbuiten van de benadeelde partij door haar in de prostitutie te laten werken, waarbij zij fysiek en mentaal op verschillende manieren onder druk werd gezet) mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor deze benadeelde partij zo voor de hand liggen dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW. Bij de begroting van de schade heeft het hof in het bijzonder gelet op:
de aard, de ernst en de verwijtbaarheid van het onrechtmatige handelen van de verdachte, samen met de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt;
de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij, zoals door haar advocaat toegelicht; en
de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd.
Het hof heeft daarbij ook acht geslagen op de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl). Het hof stelt alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien de totale omvang van de vergoedbare immateriële schade van deze benadeelde partij naar billijkheid vast op € 10.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf, de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in zaak A ( 15-146231-22 ) bewezenverklaarde tot het bedrag van € 400.900,00 (vierhonderdduizend negenhonderd euro) bestaande uit € 383.400,00 (driehonderddrieëntachtigduizend vierhonderd euro) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het in zaak A ( 15-146231-22 ) bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 400.900,00 (vierhonderdduizend negenhonderd euro) bestaande uit € 383.400,00 (driehonderddrieëntachtigduizend vierhonderd euro) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 302 (driehonderdtwee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 3 mei 2021
en van de immateriële schade op 21 april 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in zaak B ( 15-126837-21 ) onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 32.100,00 (tweeëndertigduizend honderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het in zaak B ( 15-126837-21 ) onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 42.100,00 (tweeënveertigduizend honderd euro) bestaande uit € 32.100,00 (tweeëndertigduizend honderd euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 oktober 2020
en van de immateriële schade (in het kader van de schadevergoedingsmaatregel) op 1 oktober 2020.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het in zaak B ( 15-126837-21 ) onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 34.000,00 (vierendertigduizend euro) bestaande uit € 24.000,00 (vierentwintigduizend euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 8.000,00 (achtduizend euro) aan materiële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het in zaak B ( 15-126837-21 ) onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 34.000,00 (vierendertigduizend euro) bestaande uit € 24.000,00 (vierentwintigduizend euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 26 (zesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 februari 2020 en van de immateriële schade op 30 juli 2020.
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. R. van der Heijden en mr. R.A.J. Hübel, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juni 2026.