Gerechtshof Amsterdam, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHAMS:2026:643

Op 12 March 2026 heeft de Gerechtshof Amsterdam een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 23-001320-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHAMS:2026:643. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
23-001320-25
Datum uitspraak:
12 March 2026
Datum publicatie:
13 March 2026

Indicatie

Vrijspraak overtreding van artikel 4, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000. Niet eenvoudig te constateren dat drager van het reisdocument geen gelijkenis vertoonde met de persoon op de foto in het reisdocument. Tekortschieten in zorgplicht door de verdachte kan niet worden bewezen.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001320-25

datum uitspraak: 12 maart 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 20 mei 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-107276-23 tegen

[bedrijf] N.V.,

gevestigd te [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2025 en 12 maart 2026.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadslieden naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 12 januari 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, als vervoerder (vanaf de luchthaven Dubai International met vluchtnummer [nummer 1] ) door wiens tussenkomst de vreemdeling, genaamd (zich noemende) [persoon 1] , geboren op [geboortedag 1] 1993 te [geboorteplaats 1] ( Syrië ), aan een buitengrens of binnen het grondgebied van Nederland werd gebracht, niet de nodige maatregelen heeft genomen en/of niet het toezicht heeft gehouden dat redelijkerwijs vanhaar kon worden gevorderd om te voorkomen dat door die vreemdeling niet werd voldaan aan artikel 6, eerste lid, onder a, van de Schengengrenscode of artikel 3, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000, door niet of onvoldoende te controleren of die vreemdeling gelijkenis vertoonde met de foto in het nationaal paspoort van Frankrijk (voorzien van het nummer [nummer 2] , op naam gesteld van [persoon 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1993.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 4.200,00.

Vrijspraak

Het toetsingskader wordt gevormd door artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en de Vreemdelingencirculaire 2000, meer in het bijzonder in hoofdstuk A1/9 waarin de toegang tot Nederland en de verplichtingen van vervoerders worden geregeld. In de Vreemdelingencirculaire is de zorgplicht van vervoerders nader uitgewerkt in een aantal zaken die de vervoerder voorafgaand aan vertrek naar Nederland moet controleren. De vervoerder moet door middel van kort en bondig onderzoek controleren of het aangeboden reisdocument vals of vervalst is. Bij dat onderzoek moet zo nodig gebruik worden gemaakt van eenvoudige hulpmiddelen.

Voor het beantwoorden van de vraag of de verdachte heeft voldaan aan de zorgplicht in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, wordt het arrest van de Hoge Raad uit 2017 (ECLI:NL:HR:2017:40) als uitgangspunt genomen. Uit deze rechtspraak volgt dat de in artikel 4, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000, opgenomen zorgplicht aan de vervoerder een inspanningsverplichting oplegt. Voor een veroordeling ter zake van het niet naleven van deze zorgplicht is nalatigheid van de vervoerder vereist. Een vervoerder is nalatig geweest als sprake is van het niet onderkennen van eenvoudig te constateren hiaten in reisdocumenten, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

Naar het oordeel van het hof was in dit geval op basis van dit dossier niet eenvoudig te constateren dat de drager van het reisdocument geen gelijkenis vertoonde met de persoon op de foto in het reisdocument. Gelet daarop kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte is tekortgeschoten in haar zorgplicht en zal zij van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 maart 2026.