Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. Primair omdat vervolging ter zake van dit feit niet meer mogelijk is omdat het feit verjaard is. Subsidiair vanwege een forse overschrijding van de redelijke termijn, omdat de verdachte pas 22 jaar na het tenlastegelegde feit is gedagvaard en (bijna) 26 jaar na het feit een eindoordeel kan verwachten. Er is geen sprake van equality of arms nu door de aanzienlijke verstrijking van tijd de waarheidsvinding is bemoeilijkt en de verdachte bijvoorbeeld geen getuigen meer (op zinvolle wijze) kan horen of camerabeelden kan opvragen om zijn lezing te bevestigen. Het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) is daarmee geschonden.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het feit is niet verjaard en het tijdsverloop is verklaarbaar, omdat de verdachte lange tijd niet in beeld was, namelijk in de periode dat zijn DNA nog niet in de Nederlandse DNA-databank was opgenomen. Vervolgens zijn politie en justitie voldoende voortvarend te werk gegaan in de opsporing en vervolging van de verdachte.
Oordeel van het hof
Op 31 december 2019 wordt bij de verdachte - in het kader van een andere zaak - DNA afgenomen, welke wordt opgenomen in de Nederlandse DNA-databank. Uit een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut van 7 januari 2020 blijkt dat het afgestane DNA een match heeft opgeleverd met de cold-case verkrachting op 22 juni 2000 te [plaats 1] , te weten met het destijds aangetroffen spermaspoor op het cervixuitstrijkje van [benadeelde] .
De verdachte is hierop op 8 april 2021 aangehouden, gedagvaard op 6 mei 2022 en bij vonnis van de politierechter op 27 juni 2022 veroordeeld voor de ten laste gelegde verkrachting.
Verjaring
Ingevolge artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering niet voor misdrijven waarop gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld. Deze regeling geldt sinds 1 april 2013 ingevolge de Wijzigingswet Wetboek van Strafrecht (aanpassing van de regeling van de vervolgingsverjaring), welke in werking is getreden op 1 april 2013. Hiermee blijven feiten zoals verkrachting levenslang vervolgbaar. De wet bevat een overgangsbepaling waarin is bepaald dat de wet van toepassing is op feiten die zijn gepleegd voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet, tenzij de feiten op dat moment al waren verjaard. Deze uitzondering is niet van toepassing; het onderhavige feit was in 2013 nog niet verjaard. Immers was de verjaringstermijn ten tijde van het feit (2000) 15 jaar en is deze verjaringstermijn bij wet van 16 november 2005 verlengd naar 20 jaar.
Het recht tot strafvervolging is dus niet vervallen.
Recht op een eerlijk proces
Het hof stelt voorop dat elke verdachte ex artikel 6, eerste lid, EVRM recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Naar het oordeel van het hof is de redelijke termijn aangevangen op 8 april 2021, de dag dat de verdachte werd aangehouden. Nu de verdachte binnen twee jaar na de aanhouding is veroordeeld, is in eerste aanleg geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Dat is in hoger beroep wel het geval nu op 27 juni 2022 hoger beroep is ingesteld en het hof op 10 maart 2026 uitspraak doet.
In het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 waar de raadsman naar verwijst, worden uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op artikel 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat daaraan dient te worden verbonden. In dit arrest heeft de Hoge Raad vooropgesteld dat enkel de overschrijding van de redelijke termijn als zodanig geen grond vormt voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet in uitzonderlijke gevallen (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, ro. 3.21.). Het hof bespreekt de overschrijding verder onder het kopje ‘Oplegging van straf en maatregel’.
Ten aanzien van het equality of arms-verweer oordeelt het hof dat de politie voortvarend heeft gehandeld in de zaak van de verdachte, zodra hij door de DNA-match in beeld kwam.
De politie heeft – blijkens het procesdossier – in 2000 uitvoerig onderzoek gedaan, door de plaats delict te bekijken, DNA-onderzoek te verrichten, de (destijds bekende en nog te traceren) getuigen te horen en een fotoconfrontatie met aangeefster te organiseren. De verdachte is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om aangeefster en deze getuigen opnieuw te horen.
De verdachte heeft op de zitting van 30 juni 2025 een ander scenario naar voren gebracht waarbij hij melding heeft gemaakt van twee getuigen. Deze getuigen zijn voordien door de verdachte niet naar voren gebracht, zodat de politie deze getuigen niet eerder heeft kunnen horen. Volgens de verdachte is één van deze getuigen overleden en de andere niet te traceren. Gelet op het feit dat de verdachte niet eerder melding van deze getuigen heeft gedaan is het niet langer kunnen horen van deze getuigen niet in strijd met het beginsel van equality of arms. De stelling van de verdediging dat de politie in 2000 de verdachte en de getuigen gemakkelijk had kunnen vinden vanwege het signalement van de verdachte, onderschrijft het hof niet. Dit maakt dat naar het oordeel van het hof het equality of arms beginsel niet is geschonden.
Het hof verwerpt aldus de verweren van de verdediging.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de strafvervolging van de verdachte.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 22 juni 2000 te [plaats 1] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door
- naast [benadeelde] te gaan en/of blijven lopen en/of tegen haar te zeggen ‘Zullen we samen gaan slapen’, althans woorden van gelijke strekking en/of
- (nadat die [benadeelde] had gezegd: ‘Sodemieter op’) die [benadeelde] (met kracht) te duwen tegen de armen, althans het lichaam, ten gevolge waarvan zij ten val kwam (in de bosjes) en/of
- (terwijl die [benadeelde] op haar rug op de grond lag) haar ellebogen, althans armen vast te houden en/of op de grond te duwen en/of
- (vervolgens) de rok van die [benadeelde] omhoog te doen, die [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen/duwen/houden en/of heen en weer bewegen van de penis in haar vagina;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Alle gebezigde bewijsmiddelen
(Voetnoot 1)
en andere gronden voor de bewezenverklaring
1. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , opgemaakt en afgesloten door [naam 2] , brigadier van Regiopolitie [plaats 1] , [district] , op 24 juni 2000, doorgenummerd pagina 14 tot en met 17, voor zover inhoudende:
Ik woon sinds januari 2000 op de [straatnaam 1] te [plaats 1] . Het was inmiddels 22 juni 2000. Vanuit huis ben ik in de richting gelopen van de [straatnaam 2] . Ik liep langs de bosschages die daar staan. Toen ik daar liep, liep er ineens een man naast mij. Ik liep aan de zijde van de bosjes en de man kwam rechts van mij lopen. De man passeerde mij niet, maar bleef naast mij lopen. Ik hoorde dat de man aan mij vroeg: “Zullen we samen gaan slapen”. Ik zei toen tegen de man: “Sodemieter op.” Ik had deze man nog nooit gezien. Vervolgens voelde ik, dat de man mij een harde duw tegen mijn armen gaf. Ik zag dat hij dit met zijn beide handen deed. Hij duwde zo hard, dat ik ten val kwam. Toen ik op de grond lag, lag ik in de bosjes. Ik zag dat de man naar mij toekwam. Toen hij naar mij toekwam, lag ik op mijn rug op de grond. Ik voelde toen, dat de man mijn armen vasthield. Ik voelde dat de man met zijn handen mijn armen op de grond duwde. Hij hield mij bij mijn beide ellebogen vast. Toen ik daar lag voelde ik dat de man mijn rok omhoog deed. De man heeft mij de gehele tijd bij mijn armen vastgehouden. (...) toen ik daar lag, voelde ik dat de man met zijn penis tegen mijn vagina duwde. Ik weet zeker dat het de penis van de man was en niet een vinger ofzo. De man hield mij op dat moment met zijn beide handen vast. Ik weet wel dat ik voelde dat de man heen en weer bewoog op mij. Toen hij dit deed was hij volgens mij wel met zijn penis in mijn vagina. De man die mij verkracht heeft kan ik als volgt omschrijven:
Buitenlandse man vermoedelijk een Turk of Marokkaan;
Normaal postuur. Lengte tussen 1.70 en 1.75;
Leeftijd tussen 25 en 27 jaar;
Kort zwart krullend haar;
Geen bril, snor of baard;
Opvallende moedervlek boven rechter mondhoek ter hoogte van zijn neus.
2. Een geschrift, te weten een uitgedraaide en niet ondertekende versie van het origineel opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , van 26 juli 2000, pagina 22 tot en met 25, voor zover inhoudende:
Ik was ten tijde van het incident werkzaam als programmacoördinator in dienst van het [centrum] . Dit project (begeleid wonen) is gericht op het rehabiliteren en socialiseren van mensen met een verslavingsachtergrond. Op woensdag 21 juni 2000 omstreeks 24.00 uur kreeg ik weer een telefoontje dat het mis was op de [adres 2] . [benadeelde] [het hof begrijpt: [benadeelde] ] zou op dit adres een ruitje hebben ingegooid. Ik heb hierop direct de politie gealarmeerd en ben zelf ook naar de [adres 2] gegaan. Daar gekomen bleek [benadeelde] al weg te zijn. Ik zag wel, dat een ruitje kapot was.
Op 22 juni 2000 vertelde [benadeelde] mij toen, dat zij verkracht was. Op mijn vraag hoe dat precies gebeurd was, antwoordde ze: "Ik liep het café uit om terug te gaan naar mijn kamer op de [adres 2] , toen plotseling een buitenlandse man achter mij liep. Deze man heeft mij de bosjes ingetrokken en mij verkracht." Ik weet niet hoe zij verkracht was. Ik zag wel op haar benen krasjes zitten. Ik heb nog wel gevraagd of de man met zijn geslachtsdeel bij haar binnen was geweest. [benadeelde] zei, dat hij inderdaad bij haar binnen was gedrongen. Ik heb na de bevestiging, dat zij verkracht was niet meer verder doorgevraagd. Ik zag, dat zij dan te emotioneel werd.
3. Een geschrift, te weten een uitgedraaide en niet ondertekende versie van het origineel opgemaakte proces-verbaal van onderzoek regionale technische recherche, van 26 juni 2000, pagina 31 tot en met 33, voor zover inhoudende:
Ik verbalisant ben aanwezig geweest bij de afname van het bloed en heb de arts de
onderzoeksset zedendelicten ter hand gesteld en heb deze na gebruik weer in ontvangst genomen. Verder heb ik de relevante kledingstukken in beslaggenomen.
Sporen gegevens
Spoomummer: PL0911/00-045362/2/1
Spoortype: Biologische sporen
Spooromschrijving: Sperma
Veiliggesteld: Bemonsterd
Vindplaats: Lichaam so
Bijzonderheden: Zedenkitnr.: 025006, DNA-zegelnr.: ADD680
4. Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 6 september 2000, pagina. 41, voor zover inhoudende:
In de schede-uitstrijkjes uit de onderzoeksset zedendelicten [ADD680] van het
Slachtoffer [benadeelde] is sperma aangetroffen. Van het sperma aangetroffen op het cervix-uitstrijkje [ADD680]#1 is een DNA-profiel verkregen dat is opgenomen in de DNA-profielenregistratie.
5. Een geschrift, te weten een NFI-rapport met bijlage van 7 januari 2020, pagina 45 tot en met 47, voor zover inhoudende:
Het DNA-profiel WAAI8915NL van de veroordeelde [verdachte] is op 31 december 2019 opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en wordt sindsdien vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Bij deze vergelijking is tot op heden één match gevonden. Deze matchende DNA-profielen zijn geregistreerd onder DNA-profielcluster 47745.
Bovenstaande betekent dat DNA in het sporenmateriaal met het identiteitszegel
ADD680#01, uit DNA-profielcluster 47745, afkomstig kan zijn van de veroordeelde
[verdachte] . Omschrijving onderzoeksmateriaal: [verdachte] (geboren op [geboortedag] 1975)
DNA-identiteitszegel: WAAI8915NL
Soort DNA-profiel: enkelvoudig DNA-profiel
Datum opname DNA-databank: 31 december 2019
Omschrijving onderzoeksmateriaal: een zedenset
DNA-identiteitszegel: ADD680#01
Soort DNA-profiel: enkelvoudig DNA-profiel
Matchkans DNA-profiel: kleiner dan één op één miljard
Datum opname DNA-databank: 21 augustus 2000
6. Een geschrift, te weten een uitgedraaide en niet ondertekende versie van het origineel opgemaakte proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , van 1 augustus 2000, pagina 29 tot en met 30, voor zover inhoudende:
Op 22 juni 2000 was in de nacht omstreeks 00.15 kwam [benadeelde] bij ons aan de deur. Zij mocht echter niet binnen komen. Ik zei dat ze van de leiding niet naar binnen mocht. Uiteindelijk liep ze weg en ik volgde haar. Ik zag toen dat ze het ruitje van haar slaapkamer in sloeg. Ik zag dat ze hierna wegliep. In de ochtend, omstreeks 06.00 uur was ik beneden. Ik zag toen dat het hout wat ik in de nacht voor het ingegooide raam had gedaan weer weg was gehaald. Ik door het raam naar binnen en zag iemand op bed liggen. Ik begreep later dat [benadeelde] op het bed lag.
7. Het proces-verbaal van bevindingen van 25 januari 2021, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pagina 48, voor zover inhoudende:
Op verzoek van de officier van justitie mr. E.M. van der Burg, hebben wij op dinsdag 19 januari 2021 omstreeks 11.15 uur, aangeefster [benadeelde] (…) bezocht in haar woning. In de woning hebben wij [benadeelde] verteld dat wij haar bezochten in verband met een DNA hit, naar aanleiding van haar aangifte van verkrachting in [plaats 1] in 2000. Wij zagen dat [benadeelde] hierop zeer heftig reageerde. Wij zagen dat zij begon te huilen. Wij zagen en hoorden dat zij niet meer uit haar woorden kon komen. Gedurende een minuut kon zij niets zeggen. Nadat ze haar emoties te baas was en weer kon praten, was het eerste wat ze zei: “Ik was bang niet geloofd te worden.”
8. Het proces-verbaal van bevindingen, met getuigenverhoor van [benadeelde] , bij het kabinet van de raadsheer-commissaris van 4 september 2025, opgemaakt en ondertekend door [naam 3] en [naam 4] , met parketnummer 21-002674-22, voor zover inhoudende:
U vraagt mij of ik mij iets kan herinneren over het uiterlijk van de man. Een bruine
vlek op zijn gezicht. Getuige wijst met haar vinger op haar linkerwang. Dat vergeet ik nooit meer.
Bewijsoverweging
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft hiertoe – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn en dat de seksuele handelingen vrijwillig hebben plaatsgevonden niet in de bosschages, maar in de woning van aangeefster.
De raadsman heeft de voorwaardelijke verzoeken – welke hij in zijn pleitnota in hoger beroep heeft opgenomen – ter terechtzitting ingetrokken.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Daarover overweegt het hof het volgende.
Aangeefster heeft in 2000 op gedetailleerde en authentieke wijze verklaard over de verkrachting en heeft daarbij een signalement van de dader gegeven, welke, met in het bijzonder de moedervlek op diens linkerwang, nauw aansluit op het uiterlijk van de verdachte. Haar verklaring wordt verder ondersteund door andere bewijsmiddelen. Zo nam begeleidster [getuige 1] de ochtend na het gebeurde waar dat aangeefster erg emotioneel was en hoorde haar vertellen dat ze verkracht was. Vijfentwintig jaar na het gebeurde weet aangeefster zich hetgeen haar is overkomen nog goed te herinneren en ook haar emotionele reactie op het bezoek van het cold-case team op 19 januari 2021, waarin men haar over de DNA-match informeert, sterkt de betrouwbaarheid van de door haar in 2000 gedane aangifte. Ook bij de raadsheer-commissaris verklaart aangeefster in de kern consistent en geëmotioneerd.
De verdachte heeft hier wisselende verklaringen tegenover gezet. In eerste aanleg ontkent de verdachte seks te hebben gehad met aangeefster. Hij verklaart bij de politie alleen seks te hebben gehad met zijn vrouw, ex-vrouw en met twee prostituees (eenmaal in Marokko en eenmaal in [plaats 2] ). In hoger beroep herinnert hij zich wel seks te hebben gehad met aangeefster, maar dit was vrijwillig en niet in bosschages, maar in de kamer van aangeefster, en op haar eigen initiatief. De verdachte, die ten tijde van het feit zelf dakloos was, zou op uitnodiging van aangeefster met haar zijn meegegaan naar haar verblijfplaats en naar zijn laatste verklaring in hoger beroep – tot de ochtend bij aangeefster in haar kamer zijn gebleven. Om het huis binnen te komen zou aangeefster een ruit hebben ingegooid, waar de verdachte bijstond. De verdachte heeft met klem verklaard nooit ‘iets seksueels op de straat’ te hebben gedaan, en dat dit in zijn familie en cultuur een groot taboe is. Daarnaast heeft de verdachte meermalen verklaard dat aangeefster misbruik van hem heeft gemaakt, wellicht omdat ze zoals hij tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard, dacht via hem een woning te kunnen krijgen, en juist hém heeft verkracht.
Een medebewoner van aangeefster heeft echter verklaard dat hij heeft gezien dat aangeefster de ruit al eerder op de avond rond, 00.15 uur, had ingeslagen, hetgeen wordt bevestigd door getuige [getuige 1] die de betreffende nacht rond 24.00 uur een melding kreeg over de kapotte ruit, ter plaatse ging, zag dat aangeefster al weg was en dat de ruit kapot was. De medebewoner heeft een houten plaat tegen het ingegooide raam gezet. Toen hij in de ochtend rond 06.00 naar zijn werk ging, zag hij dat het hout weg gehaald was en dat er iemand op het bed lag. Later bleek dit aangeefster te zijn.
Gelet op het voorgaande acht het hof verdachtes verklaring ongeloofwaardig en komt op grond van de genoemde bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van de verkrachting.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks
22 juni 2000 te [plaats 1] door geweld
of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid
, te weten door
- naast [benadeelde] te gaan en
/of
blijven lopen en
/of
tegen haar te zeggen ‘Zullen we samen gaan slapen’, althans woorden van gelijke strekking en
/of
- (nadat die [benadeelde] had gezegd: ‘Sodemieter op’) die [benadeelde] (met kracht) te duwen tegen de armen
, althans het lichaam,
ten gevolge waarvan zij ten val kwam (in de bosjes) en
/of
- (terwijl die [benadeelde] op haar rug op de grond lag) haar ellebogen, althans armen vast te houden en
/of
op de grond te duwen en
/of
- (vervolgens) de rok van die [benadeelde] omhoog te doen, die [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , te weten het brengen/duwen/houden en
/of
heen en weer bewegen van de penis in haar vagina;
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Oplegging van straf en maatregel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 30 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – gelet op de bepleite niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de bepleite vrijspraak – verzocht om af te zien van strafoplegging.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof ziet daarin aanleiding om hem te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van [benadeelde] , in de vroege nachtelijke uren van 22 juni 2000 op de openbare weg nadat hij haar daar lastig viel en in de bosjes duwde. Door aldus te handelen heeft de verdachte zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, voor wie het bewezenverklaarde buitengewoon vernederend en traumatisch moet zijn geweest. Het slachtoffer verkeerde – door haar (verslavings)problematiek – op het moment van het bewezenverklaarde in een kwetsbare positie. De verdachte heeft daar – door het fysieke en psychische welzijn van aangeefster ondergeschikt te maken aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften – misbruik van gemaakt. De zaak is na een periode van twee decennia onopgelost te zijn gebleken, in 2019 naar aanleiding van een DNA-match heropend. Al die tijd heeft het slachtoffer in onzekerheid geleefd met het gevoel niet geloofd te worden.
Verkrachting betreft een zeer ernstig feit dat diep ingrijpt in de levens van slachtoffers en hun psychische gesteldheid vaak in ernstige mate aantast. Dat hier in het onderhavige geval ook sprake van is, zelfs tot 25 jaar na het feit, blijkt uit het dossier. Een feit als het onderhavige is – kort gezegd – de nachtmerrie van iedere vrouw. Ook in bredere zin zorgen dergelijke feiten in de maatschappij voor gevoelens van angst en onveiligheid. Tot slot merkt het hof op dat de verdachte nog steeds zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen, maar zelfs de schuld expliciet bij het inmiddels overleden slachtoffer legt.
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die blijken uit het reclasseringsrapport van 10 juni 2022 en uit hetgeen hij hier ter terechtzitting over heeft verklaard. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om criminogene factoren vast te stellen, vanwege de ontkenning van de verdachte in combinatie met het feit dat het strafbare feit (bij het uitbrengen van het rapport) tweeëntwintig jaar geleden heeft plaatsgevonden. De verdachte was ten tijde van het delict 24 jaar en verkeerde in een onzekere situatie als asielzoeker en dakloze. Inmiddels leeft de verdachte – samen met zijn vrouw en kinderen – van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, nadat hij in 2004 is afgekeurd. Bij de verdachte speelt – naar eigen zeggen – geen verslavingsproblematiek (meer) en de verdachte leidt – in tegenstelling tot de periode van het bewezenverklaarde feit – een stabiel leven. Dat wordt bevestigd door de constatering dat de verdachte tussen 2001 en 2019 niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Het hof heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 januari 2026 waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder (of later) is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De veroordeling in 2019 – waarbij de verdachte zijn DNA heeft moeten afstaan – betrof een andersoortig feit.
Bij de straftoemeting neemt het hof de binnen de rechtspraak gehanteerde oriëntatiepunten voor straftoemeting voor feiten als het onderhavige in aanmerking. Dit betreft een oriëntatiepunt dat recentelijk is gewijzigd en is gedifferentieerd naar de mate van dwang. Volgens de vastgestelde oriëntatiepunten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden het oriëntatiepunt voor verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang. Ten tijde van het feit werden lagere straffen opgelegd. Het hof zal het huidige oriëntatiepunt als uitgangspunt nemen, gelet op de gewijzigde maatschappelijke opvattingen ten aanzien van (de strafmaat bij) zedenfeiten. Het feit dat de verkrachting reeds in 2000 heeft plaatsgevonden, doet niet af aan de ernst.
Tot slot merkt het hof op dat zij in het cold-case karakter van deze zaak, en het overlijden van het slachtoffer op 7 november 2025, geen aanleiding ziet tot strafvermindering. De strafdoelen vergelding en (generale) preventie zijn, bij ernstige feiten als het onderhavige, mede gelet op de maatschappelijke onrust die onopgeloste zaken nog jarenlang kunnen veroorzaken, nog onverkort aan de orde.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. De verdachte is op 8 april 2021 aangehouden. Het vonnis van de rechtbank dateert van 27 juni 2022 en de verdachte heeft diezelfde dag hoger beroep ingesteld. Het arrest van het hof wordt gewezen op 10 maart 2026. De redelijke termijn is in hoger beroep met één jaar en negen maanden overschreden. Het verloop van deze termijn is niet volledig aan de verdachte te wijten. Gelet op deze overschrijding van de behandeling van de zaak zal het hof in hoger beroep een strafkorting toepassen. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf van 30 maanden passend zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal een strafkorting van 3 maanden worden toegepast. Daarmee is het nadeel van de overschrijding van de redelijke termijn gecompenseerd.
Alles afwegende acht het hof de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 27 maanden met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De vordering
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 7.000,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Op 7 november 2025 is de benadeelde partij [benadeelde] overleden. Op basis van de uitdrukkelijke schriftelijke handhaving op 13 januari 2022 van [benadeelde] bij leven, stelt het hof vast dat zij in hoger beroep haar oorspronkelijke vordering handhaaft. Jurisprudentie wijst uit dat haar vordering daarom – ondanks haar overlijden en zonder voeging van nabestaande(n) ex artikel 51a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering – onverkort aan de orde is (Voetnoot 2). Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Standpunten
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering integraal wordt toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft – gelet op de bepleite niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de bepleite vrijspraak – verzocht de vordering af te wijzen.
Oordeel van het hof
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof dat de aard en de ernst van de normschending met zich brengt dat de gestelde nadelige gevolgen voor [benadeelde] zo voor de hand liggen dat sprake is van aantasting in de persoon op een andere wijze als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De verdachte is dan ook op grond van dat artikel gehouden die immateriële schade te vergoeden.
Het hof heeft bij de beslissing over de hoogte van de toewijzing van immateriële schade onder meer aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, en bij de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen. Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder het feit is begaan, zoals reeds eerder uiteengezet, acht het hof een bedrag van € 7.000,- als smartengeld, zoals ook is gevorderd, billijk en zal de vordering tot immateriële schade dan ook toewijzen tot dat bedrag. De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 april 2021, zijnde de datum waarop de verdachte is aangehouden. Het hof neemt hierbij in overweging dat het gaat om vergoeding van de immateriële schade en dat het slachtoffer inmiddels is overleden waardoor de schadevergoeding haar niet direct ten goede zal kunnen komen.
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.000,00 (zevenduizend euro) ter zake van immateriële schade.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 7.000,00 (zevenduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 april 2021.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.H. Garos, N.I.S. Boers en D.J. Stahlie, in aanwezigheid van de griffier mr. M.J. de Groot - van de Ruitenbeek en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 maart 2026.