Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte voor moord te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren, met aftrek van voorarrest. Hij gaat er daarbij vanuit dat het feit volledig aan verdachte kan worden toegerekend. Het advies van de gedragsdeskundige om het tenlastegelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen is ingegeven door een scenario dat vrijwel volledig is gebaseerd op de beleving van verdachte en dat vindt in de visie van het openbaar ministerie geen steun in het dossier.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging uit te gaan van een strafmaat behorend bij doodslag. Daarnaast hebben de raadslieden bepleit om de conclusie van de deskundige tot verminderde toerekeningsvatbaarheid over te nemen, hetgeen een straf matigend gevolg moet hebben. Onder verwijzing naar vergelijkbare zaken is een straf onder de tien jaar passend, aldus de raadslieden.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van het feit
Verdachte en het slachtoffer [benadeelde 1] hadden samen als compagnons het bedrijf [bedrijf] . Verdachte heeft zijn zakenpartner met voorbedachten rade en op brute wijze om het leven gebracht. Verdachte heeft [benadeelde 1] , die nietsvermoedend met twee collega’s in zijn kantoor zat te praten, eerst meerdere klappen in het gezicht gegeven en hem daarna meermalen met een mes gestoken. Als gevolg van de verwondingen is [benadeelde 1] ongeveer anderhalf uur later in het ziekenhuis overleden.
Verdachte is naar eigen zeggen tot het plegen van deze gruwelijke daad overgegaan omdat hij meende dat het slachtoffer geld verduisterde en omdat hij van zijn echtgenote had vernomen dat het slachtoffer haar een half jaar eerder zou hebben gedwongen tot seksuele handelingen, onder meer in het kantoor en op de stoel van verdachte. Verdachte was hierdoor boos, verdrietig en gekrenkt, hetgeen heeft geleid tot het aanschaffen van een jachtmes, waarmee verdachte naar het slachtoffer is toegegaan en hem om het leven heeft gebracht.
Een dergelijke grove en angstaanjagende manier van eigenrichting is volstrekt ontoelaatbaar. Verdachte heeft het meest fundamentele recht – het recht op leven – van [benadeelde 1] ontnomen. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het zwaarste misdrijf in het Wetboek van Strafrecht: moord.
Verdachte heeft met de moord op [benadeelde 1] aan diens vrouw, kinderen, ouders, broer en zussen onbeschrijflijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. Dit is ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep op indringende wijze naar voren gebracht in de voorgedragen slachtofferverklaringen. Een dergelijk gruwelijk en gewelddadig feit wordt daarnaast ook als zeer schokkend ervaren door de samenleving in het algemeen. Het incident vond bovendien plaats in het bedrijf van verdachte en [benadeelde 1] , waar op dat moment ook nog verschillende collega’s aanwezig waren. Twee collega’s zijn onvrijwillig getuige geweest van deze moord, van wie één collega PTSS heeft opgelopen door hetgeen hij heeft gezien. Gelet op het gewelddadige karakter van het feit en de onomkeerbare en onherstelbare gevolgen ervan is het hof van oordeel dat alleen de oplegging van een zeer lange gevangenisstraf op zijn plaats is.
De persoon van verdachte
Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 november 2025 volgt dat verdachte op 26 augustus 2025 is veroordeeld voor een snelheidsovertreding, waarbij toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige is zijn uittreksel blanco.
Het hof heeft bij tussenarrest van 13 augustus 2025 het onderzoek heropend en opdracht gegeven tot het laten opmaken van een mono-rapportage door een psycholoog. Dit heeft geleid tot een psychologisch onderzoek Pro Justitia d.d. 12 november 2025.
GZ-psycholoog drs. [GZ-psycholoog] concludeert in haar rapport dat bij verdachte sprake is van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis en een (andere) gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis. Hiervan was ook sprake ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde. Zij adviseert om het tenlastegelegde in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het hof volgt de gedragsdeskundige in haar bevindingen waarin zij concludeert dat bij verdachte sprake is van voornoemde psychische stoornissen, ook ten tijde van het tenlastegelegde.
Het hof neemt het advies van de gedragsdeskundige om het feit in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen niet over. Het hof overweegt hiertoe het volgende.
De gedragsdeskundige gaat in haar rapportage, waarin zij toelicht op welke manier de stoornis een rol speelde bij het tot stand komen van het ten laste gelegde, vrijwel volledig uit van een scenario dat gebaseerd is op de beleving en de verklaringen van verdachte. Aan andere bevindingen uit het dossier (verklaringen van getuigen, door verdachte verstuurde berichten voor en na het feit en hetgeen door verdachte gedurende het feit is gezegd) heeft zij kennelijk geen betekenis toegekend, noch heeft zij aandacht besteed aan de waardering daarvan door de rechtbank. Op de zitting in hoger beroep op 19 december 2025 heeft de gedragsdeskundige herhaaldelijk aangegeven dat zij geen aanwijzingen voor planmatig handelen bij verdachte heeft gevonden en dat zij uitsluit dat verdachte planmatig en berekenend heeft gehandeld.
Zoals hiervoor met betrekking tot het bewijs uiteengezet, oordeelt het hof, gelijk de rechtbank, dat verdachte wél planmatig heeft gehandeld.
Dat zo zijnde, rijst de vraag, óf en zo ja hóe de stoornissen van verdachte zijn planmatig handelen hebben beïnvloed. Hoewel daartoe nadrukkelijk en herhaaldelijk uitgenodigd, is door de gedragsdeskundige niet geduid welke rol zijn stoornissen hebben gespeeld bij de
voorbereiding op het delict (zoals het zoeken op internet naar een mes, het kopen van het mes en het rijden naar het bedrijf, het mes uit zijn gesealde verpakking halen), of bij de uitvoering van het delict zelf.
In het geval van een planmatig en daarmee rationeel gestuurd gedrag als bij verdachte zichtbaar is geworden, vraagt de aanwezigheid van een stoornis en met name de invloed daarvan op zijn (planmatige en rationele) handelen om een (extra) duidelijke en aannemelijke toelichting waar die invloed van de stoornissen dan uit heeft bestaan, of op welk moment zij zijn gedrag hebben beïnvloed. Verdachte functioneerde immers redelijk (hij had werk, een gezin, een sociaal leven), zodat de stoornissen niet aanstonds van zodanige aard en ernst lijken dat daaruit een invloed op zijn handelen aannemelijk is.
Nu daarop geen uitleg is gegeven, noch uit de vastgestelde feiten blijkt waar, hoe en wanneer de stoornissen van verdachte hem hebben beïnvloed bij de voorbereiding en de uitvoering van het door hem gepleegde delict, is door het hof niet vast te stellen dat verdachte daadwerkelijk onder invloed van zijn stoornissen heeft gehandeld en dus dat dit hem in verminderde mate kan worden toegerekend.
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte volledig strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn handelen en de gevolgen daarvan.
Het hof heeft ten slotte rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden, zoals die ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen en zoals deze zijn weergegeven in het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport. De verdediging heeft gesteld dat verdachte verkeerde in een buitengewoon emotionele toestand ten tijde van het incident en de daaraan voorafgaande dagen. Het incident vond plaats een paar dagen nadat verdachte van zijn echtgenote had gehoord dat zij een half jaar daarvoor seksueel misbruikt was door het slachtoffer.
Het hof merkt hierover op dat niet is komen vast te staan dat er daadwerkelijk sprake is geweest van seksueel contact en/of misbruik, maar voor het hof staat wel vast dat verdachte dit van zijn echtgenote heeft gehoord en dat dit hem heeft aangegrepen.
Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij erg verdrietig was en bij de politie heeft hij gezegd dat hij de hele week in een psychose heeft geleefd en niet meer helder kon nadenken. Het hof begrijpt dat verdachte zich gekrenkt voelde door hoe het slachtoffer [benadeelde 1] hem en zijn vrouw naar hun beleving behandeld heeft. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij het seksueel misbruik heeft ervaren als de “vernedering ten top” en als een totale minachting van zijn persoon. Uit het dossier blijkt dat diverse personen, waaronder de boekhouder van verdachte zich zorgen maakten over verdachte. Ook blijkt dat de huisarts verdachte een paar dagen voor het incident had verwezen naar de praktijkondersteuner. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte in de dagen voor het incident moeite had om de mededeling van zijn echtgenote dat zij seksueel misbruikt zou zijn te verwerken.
Anderzijds heeft verdachte in de dagen tot aan het incident gewoon kunnen werken en handelen. Hij heeft ook verklaard dat hij op de avond waarop zijn vrouw hem over het seksueel misbruik vertelde nog met haar uit eten is geweest en uit zijn telefoon blijkt dat zij die avond ook een seksafspraak hadden met een ander (swinger)koppel. Ook de volgende dag is hij nog met zijn vrouw naar de sauna gegaan.
Het hof twijfelt er niet aan dat verdachte emotioneel, boos en verdrietig was, door wat hij had gehoord van zijn vrouw, maar uit het dossier is niet af te leiden dat verdachte in een buitengewone emotionele toestand was en al helemaal niet dat hij psychotisch was, zoals verdachte zelf verklaard heeft.
Het hof is van oordeel dat gekrenktheid, verdriet en boosheid als gevolg van gedrag van een ander, nooit mag leiden tot eigenrichting, zoals verdachte heeft gedaan.
Het hof ziet op die grond dan ook geen aanleiding voor strafvermindering.
Gevangenisstraf
Het hof heeft gekeken naar straffen die in Nederland in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarbij wordt opgemerkt dat zaken zich in het algemeen moeilijk laten vergelijken, omdat iedere casus anders is. Alles afwegende acht het hof, net als de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal daarop in mindering worden gebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vorderingen van de benadeelde partijen
De vorderingen
Negen benadeelde partijen hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Alle benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
1. [benadeelde 2] , als weduwe van het slachtoffer, vordert € 10.385,00 aan materiële schade (bestaande uit eigen risico zorgverzekeraar à € 385,00 en kosten gederfd levensonderhoud à € 10.000,00, € 20.000,00 aan affectieschade en € 35.000,00 aan shockschade. Ter terechtzitting in hoger beroep is de post aan materiële schade niet langer gehandhaafd en is de vordering verminderd tot een totaalbedrag van
€ 55.000,00, bestaande uit affectieschade en shockschade.
2. [benadeelde 3] , als (minderjarige) dochter van het slachtoffer, vordert € 20.000,00 aan affectieschade en € 30.000,00 aan smartengeld vanwege de aantasting in de persoon.
3. [benadeelde 4] , als (minderjarige) zoon van het slachtoffer, vordert € 20.000,00 aan affectieschade en € 30.000,00 aan smartengeld vanwege de aantasting in de persoon.
4. [benadeelde 5] , als (meerderjarige) zoon van het slachtoffer, vordert € 17.500,00 aan affectieschade en € 35.000,00 aan shockschade.
5. [benadeelde 6] , als moeder van het slachtoffer, vordert € 17.500,00 aan affectieschade.
6. [benadeelde 7] , als vader van het slachtoffer, vordert € 17.500,00 aan affectieschade.
7. [benadeelde 8] , als broer van het slachtoffer, vordert € 8.781,85 aan materiële schade, bestaande uit de volgende posten:
Vliegticket [benadeelde 8] en zijn vrouw en goede vriend 18/19 dec heen € 1.502,85
Vliegtickets upgrade heenweg vrouw [benadeelde 8] , 3 dochters & weduwe
18 dec € 1.350,00
- Vliegticket weduwe [benadeelde 2] , neef [benadeelde 5] , schoonzoon en 3 dochters
18-21 dec heen/terug € 3.071,04
Vliegticket [benadeelde 8] en zijn vrouw 23 dec terug € 288,20
Vliegticket [benadeelde 8] en zijn vrouw 26 dec terug € 538,08
Vliegticket ouders 15 dec heen € 677,90
Vliegticket ouders 29 dec terug € 558,58
Hotel Istanbul [benadeelde 8] & zijn vrouw 23-26 dec € 470,40
Hotel Ankara dochters 21-22 december € 324,80
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van benadeelde ter toelichting op de post Hotel Istanbul aangegeven dat benadeelde en zijn vrouw een hotel hebben geboekt in Istanbul om bij te komen na de begrafenis.
De terugreis heeft in twee etappes plaatsgevonden: van Kayseri naar Istanbul en van Istanbul terug naar Amsterdam .
Benadeelde heeft op de heenweg een upgrade voor zijn vrouw, drie dochters en de echtgenote geregeld, omdat zij kapot waren van alles wat er was gebeurd. Hij hoopte dat zij door de upgrade van hun tickets in het vliegtuig konden slapen.
Daarnaast vordert hij € 17.500,00 aan affectieschade en € 35.000,00 aan shockschade.
8. [benadeelde 9] , als zus van verdachte, vordert € 2.494,11 aan materiële schade, bestaande uit de volgende posten:
Reiskosten auto 13 december 23 naar ziekenhuis € 28,91
Reiskosten auto 16 december 23 naar wassing € 14,45
Reiskosten auto 18 en 28 december 23 € 58,94
Reiskosten Turkije 18 en 28 december 23 naar begraafplaats € 192,72
Parkeerkosten Schiphol € 99,95
Vliegticket partner [benadeelde 11] € 539,85
Vliegticket [benadeelde 10] en 2 dochters € 1.559,29
Daarnaast vordert zij € 17.500,00 aan affectieschade en € 35.000,00 aan shockschade. Ter terechtzitting in hoger beroep is verzocht om het deel van de vordering voor wat betreft de shockschade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het voor benadeelde nog te vroeg is na het overlijden om te starten met een behandeling van het psychisch letsel.
9. [benadeelde 12] , als zus van verdachte, vordert € 2.564,58 aan materiële schade, bestaande uit de volgende posten:
Reiskosten auto 13 december 23 naar ziekenhuis € 31,68
Reiskosten auto 15 en 29 december 23 € 58,94
Reiskosten Turkije 15 en 29 december 23 naar begraafplaats € 192,72
Vliegticket partner [benadeelde 13] € 539,85
Vliegticket [benadeelde 12] en zoon en dochter € 1.619,55
Medicijnen, pijnstillers ivm trauma door dood broer, aanhoudende hoofd-, nek- en
schouderpijn € 50,-
- Kosten opvragen medische informatie € 71,84
Daarnaast vordert zij € 17.500,00 aan affectieschade en € 35.000,00 aan shockschade.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft verzocht om de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de benadeelde partijen, met uitzonderingen van de beslissing op de vorderingen die namens [benadeelde 5] en [benadeelde 4] zijn ingediend, te bevestigen.
De rechtbank heeft [benadeelde 3] en [benadeelde 4] elk € 10.000,00 toegekend aan immateriële schadevergoeding op grond van de aantasting van de persoon op andere wijze, terwijl er namens hen € 30.000,00 was gevorderd. Gelet op de vergelijkbare jurisprudentie waar namens hen op wordt gewezen, is € 30.000,00 een redelijk en billijk bedrag. Dit maakt dat de vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 4] kunnen worden toegewezen voor een totaalbedrag van (elk) € 50.000,00, te weten € 20.000,00 aan affectieschade en € 30.000,00 aan smartengeld vanwege de aantasting in de persoon, vermeerderd met de wettelijke rente.
De advocaat-generaal heeft verzocht tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen ten aanzien van alle toegewezen vorderingen.
Standpunt van de verdediging
De raadslieden hebben zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 7] met betrekking tot de gevorderde affectieschade. Dit geldt ook voor de door [benadeelde 2] gevorderde shockschade. De raadslieden hebben verzocht om [benadeelde 2] met betrekking tot de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering nu de gevorderde posten onvoldoende zijn onderbouwd.
De verdediging heeft gevraagd om ten aanzien van de post smartengeld voor [benadeelde 3] en [benadeelde 4] te komen tot eenzelfde toewijzing en matiging als de rechtbank heeft gedaan.
Ten aanzien van de gevraagde vergoeding van shockschade van zoon [benadeelde 5] heeft de verdediging verzocht om deze post flink te matigen, zoals ook de rechtbank heeft gedaan en het bedrag naar billijkheid vast te stellen op € 15.000,00. [benadeelde 5] is pas op een later moment geconfronteerd met de details van het feit en deze confrontatie was niet meer onverhoeds en onvermijdbaar. Daarmee is niet voldaan aan de strikte eisen die door de Hoge Raad worden gesteld aan het toekennen van shockschade. (Voetnoot 2)
Ten aanzien van de door de broer en zussen gevorderde materiële schade sluit de verdediging zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen. De reiskosten naar Turkije van de ouders, broer en zussen, de echtgenote en de zoon van [benadeelde 1] hebben enig functioneel verband met de uitvaart als kosten van lijkbezorging. Van de reiskosten van de andere familieleden, zoals zwagers, schoonzus, neefjes, nichtjes en vrienden kan dit in redelijkheid niet worden gezegd, zodat benadeelden ten aanzien van die kosten niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering. De raadslieden verzoeken om de broer en de zussen, net al de rechtbank heeft gedaan, niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering voor zover deze ziet op de shockschade. Er is ook hier geen directe confrontatie geweest en deze niet-directe confrontatie was ook niet onvermijdbaar en niet onverhoeds.
De verdediging heeft voorts gevraagd om de post affectieschade ten aanzien van de broer en zussen niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, omdat broers en zussen slechts in zeer uitzonderlijke gevallen in aanmerking komen voor affectieschade. Van zeer uitzonderlijke omstandigheden is in dit geval geen sprake, althans dat is onvoldoende onderbouwd.
Ten slotte heeft de verdediging verzocht om, in de gevallen waar sprake is van samenloop van shockschade en affectieschade, de gevraagde bedragen aan shockschade en affectieschade schattenderwijs en naar billijkheid te matigen, nu het niet mogelijk is precies vast te stellen welk deel van het geestelijk letsel kan worden aangemerkt als shockschade door confrontatie met het slachtoffer en affectieschade als gevolg van het verdriet over het gemis van het slachtoffer.
Gederfd levensonderhoud en eigen risico ten aanzien van [benadeelde 2]
Nu de vordering voor wat betreft de materiële schade ad € 10.385,00 (bestaande uit eigen risico zorgverzekeraar à € 385,00 en kosten gederfd levensonderhoud à € 10.000,00) in hoger beroep niet langer is gehandhaafd, hoeft het hof hierover geen beslissing meer te nemen.
Medische kosten ten aanzien van [benadeelde 12]
De vordering van [benadeelde 12] ten aanzien van de medicijnen en de kosten voor het opvragen van medische informatie ad € 121,84 zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De gevorderde kosten voor het opvragen van medische informatie staan naar het oordeel van het hof niet in verhouding tot de door de verdediging aangeleverde stukken. Onduidelijk is welke medicatie is voorgeschreven, of deze medicatie (enkel) is voorgeschreven in verband met de gevolgen van het feit en/of deze kosten mogelijk vergoed zijn. Nadere onderbouwing, bewijslevering en behandeling van dit deel van de vordering zou een aanzienlijke vertraging en een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Gelet hierop is het hof van oordeel dat [benadeelde 12] voor wat betreft de medische kosten niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Kosten van lijkbezorging
Op grond van artikel 51f, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek kan degene die de kosten van een uitvaart heeft betaald voor een slachtoffer dat als gevolg van een strafbaar feit is overleden, een vordering indienen om die kosten op de verdachte in het strafproces te verhalen. [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 12] hebben vergoeding van de kosten in verband het de uitvaart van [benadeelde 1] in Turkije gevorderd, bestaande uit reiskosten, vliegtickets en hotelkosten.
In artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek staan drie soorten schade waarvan vergoeding kan worden gevorderd van degene die aansprakelijk is voor het overlijden van een persoon. Op grond van het tweede lid van deze bepaling moet de aansprakelijke aan degene die de kosten van lijkbezorging van de overledene heeft gedragen die kosten vergoeden, voor zover die kosten in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moeten de kosten in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene. (Voetnoot 3) Onder bepaalde omstandigheden staan reiskosten van naaste familieleden van de overledene naar het buitenland in rechtstreeks verband met diens begrafenis in dat land en zijn dergelijke kosten in overeenstemming met de omstandigheden van de overledene. (Voetnoot 4)
[benadeelde 1] is van Turkse afkomst. Niet ter discussie staat dat het past bij de omstandigheden van [benadeelde 1] , vanwege zijn culturele en religieuze achtergrond, dat hij in Turkije is begraven. Niet betwist wordt dat de kosten van vliegtickets van [benadeelde 8] , [benadeelde 10] en [benadeelde 12] , als broer en zussen, naar Turkije in verband met de begrafenis behoren tot de kosten van lijkbezorging die op grond van voornoemd artikel voor vergoeding door verdachte in aanmerking komen, zoals de rechtbank ook heeft beslist. Ditzelfde geldt voor de kosten van de vliegtickets naar Turkije van [benadeelde 2] en [benadeelde 5] en de ouders van [benadeelde 1] , die door [benadeelde 8] zijn betaald en door hem worden gevorderd. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat, gelet op het hiervoor overwogene, ook die kosten van vliegtickets van hen als echtgenote en eerste graad familie in verband met de begrafenis behoren tot de kosten van lijkbezorging die voor vergoeding in aanmerking komen.
De vraag die in hoger beroep voorligt is of, zoals door [benadeelde 8] , [benadeelde 10] en [benadeelde 12] wordt gevorderd, ook de kosten van de vliegtickets naar Turkije van hun partners en kinderen en in het geval van [benadeelde 8] ook nog een schoonzoon en een goede vriend als kosten van lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking komen. Ook deze kosten hebben enig functioneel verband met de uitvaart als kosten van lijkbezorging, aldus de advocaat van benadeelden.
Het hof heeft er zonder meer begrip voor dat ook andere familieleden dan de echtgenote, zoon, ouders, broer en zussen van [benadeelde 1] bij zijn begrafenis in Turkije aanwezig wilden zijn. De kosten van de vliegtickets van deze andere familieleden staan naar het oordeel van het hof echter niet in rechtstreeks verband met de begrafenis zoals bedoeld in artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek. Bij het vervoer van het lichaam van een overleden persoon naar een ander land ten behoeve van een uitvaart kan het als gebruikelijk worden beschouwd dat naaste familieleden met het lichaam meereizen, om het te begeleiden naar de eindbestemming. In dit opzicht hebben de reiskosten naar Turkije van de echtgenote, de zoon, de ouders, broer en zussen - zijn meest naaste familieleden, met wie hij ten tijde van zijn overlijden en vroeger in gezinsverband samenleefde - dus enig functioneel verband met de uitvaart, als kosten van lijkbezorging. Van de reiskosten van de andere familieleden kan dat in redelijkheid niet meer worden gezegd. Dit wordt niet anders doordat zij wel onder het slachtofferbegrip van art. 51a lid, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering vallen.
Het hof zal de vorderingen van [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 12] daarom deels toewijzen, voor zover het gaat om de kosten van de vliegtickets gemaakt voor henzelf en voor zover [benadeelde 8] deze kosten heeft gemaakt voor [benadeelde 2] , [benadeelde 5] en de ouders van [benadeelde 1] . Anders dan de rechtbank zal het hof ten aanzien van [benadeelde 8] zowel de kosten van zijn vliegticket terug op 23 december 2023 als de kosten van zijn vliegticket terug op 26 december 2023 toewijzen, nu zijn advocaat ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangegeven dat de terugreis in twee etappes heeft plaatsgevonden.
Ook de door [benadeelde 9] en [benadeelde 12] gevorderde overige reiskosten zal het hof toewijzen, nu de verdediging deze reiskosten niet heeft betwist en deze kosten redelijk voorkomen.
De door [benadeelde 8] gevorderde hotelkosten in Ankara en Istanbul staan, gelet op de daarover gegeven toelichting ter terechtzitting in hoger beroep, naar het oordeel van het hof in onvoldoende rechtstreeks verband met het begraven van [benadeelde 1] . Ditzelfde geldt voor de gevorderde kosten voor de upgrade op de heenweg van de vliegtickets van de vrouw van [benadeelde 8] , zijn dochters en [benadeelde 2] . Het hof zal [benadeelde 8] daarom niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de posten ‘Hotel Istanbul [benadeelde 8] & zijn vrouw 23-26 dec’, ‘Hotel Ankara dochters 21-22 december’ en ‘Vliegticket upgrade heenweg vrouw [benadeelde 8] , 3 dochters & weduwe 18 december’.
Het hof zal, gelet op het voorgaande, het door [benadeelde 8] gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 500,95 (1/3 van € 1.502,85) + € 1.023,68 (1/3 van € 3.071,04) + € 144,10 (1/2 van 288,20) + € 269,04 (1/2 van € 538,08) + € 677,90 + 558,58 = € 3.174,25.
Daarnaast zal het hof het door [benadeelde 9] gevorderde toewijzen tot een bedrag van € 28,91 + € 14,45 + € 58,94 + € 192,72 + 99,95 + € 519,76 (1/3 van € 1559,29) =
€ 914,73.
Het door [benadeelde 12] gevorderde zal het hof toewijzen tot een bedrag van € 31,68 +
€ 58,94 + € 192,72 + € 539,85 (1/3 van € 1.619,55) = € 823,19
Het hof zal alle drie de benadeelde partijen voor het overige deel in hun vordering ten aanzien van de materiële schade niet ontvankelijk verklaren en bepalen dat zij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.
Juridisch kader
Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022 (Voetnoot 5) volgt dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van dergelijke schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel zoals hierna nader omschreven.
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:
- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat de feitenrechter aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval moet beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is voorts beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over shockschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De kern van de jurisprudentie van de Hoge Raad blijft - ook na het hierboven genoemde arrest - dat in rechte op basis van objectieve gegevens moet kunnen worden vastgesteld dat de immateriële schade in verband met geestelijk letsel daadwerkelijk het gevolg is geweest van een hevige emotionele schok die door een strafbaar feit is veroorzaakt.
Shockschade [benadeelde 2]
Het hof dient gezien het voorgaande allereerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde rechtstreeks is geconfronteerd met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit, waardoor een shock is ontstaan. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend.
Uit de stukken blijkt dat benadeelde zeer kort na de aanval van verdachte op haar echtgenoot aanwezig was bij het bedrijf, zij daar met de gruwelijke situatie na het onrechtmatig handelen is geconfronteerd en dat zij met haar echtgenoot is meegereden in de ambulance, alwaar hij meerdere keren is gereanimeerd en zij uiteindelijk in het ziekenhuis is geconfronteerd met zijn levenloze en gehavende lichaam.
Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of bij de benadeelde sprake is van geestelijk letsel. Uit de brief van 25 juli 2025 van [naam 3] , psychosociaal therapeut, blijkt dat bij benadeelde sprake is van trauma gerelateerde klachten en klachten behorende bij een persisterende complexe rouwstoornis met als gevolg daarvan ernstig lijden. Het hof stelt op grond hiervan vast dat sprake is van een erkend psychiatrisch ziektebeeld.
Tot slot stelt het hof vast dat de verdediging de gevorderde shockschade niet heeft betwist.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte de gestelde immateriële schade in de vorm van shockschade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Shockschade [benadeelde 5]
Ook ten aanzien van de namens [benadeelde 5] gestelde shockschade dient het hof allereerst de vraag te beantwoorden of de benadeelde rechtstreeks met de gevolgen van het bewezenverklaarde feit is geconfronteerd en dat daardoor een shock is ontstaan. Het hof beantwoordt deze vraag wederom bevestigend. Uit het voegingsformulier en de toelichting op de vordering blijkt het volgende.
[benadeelde 5] was aanwezig ten tijde van de steekpartij op het bedrijf. Hij zag de verdachte lopen en sprak nog met hem. Korte tijd later breekt er paniek uit. [benadeelde 5] hoort dat zijn vader is neergestoken door verdachte. [benadeelde 5] ziet dat zijn vader van de deur naar de ambulance
wordt getild. Hij is achter de ambulance aan naar het ziekenhuis gereden en was
aanwezig in de wachtkamer terwijl zijn vader werd geopereerd. Het mocht niet baten.
[benadeelde 5] is in het ziekenhuis direct na het overlijden geconfronteerd met zijn overleden vader. Hij lag met ontbloot bovenlichaam op de operatietafel. Het letsel en bloed was
zichtbaar. De volgende dag is [benadeelde 5] geconfronteerd met de plek op kantoor gezien waar zijn
vader is neergestoken nadat het pand was vrijgegeven. Op de trap naar boven zag
hij al spetters bloed. Boven zag [benadeelde 5] overal bloed. [benadeelde 5] kon door de confrontatie niet
meer op zijn benen staan.
Het hof dient vervolgens andermaal de vraag te beantwoorden of bij benadeelde sprake is van geestelijk letsel. Uit de brief van 9 juli 2025 van [naam 4] , blijkt dat bij benadeelde de volgende DSM 5 classificatie is gesteld: Andere gespecificeerde trauma- of stressor gerelateerde stoornis. Het hof stelt op grond hiervan vast dat sprake is van een erkend psychiatrisch ziektebeeld. Uit voornoemde brief blijkt voorts dat benadeelde hiervoor is behandeld middels EMDR op 9 juli 2024. Nadat benadeelde op 19 augustus 2024 had aangegeven geen behoefte te hebben aan vervolgtrajecten is zijn dossier gesloten.
De verdediging heeft de gevorderde shockschade niet betwist, maar verzocht het bedrag flink te matigen en naar billijkheid vast te stellen op € 15.000,00, zoals ook de rechtbank heeft gedaan.
Gelet op het voorgaande, met name ook het feit dat benadeelde na één EMDR-behandeling heeft aangegeven geen behoefte meer te hebben aan vervolgtrajecten, en mede gelet op hetgeen blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van shockschade stelt het hof de shockschade naar billijkheid vast op een bedrag van € 15.000,00.
Voor het overige is het hof van oordeel dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Het hof zal benadeelde in de vordering ten aanzien van shockschade voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren.
Shockschade [benadeelde 8] en [benadeelde 12]
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat ten aanzien van benadeelden niet voldaan is aan het confrontatievereiste. Zij hebben immers niet (direct) de gebeurtenissen waargenomen waardoor hun broer is overleden. Zij hebben in het ziekenhuis gewacht, terwijl hun broer werd geopereerd. [benadeelde 8] is na zijn overlijden met de echtgenote de operatiekamer binnengegaan. [benadeelde 12] mocht niet naar haar broer toe, maar heeft foto’s van haar overleden broer ontvangen. Dit maakt de confrontatie vermijdbaar en niet onverhoeds. Daar komt bij dat op basis van de stukken ten aanzien van [benadeelde 12] niet kan worden vastgesteld dat het geconstateerde geestelijk letsel in rechtstreeks verband staat met de confrontatie. Aan de vereisten voor toekenning van shockschade is naar het oordeel van het hof niet voldaan. Het hof zal [benadeelde 8] en [benadeelde 12] daarom niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde shockschade.
Shockschade [benadeelde 9]
Namens de benadeelde [benadeelde 9] is verzocht haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering voor zover die betrekking heeft op shockschade, omdat het voor haar nog te vroeg na het overlijden is om te starten met een behandeling van psychisch letsel. Het hof is echter van oordeel dat ook ten aanzien van haar geldt dat niet voldaan is aan het confrontatievereiste. Benadeelde heeft immers, net als haar broer en zus, niet (direct) de gebeurtenissen waargenomen waardoor haar broer [benadeelde 1] is overleden. Zij heeft in het ziekenhuis gewacht, terwijl haar broer werd geopereerd. Zij mocht na zijn overlijden ook niet naar hem toe. Aan de vereisten voor toekenning van shockschade is naar het oordeel van het hof niet voldaan. Het hof zal [benadeelde 9] daarom niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de gevorderde shockschade.
Smartengeld
Namens [benadeelde 5] en [benadeelde 4] is een bedrag ter hoogte van € 30.000,00 aan immateriële schade gevorderd, omdat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze.
Juridisch kader
De wet regelt in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel of het oogmerk om nadeel toe te brengen, zoals hier het geval, kan op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn of haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon eveneens met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Immateriële schade [benadeelde 5] en [benadeelde 4]
Namens de benadeelde partijen is aangevoerd dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen van het strafbare feit voor benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Naar het oordeel van het hof ziet deze ‘uitzondering’ op het in art. 6:106 sub b BW bepaalde echter op situaties waarin sprake is van uit de aard en ernst van de normschending volgende evidente nadelige gevolgen voor het slachtoffer van het misdrijf zelf. Zonder iets te willen afdoen aan het peilloze leed dat het overlijden van [benadeelde 1] als zodanig bij zijn nog jonge kinderen heeft veroorzaakt, constateert het hof dat zonder nadere onderbouwing op deze grond niet kan worden vastgesteld dat bij hen sprake is van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.
Uit de toelichting op de vordering van [benadeelde 5] , in het bijzonder uit de brief van [naam 3] , psychosociaal therapeut, d.d. 21 mei 2025, blijkt dat [benadeelde 5] vanaf juli 2024 in behandeling is bij [naam praktijk] . Reden voor de aanmelding was om te onderzoeken of er sprake is van trauma gerelateerde klachten en/of rouwreacties en daarvoor passende hulp te bieden. Zij komt daar gemiddeld eens per twee/drie weken. [benadeelde 5] laat angstklachten zien en van verwerking is slechts mondjesmaat sprake. De gehele situatie verwerken en integreren in haar leven zal tijd kosten en zal zij haar hele leven met zich meedragen. De verwachting is dat [benadeelde 5] de komende tijd nog behandeling in het kader van rouw en trauma nodig heeft. Op basis van deze informatie acht het hof aannemelijk dat [benadeelde 5] geestelijk letsel heeft opgelopen, ook al is bij haar geen in de psychiatrie erkend ziektebeeld vastgesteld. Dit maakt dat er ten aanzien van [benadeelde 5] sprake is van een ernstige aantasting in de persoon en dat zij naar het oordeel van het hof recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Het hof stelt de schade van [benadeelde 5] , net als de rechtbank, naar billijkheid vast op
€ 10.000,00. In hetgeen namens [benadeelde 5] in de fase van het hoger beroep naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding om een hoger bedrag toe te wijzen.
Uit voornoemde brief blijkt dat [benadeelde 4] , gelet op zijn jonge leeftijd, nog niet in behandeling is. Dit maakt dat geestelijk letsel evenmin aannemelijk is geworden. Ten aanzien van [benadeelde 4] constateert het hof dat, zonder nadere onderbouwing ten aanzien van [benadeelde 4] niet kan worden vastgesteld dat sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. [benadeelde 4] kan daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade thans in zijn vordering niet worden ontvangen en kan zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Affectieschade
Alle benadeelden hebben vergoeding van affectieschade gevorderd. Het hof stelt vast dat de benadeelden, met uitzondering van de ouders [benadeelde 6] en [benadeelde 7] , bij zijn of haar vordering aansluiting heeft gezocht bij de in artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen.
Juridisch kader
Vanaf 1 januari 2019 is het vorderen van affectieschade mogelijk voor de in artikel 6:108, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek genoemde naasten van het door het misdrijf overleden slachtoffer. De aanspraak op affectieschade is een naar omvang beperkte vergoeding, die vooral beoogt het leed van de naasten en nabestaanden te erkennen. Uitgangspunt is dat de kring van gerechtigden is beperkt tot personen die geacht mogen worden een zeer nauwe affectieve band met het slachtoffer te hebben. Het betreft ouders, partners en kinderen van het slachtoffer alsmede gevallen waarin er sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bijvoorbeeld bij pleegkinderen of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt groot gebracht het geval zal zijn. In artikel 6:108, vierde lid sub g van het Burgerlijk Wetboek is een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. Als voorbeeld wordt in de Memorie van Toelichting bij dit artikel gegeven broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Broers en zussen zijn dus in beginsel door de wetgever uitgesloten, tenzij er sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.
Affectieschade [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , [benadeelde 6] en [benadeelde 7]
Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen [benadeelde 2] (echtgenote), [benadeelde 3] (minderjarige dochter), [benadeelde 4] (minderjarige zoon), [benadeelde 5] (meerderjarige zoon), [benadeelde 6] (moeder) en [benadeelde 7] (vader) tot de in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde kring van gerechtigden behoren. [benadeelde 2] , [benadeelde 5] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] hebben bij hun vorderingen aansluiting gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen. De ouders [benadeelde 6] en [benadeelde 7] hebben een bedrag van € 17.500,00 gevorderd. Geen van de vorderingen is door de verdediging betwist. Gelet op het voorgaande zal het hof de bedragen, zoals gevorderd, toewijzen.
Affectieschade [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 12]
De benadeelde partijen [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 12] zijn de broer en zussen van het slachtoffer zijn. Zoals hiervoor overwogen heeft
de wetgever broers en zussen in beginsel uitgesloten van de kring van gerechtigden. De wetgever heeft wel voorzien in een restcategorie, maar ook hier vallen – gelet op de nadere onderbouwing – deze benadeelde partijen niet onder. Voor de hof is het volkomen helder dat zij een nauwe en affectieve relatie hadden met hun broer en dat zij veel pijn en verdriet ondervonden en ook nu nog ondervinden door het verlies van [benadeelde 1] , maar van uitzonderlijke omstandigheden, zoals de wetgever bij het maken van de restcategorie voor ogen heeft gestaan en op grond waarvan de benadeelde partijen dan zou verschillen van andere personen die hun broer of zus als gevolg van een misdrijf verliezen, is hier onvoldoende gebleken. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van [benadeelde 8] , [benadeelde 9] en [benadeelde 12] wat betreft deze schadepost moeten worden afgewezen.
Wettelijke rente
Verdachte is wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd vanaf de dag dat de schade is ingetreden. Dit is voor alle toegewezen posten, met uitzondering van de toegewezen reiskosten, de datum van het delict (13 december 2023).
De ten aanzien van [benadeelde 9] toegewezen reiskosten zijn gemaakt in de periode van 13 december 2023 tot en met 28 december 2023. Het hof zal daarom bepalen dat de wettelijke rente over deze reiskosten verschuldigd is vanaf 20 december 2023, als het midden van de periode waarin de reiskosten zijn gemaakt.
De ten aanzien van [benadeelde 12] toegewezen reiskosten zijn gemaakt in de periode van 13 december 2023 tot en met 29 december 2023. Het hof zal daarom bepalen dat de wettelijke rente over deze reiskosten verschuldigd is vanaf 21 december 2023, als het midden van de periode waarin de reiskosten zijn gemaakt.
De ten aanzien van [benadeelde 8] toegewezen reiskosten zijn gemaakt in de periode van 15 december 2023 tot en met 29 december 2023. Het hof zal daarom bepalen dat de wettelijke rente over deze reiskosten verschuldigd is vanaf 22 december 2023, als het midden van de periode waarin de reiskosten zijn gemaakt.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.