Oplegging van straf en maatregel
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege (hierna: met dwangverpleging) opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte tot dezelfde maatregel zal worden veroordeeld als door de rechtbank opgelegd. Indien het hof overgaat tot oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden vordert de advocaat-generaal dat aan de verdachte op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) tevens een contactverbod met alle slachtoffers wordt opgelegd evenals een locatieverbod rond de woningen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] .
De raadsvrouw van de verdachte heeft verzocht niet de tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen, maar de tbs-maatregel met voorwaarden zoals geadviseerd in de recente rapportages van de Pro Justitia-deskundigen en de reclassering en heeft aangevoerd dat de verdachte intrinsiek gemotiveerd is om de voorwaarden na te leven.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte en heeft daarbij in aanmerking genomen de inhoud van de adviezen en (aanvullende) rapporten die over de verdachte zijn uitgebracht. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn buurman en heeft zijn ex-vriendin en haar moeder ernstige bedreigd. In oktober 2023 heeft hij zijn ex-vriendin (tevens de moeder van zijn zoontje) en haar moeder bedreigd met de dood en zware mishandeling. Op twee opeenvolgende nachten heeft hij – ondanks een geldend contact- en locatieverbod met beiden – post op het adres van de moeder bezorgd. De eerste nacht heeft hij het babyboekje van zijn zoontje met daarin een dreigende tekst en een aardappelschilmesje in de brievenbus gestopt en de volgende nacht een brief met daarin dreigementen gericht aan zowel zijn ex-vriendin als haar moeder. Gelet op de gewelddadige en bedreigende voorgeschiedenis die de slachtoffers hadden met de verdachte, hebben de slachtoffers deze gedragingen als zeer beangstigend ervaren. Het contact- en locatieverbod heeft de verdachte er niet van weerhouden de slachtoffers op te zoeken en te bedreigen. Daarnaast heeft de verdachte op 12 september 2023 zonder enige aanleiding zijn buurman met de vuist in het gezicht gestompt. De buurman heeft door deze mishandeling pijn en letsel opgelopen en is sindsdien bang voor de verdachte. Dit zijn ernstige feiten die grove inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer en, in het geval van de buurman: de lichamelijke integriteit, van de slachtoffers.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte onder meer gelet op:
het strafblad gedateerd 29 juni 2026 waaruit blijkt dat de verdachte tweemaal eerder tot onherroepelijke vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld wegens huiselijk geweld. Daarnaast is de verdachte in 2021 nog onherroepelijk veroordeeld voor verboden wapenbezit en liep hij ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in een proeftijd;
de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport van de reclassering van 19 januari 2024;
de inhoud van het Pro Justitia-rapport opgesteld door [persoon 1] , psychiater, gedateerd 29 april 2024;
de inhoud van het Pro Justitia-rapport opgesteld door [persoon 2] , GZ-psycholoog, gedateerd 24 mei 2024;
de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport van de reclassering van 26 juli 2024;
de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport van de reclassering van 11 oktober 2024;
de inhoud van het Pro Justitia-rapport opgesteld door [persoon 2] , GZ-psycholoog, gedateerd 1 februari 2025;
de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport van de reclassering van 14 februari 2025;
de inhoud van het Pro Justitia-rapport opgesteld door [persoon 1] , psychiater, gedateerd 23 juni 2026;
de inhoud van het Pro Justitia-rapport opgesteld door [persoon 2] , GZ-psycholoog, gedateerd 29 juni 2026 en
de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte adviesrapport van de reclassering van 3 juli 2026.
Oplegging van maatregel
Het hof is van oordeel dat aan de verdachte – naast een op te leggen gevangenisstraf – de tbs-maatregel moet worden opgelegd, omdat aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 37a Sr is voldaan. Bij de verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in de vorm van een schizofreniestoornis en voorts is sprake van zwakbegaafdheid en stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis. Ook is sprake van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld.
Ten aanzien van de vraag of de algemene veiligheid van personen en/of de veiligheid van anderen de oplegging van de tbs-maatregel eist en, zo ja, welke modaliteit dient te worden opgelegd, neemt het hof in het bijzonder de onderstaande adviezen in beschouwing.
Pro Justitia-rapportages
De verdachte is in het kader van het onderzoek naar zijn geestvermogens meermalen onderzocht.
Het rapport opgemaakt door GZ-psycholoog [persoon 2] voornoemd van 29 juni 2026 houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in.
Diagnostisch is het beeld geduid als passend bij een schizofreniespectrumstoornis en stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis. Qua intelligentie functioneert onderzochte op zwakbegaafd niveau.
Ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten was onderzochte gestopt met het innemen van zijn antipsychotische medicatie. Hij was achterdochtig en in die tijd “boos op alles en iedereen”. Vanwege het ziekbed en het vervolgens overlijden van zijn moeder, zat hij “hoog in zijn emoties”. Tevens had hij alcohol gebruikt. De psychose en het alcoholgebruik hebben dusdanig doorgewerkt in zijn gedrag dat zijn sturingsmogelijkheden verminderd zijn geweest. Het Gerechtshof wordt daarom geadviseerd om hem de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Vanwege het verblijf in detentie van onderzochte, het effect daarvan én van de strafzaak is de klinische inschatting van het risico op herhaling van de tenlastegelegde feiten, wanneer hij ingebed is in zorg en ambulante begeleiding van zijn behandelaar van GGZinGeest krijgt en er forensisch toezicht is op zijn functioneren, laag.
In een vrije, onbegeleide situatie waarin hij geen ambulante ondersteuning heeft, er geen toezicht is op zijn functioneren, zijn medicatiegebruik en het gebruik van alcohol en cannabis, blijft het risico op herhaling onverminderd hoog.
Onderzochte is, na het overlijden van zijn moeder, in rustiger vaarwater gekomen. Hij heeft inmiddels enig ziekte-inzicht en zegt nu gemotiveerd te zijn om langdurig zijn antipsychotische medicatie te blijven innemen en is bereid om geen alcohol meer te drinken. Tevens zegt hij ervan doordrongen te zijn begeleiding nodig te hebben om te praten over zijn spanningen en stress en dat voorkomen dient te worden dat hij geïsoleerd raakt. De langere periode in detentie heeft hem, volgens zijn zeggen, doen inzien dat hij zijn toekomst op een andere manier zal moeten inrichten.
Dit maakt dat het perspectief op een behandeling, die zal leiden tot vermindering van het risico op recidive, gunstiger is. De toezegging dat zijn behandelaar van GGZinGeest de ambulante behandeling weer wil gaan oppakken wanneer hij uit detentie komt, is een belangrijke stabiliserende factor.
In zijn algemeenheid heeft onderzochte weinig zelfsturing en is hij dientengevolge afhankelijk van veel stut- en steunwerk in zijn leven om te voorkomen dat hij zich schuldig maakt aan strafbaar gedrag. Zijn eerdere weigeringen om zich te laten behandelen en contact te hebben met de Reclassering maken dat ook op de lange termijn de ondersteuningsstructuur en het forensisch toezicht op zijn functioneren geborgd zullen moeten zijn.
Onderzochte heeft baat bij een juridisch kader waarmee er, ook op de langere termijn, waarborgen zijn dat hij met zijn agressieve gedrag geen schade meer kan aanrichten. Een tbs-kader wordt als meest passend en noodzakelijk geacht om onderzochte ook op de langere termijn te monitoren en te blijven volgen of zijn behandeling leidt tot een situatie, waarin zijn recidiverisico tot een aanvaardbaar niveau omlaag is gebracht. Omdat onderzochte zich bereid heeft verklaard om akkoord te gaan met de aan hem gestelde voorwaarden, wordt een maatregel ‘tbs met voorwaarden’ als voldoende dwingend gezien.
Het rapport opgemaakt door psychiater [persoon 1] voornoemd van 23 juni 2026 houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in.
Bij betrokkene is sprake van schizofrenie, zwakbegaafdheid en een stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis (in langdurige remissie). Dit was ook zo ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Betrokkene was door zijn schizofrenie en zwakbegaafdheid achterdochtig en hij had last van paranoïde wanen. Zo dacht hij dat er een complot was gesmeed waardoor hij zijn zoon niet meer mocht zien en dat er (door zijn buurman) bij hem was ingebroken. Geadviseerd wordt om beide ten laste gelegde feiten in een sterk verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.
De kans op recidive van gewelddadig gedrag en acuut dreigend fysiek geweld is matig, ingeschat met behulp van de HCR-20-V3, de SAPROF en de klinische beoordeling. Betrokkene heeft een geschiedenis van problemen in relaties, bijvoorbeeld relatiebreuken, ruzies en stalking. Hij is zijn huurwoning door detentie verloren. Verder staat hij onder bewindvoering, wat overigens goed verloopt. Betrokkene is inmiddels onder behandeling en werkt mee aan behandeling inclusief (antipsychotische) medicatie en abstinentie van alcohol en cannabis.
Betrokkene is (inmiddels) bereid om zich aan voorwaarden te houden zoals inname van antipsychotische medicatie en abstinentie van roesmiddelen. Het recidive op risico is verminderd naar matig en hij kan ambulant worden behandeld. Een Tbs-maatregel met dwangverpleging is daardoor niet meer noodzakelijk. Wel is het belangrijk dat betrokkene gedurende een langere periode wordt gecontroleerd op voorwaarden (medicatie inname, abstinentie roesmiddelen, omgang met ex-vriendinnen en kinderen) zodat hij niet meer terugvalt. Uit het verleden is gebleken dat een strikt kader daarvoor nodig is, omdat
betrokkene zich anders niet gaat houden aan de voorwaarden en het risico op recidive en escalatie
dan groot is.
Geadviseerd wordt om betrokkene een TBS maatregel met voorwaarden op te leggen zodat betrokkene forensisch behandeld wordt, in eerste instantie in een klinische omgeving. Reclassering zou dan toezicht kunnen houden op de naleving van de voorwaarden, waarbij gedacht moet worden aan inname van antipsychotische medicatie en abstinentie van roesmiddelen.
Reclassering
Ook heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport van 3 juli 2026 (het maatregelenrapport), waarin de reclassering adviseert om de tbs-maatregel met de volgende voorwaarden op te leggen.
• Geen strafbaar feit plegen
• Meewerken aan reclasseringstoezicht
• Meewerken aan time-out
• Niet naar het buitenland
• Opname in een zorginstelling
• Ambulante behandeling
• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
• Verbod verdovende middelen
• Alcoholverbod
• Contactverbod
• Locatieverbod (zonder elektronisch toezicht)
• Dagbesteding
Voorts adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen van de tbs-maatregel met voorwaarden. De kans op een misdrijf met schade voor personen is groot, aldus de reclassering.
Overwegingen en gevolgtrekkingen van het hof
Het hof neemt op grond van de conclusies van de gedragsdeskundigen, die hij deelt, als vaststaand aan dat de verdachte ten tijde van de feiten leed aan een ziekelijke stoornis en acht de verdachte – overeenkomstig de bevindingen van de deskundigen – (sterk) verminderd toerekeningsvatbaar. Het hof stelt met de gedragsdeskundigen vast dat de verdachte een intensieve, klinische en langdurige behandeling nodig heeft en dat, om grip op hem te krijgen en te houden, een stevig en structureel behandelkader in een beveiligde en begeleidende omgeving noodzakelijk is. Ook zal de verdachte waarschijnlijk voor de rest van zijn leven medicatie voor zijn schizofreniestoornis moeten gebruiken.
In hoger beroep heeft de discussie zich met name toegespitst op de vraag of de tbs-maatregel met dwangverpleging dan wel de tbs-maatregel met voorwaarden dient te worden opgelegd. In eerste aanleg heeft de verdachte geen medewerking willen verlenen aan onderzoek ten behoeve van de over zijn persoon uitgebrachte rapportages. Het advies van de deskundigen in eerste aanleg was mede daarom oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging. In hoger beroep heeft de verdachte zijn proceshouding veranderd en heeft hij wél zijn volledige medewerking verleend aan onderzoek ten behoeve van de actualisatie-rapportages die over zijn persoon zijn uitgebracht. De deskundigen komen mede daardoor in hoger beroep tot een gewijzigd advies met betrekking tot welke vorm van de tbs-maatregel zou moeten worden opgelegd. Zowel GZ-psycholoog [persoon 2] als psychiater [persoon 1] achten een tbs-maatregel met dwangverpleging niet langer noodzakelijk en zij adviseren beiden een tbs-maatregel met voorwaarden. Ook de reclassering komt tot een gematigd positief advies over de oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden, waarbij de reclassering heeft aangegeven met name twijfels te hebben over de extrinsieke motivatie van de verdachte.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof met de deskundigen van oordeel dat een tbs-maatregel met dwangverpleging niet langer noodzakelijk is. Het hof neemt het advies van de deskundigen over en legt aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op. Daartoe heeft het hof mede het volgende in overweging genomen. Ter zitting in hoger beroep heeft de verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten bekend en inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen. De verdachte ziet het belang van een (klinische) behandeling en is bereid om zich zo lang als noodzakelijk aan de geadviseerde voorwaarden te houden. Hij erkent in het verleden een probleem te hebben gehad met het gebruik van alcohol en cannabis en zegt er geen moeite mee te hebben om niet langer te gebruiken. Ook geeft hij aan baat te hebben bij het innemen van antipsychotische medicatie en wil hij deze medicatie ook graag blijven gebruiken. Het hof heeft dan ook de indruk gekregen dat de verdachte gemotiveerd is om aan zichzelf te werken en dat zijn motivatie niet enkel extrinsiek is of gericht op het voorkomen van een tbs-maatregel met dwangverpleging. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep deskundige [persoon 3] van de reclassering gehoord. Hoewel de reclassering in het rapport van 3 juli 2026 gematigd positief adviseerde ten aanzien van de tbs-maatregel met voorwaarden, heeft ook mevrouw [persoon 3] op zitting een positievere indruk van de verdachte gekregen doordat de verdachte zelf zijn behandeldoelen voor ogen lijkt te hebben en inziet dat hij moet werken aan zijn emotieregulatie. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en de adviezen van de deskundigen zal het hof, zoals in het dictum nader omschreven, een omvangrijk pakket aan voorwaarden stellen. De voorwaarden beogen niet alleen te voorzien in de noodzakelijke behandeling en begeleiding van de verdachte, maar vormen tevens het kader waarbinnen de veiligheid van de samenleving kan worden gewaarborgd. Anders dan de advocaat-generaal ziet het hof geen aanleiding om naast de tbs-maatregel met voorwaarden tevens maatregelen ingevolge artikel 38z Sr op te leggen. Naar het oordeel van het hof volstaat het contactverbod zoals opgenomen onder de voorwaarden bij de tbs-maatregel in het dictum.
Het hof overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten de mishandeling, zoals bewezen is verklaard onder feit 2. De maatregel kan daarom bij omzetting naar tbs met dwangverpleging langer duren dan vier jaar.
Dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden (DUT)
Omdat het hof – gelet op het nadrukkelijk aanwezige recidivegevaar – het van belang acht dat de behandeling van de verdachte direct zal aanvangen, zal het hof op de voet van het bepaalde in artikel 38, zesde lid Sr, bepalen dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Gevangenisstraf
Gezien de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte, acht het hof daarnaast oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden. Het hof houdt bij het bepalen van de duur van deze gevangenisstraf rekening met straffen die meestal worden opgelegd voor soortgelijke feiten. Gelet op het voorgaande, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met aftrek van voorarrest, passend en geboden, met inachtneming van de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
Voorlopige hechtenis
In zijn arrest van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het geldend recht niet de mogelijkheid biedt om een niet onherroepelijk opgelegde, dadelijk uitvoerbare tbs-maatregel met voorwaarden ‘om te zetten’ in een tbs-maatregel met dwangverpleging. Zolang de oplegging van de tbs-maatregel niet onherroepelijk wordt (door het instellen van cassatie), betekent dat dat de verdachte die de aan de tbs-maatregel verbonden voorwaarden overtreedt niet zonder meer op grond daarvan kan worden gedetineerd. Dit is anders indien door het overtreden van de voorwaarden een strafbaar feit wordt gepleegd, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dat de betreffende voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, maakt dat niet anders: de ‘omzettingsmogelijkheid’ kan niet eerder in beeld komen dan na het onherroepelijk worden van de oplegging van de tbs-maatregel. In het genoemde arrest heeft de Hoge Raad de feitenrechter gewezen op de mogelijkheid om in deze gevallen (het hof begrijpt: bij einduitspraak) de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. De feitenrechter kan in het niet-naleven van de dadelijk uitvoerbare voorwaarde en/of in andere dreigende situaties aanleiding zien de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen.
Artikel 72 lid 3 Sv schrijft voor dat het bevel tot voorlopige hechtenis bij einduitspraak wordt opgeheven indien aan de verdachte (voor het feit waarvoor dat bevel is verleend) “noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd”. Nu het hof de verdachte een tbs-maatregel op zal leggen en daarbij voorwaarden zal stellen, ziet het hof zich – mede gelet op het genoemde arrest van de Hoge Raad – voor de vraag gesteld of deze bepaling het hof ertoe houdt de voorlopige hechtenis op te heffen (en zij zich dus tegen schorsing van die voorlopige hechtenis verzet).
Ten aanzien van de in art. 72 lid 3 Sv opgenomen voorwaarde dat de betreffende sanctie onvoorwaardelijk moet zijn opgelegd, overweegt het hof dat ook de tbs-maatregel met voorwaarden te gelden heeft als een onvoorwaardelijk opgelegde tbs-maatregel in de zin van artikel 37a Sr. Bij ‘oplegging’ van de modaliteit tbs met voorwaarden stelt de rechter (zo volgt ook uit de tekst van artikel 38 lid 1 Sr) voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. Dat dergelijke voorwaarden worden gesteld, doet niet af aan het gegeven dat de betreffende maatregel onvoorwaardelijk wordt opgelegd. De mogelijkheid tot voorwaardelijke oplegging van een tbs-maatregel in letterlijke zin (in die zin dat de tenuitvoerlegging daarvan wordt opgeschort), biedt het geldend recht niet.
Doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of het hof in deze zaak is gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op grond van artikel 72 lid 3 Sv op te heffen, is het oordeel of het hof een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming kan medebrengen.
Op te leggen maatregel: tbs-maatregel - vrijheidsbeneming - schorsing bevel tot voorlopige hechtenis
Hoewel het in de strafrechtspraktijk niet ongebruikelijk is om te spreken van ‘oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging’ of ‘oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden’, kent het Wetboek van Strafrecht in termen van oplegging geen zelfstandig van elkaar te onderscheiden ‘tbs-maatregelen’: het Wetboek van Strafrecht voorziet in één tbs-maatregel, opgenomen in artikel 37a Sr. De strafrechter die deze maatregel oplegt, is gehouden óf een bevel tot dwangverpleging te geven zoals genoemd in artikel 37b Sr, óf – indien hij dat niet doet, zo schrijft artikel 38 Sr voor – voorwaarden te stellen betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde. ‘Tbs met dwangverpleging’ en ‘tbs met voorwaarden’ zijn daarmee geen in de opleggingsbeslissing van elkaar te onderscheiden maatregelen, maar zijn twee modaliteiten van één en dezelfde maatregel. Voor de vraag of sprake is van een sanctie als bedoeld in artikel 72 lid 3 Sv, is de op te leggen sanctie doorslaggevend. In het onderhavige geval is dat de tbs-maatregel, en díe maatregel kán (mede gelet op het in artikel 37b Sr bepaalde) vrijheidsbeneming medebrengen. Daaraan doet niet af het feit dat het hof bij dit arrest voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde zal stellen (en geen bevel tot dwangverpleging zal geven). Hetzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat de modaliteit ‘tbs met voorwaarden’ als zodanig in beginsel niet als (potentieel) vrijheidsbenemend kan worden aangemerkt, omdat aan de oplegging van de tbs-maatregel in combinatie met daarbij te stellen voorwaarden (op grond van artikel 38 lid 5 Sr) steeds de bereidverklaring van de verdachte voorafgaat. Van het van overheidswege benemen van de vrijheid is dan (in beginsel, behoudens latere omzetting van de maatregel) geen sprake, nu de verdachte met zijn voorafgaande bereidverklaring heeft ingestemd met een vrijheidsbeperking door middel van de gestelde voorwaarden.
Het hof is – gelet op het voorgaande – van oordeel dat met de oplegging van de tbs-maatregel sprake is van oplegging van een maatregel die vrijheidsbeneming kan medebrengen. Het hof is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. In plaats daarvan zal het hof de voorlopige hechtenis schorsen. Het met onmiddellijke ingang schorsen van dat bevel zou leiden tot een periode waarin de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker gesteld kan worden. Indien cassatie wordt ingesteld kan die toezichtsloze periode, mede gelet op een te verwachten wachttijd voor opname in een kliniek, of een soortgelijke instelling, en de wachttijd voor (eventuele) overbruggingszorg, enkele maanden duren. Een dergelijke situatie zou naar het oordeel van het hof, gelet op de problematiek van de verdachte en de noodzaak van behandeling, onverantwoorde risico’s voor de algemene veiligheid van personen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en voor de gezondheid en veiligheid van de verdachte opleveren. Het hof zal het bevel tot voorlopige hechtenis daarom schorsen (onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van artikel 38 Sr) met ingang van het moment dat de verdachte zal worden opgenomen in de genoemde instelling. Het hof is zich ervan bewust dat dat betekent dat de verdachte (ook indien geen beroep in cassatie wordt ingesteld) mogelijk nog enkele maanden na de einduitspraak in voorarrest zal verblijven. Hoewel dat langere verblijf in voorarrest dienstig is aan het realiseren van de ook door de verdediging verzochte afdoening, is het hof zich bewust van de voor de verdachte onwenselijke gevolgen daarvan op korte termijn. Het hof verzoekt daarom de bij plaatsing, behandeling en tenuitvoerlegging betrokken instanties al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om de verdachte op zo kort mogelijke termijn te laten opnemen. Daarbij wijst het hof ook op de duur die de verdachte inmiddels in voorlopige hechtenis verblijft.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
Geen strafbaar feit plegen
De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
Meewerken aan reclasseringstoezicht
De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
- De verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
- De verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.
- De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
- De verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
- De verdachte werkt mee aan huisbezoeken.
- De verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
- De verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
- De verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
Niet naar het buitenland
De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
Opname in een zorginstelling
De verdachte laat zich voor zo lang als de reclassering nodig vindt opnemen en behandelen in een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Ambulante behandeling
De verdachte laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en verslavingsproblematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De verdachte verblijft indien de reclassering dat nodig vindt in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Verbod verdovende middelen
De verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kan zijn urineonderzoek.
De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Alcoholverbod
De verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet meewerken aan controles. Dit kan zijn urineonderzoek.
De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Contactverbod
De verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met mevrouw [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedag 2] 1994), mevrouw [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedag 3] 1972) en de heer [slachtoffer 3] (geboren op [geboortedag 4] 1989) zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van (on)betaald werk of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Het hof geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.
Het hof beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Het hof schorst de voorlopige hechtenis onder de hierboven genoemde voorwaarden, met ingang van het moment waarop de verdachte wordt opgenomen in een kliniek, of een soortgelijke instelling. Deze beslissing wordt afzonderlijk geminuteerd.
Het hof stelt vast dat – gelet op artikel 6:3:14 lid 1 aanhef en onderdeel a sub 3 en 6 Sv – het Openbaar Ministerie belast is met het toezicht op de naleving van de voorwaarden gesteld bij de last tot terbeschikkingstelling en de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.W.T. Klappe, mr. W.S. Ludwig en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juli 2026.
=========================================================================
[…]