Op 12 June 2026 heeft de Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafprocesrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 21-003943-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHARL:2026:3855. De plaats van zitting was Leeuwarden.
Parketnummer: 21-003943-25
Uitspraakdatum: 12 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 4 september 2025 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-140877-24 en 18-161440-25, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1977 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in PI [locatie 1] .
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 mei 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
vernietiging van het vonnis van de rechtbank;
bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 18-140877-24 en het in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 1 primair, met uitzondering van de tenlastegelegde voorbedachte raad, en 2 tenlastegelegde;
veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 9 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;
oplegging van de niet-gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege;
toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, waaronder ook de [benadeelde 1] , te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadslieden, mr. M.H.A. Horsch en mr. L. Hoste hebben aangevoerd.
Ook heeft het hof kennisgenomen van wat naar voren is gebracht door
mr. R. Spoelstra, advocaat te Groningen , namens de benadeelde partij [benadeelde 2] ;
dhr. M. Benjamins van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partij [benadeelde 3] ;
dhr. A.J. de Korte namens de benadeelde partij [benadeelde 1] .
De rechtbank Noord-Nederland heeft bij vonnis van 4 september 2025:
- verdachte ter zake van het aan haar in de zaak met parketnummer 18-140877-24 en in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;
gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en bevolen dat zij van overheidswege zal worden verpleegd;
de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding;
de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en omdat het hof tot een andere beslissing op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen komt. Het hof doet daarom opnieuw recht.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-140877-24:
zij op of omstreeks 23 april 2024 te [plaats 1] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] (meermaals) met een mes, althans een puntig en/of scherp voorwerp, op en/of in meerdere plekken op en/of in het lichaam te steken en/of te snijden, waaronder de borst en/of buik en/of benen.
Zaak met parketnummer 18-161440-25 (gevoegd):
1. primairzij op of omstreeks 27 april 2025 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] aan een ander, te weten [benadeelde 3] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel een op meerdere plaatsen gebroken oogkas en/of oogletsel heeft toegebracht, door
- haar onverhoeds aan te vallen en/of
- meermalen met gebalde vuisten in het gezicht te slaan/stompen en/of - haar aan de haren te trekken en/of
- haar ten val te brengen en/of naar de grond te brengen en/of - haar te slaan/stompen terwijl zij op de grond lag;
1. subsidiairzij op of omstreeks 27 april 2025 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] , al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde 3] heeft mishandeld, door
- haar onverhoeds aan te vallen en/of
- meermalen met gebalde vuisten in het gezicht te slaan/stompen en/of
- haar aan de haren te trekken en/of
- haar ten val te brengen en/of naar de grond te brengen en/of
- haar te slaan/stompen terwijl zij op de grond lag
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, een op meerdere plaatsen gebroken oogkas en/of oogletsel, ten gevolge had;
2.zij op of omstreeks 27 april 2025 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met een televisie en/of met meerdere kledingstukken en/of jassen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten het bed en/of het matras en/of de wandbekleding, althans één of meer goederen in het cellenblok, te duchten was en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten medegedetineerden en/of één of meer medewerkers van de [benadeelde 1] te duchten was.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Zaak met parketnummer 18-140877-24
Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij op 23 april 2024 te [plaats 1] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door hem meermalen met een mes in het lichaam te steken en/of te snijden.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewijsvraag gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de tenlastegelegde doodslag wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals die in de bijlage bij dit arrest zijn uitgewerkt.
Op grond van deze bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken en gesneden, waarbij hij dusdanige verwondingen heeft opgelopen – waaronder een perforatie van de rechterborstholte, het middenrif en de lever – dat hij is komen te overlijden aan ademhalingsfunctiestoornissen en verbloeding. Ten aanzien van het opzet overweegt het hof dat verdachte heeft verklaard dat zij bewust diep heeft gestoken om er zeker van te zijn dat het ‘goed zou komen’ en zij niet eindeloos zou hoeven blijven steken met ondiepe wondjes. Hieruit leidt het hof af dat verdachte opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van doodslag.
Zaak met parketnummer 18-161440-25
Feit 1 primair (zware mishandeling)
Aan verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd dat zij op 27 april 2025 te [plaats 2] aan medewerkster [benadeelde 3] opzettelijk en al dan niet met voorbedachte raad zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door haar onverhoeds aan te vallen, haar meermalen met gebalde vuisten in het gezicht te slaan en/of te stompen, haar aan de haren te trekken, haar ten val te brengen en haar te slaan terwijl zij op de grond lag.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair tenlastegelegde zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat op de camerabeelden te zien is dat verdachte het slachtoffer heeft aangevallen, dat vrijwel direct letsel zichtbaar was en dat uit de medische stukken en verklaringen volgt dat het slachtoffer een op twee plaatsen gebroken oogkas, diverse wonden en oogletsel met dubbelzien heeft opgelopen. Ten aanzien van de voorbedachte raad heeft de advocaat-generaal zich aangesloten bij de partiële vrijspraak door de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit, nu verdachte de mishandeling heeft ontkend. Subsidiair heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van het bestanddeel voorbedachte raad, nu de mishandeling zou zijn voortgevloeid uit een plotselinge gemoedsopwelling en van kalm beraad en rustig overleg geen sprake is geweest.
Oordeel van het hof
Alvorens toe te komen aan de bewijsvraag verwerpt het hof het verweer van verdachte inhoudende dat de camerabeelden van de PI – althans het gedeelte waarop de mishandeling van [benadeelde 3] te zien is – zijn gemanipuleerd. Het hof ziet geen enkele aanwijzing dat dit het geval zou kunnen zijn geweest. De rechtbank heeft daaromtrent in haar vonnis het volgende overwogen.
Uit de medische stukken en de verklaringen van [benadeelde 3] en haar collega’s volgt ontegenzeggelijk dat [benadeelde 3] fors letsel heeft opgelopen op de afdeling op het moment dat er brand was in de cel van verdachte. Het enige alternatief voor het ontstaan van het letsel op dit moment zou zijn dat dit letsel door [benadeelde 3] zelf of door haar collega’s zou zijn toegebracht om verdachte erin te luizen. Dit alternatief acht de rechtbank ongeloofwaardig en in strijd met de overige bewijsmiddelen.
Naar het oordeel van het hof zijn deze overwegingen juist. Het hof neemt deze over en zal de camerabeelden voor het bewijs gebruiken.
Het hof is van oordeel dat de onder 1 primair tenlastegelegde zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals die in de bijlage bij dit arrest zijn uitgewerkt. De rechtbank heeft daaromtrent in haar vonnis het volgende overwogen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [benadeelde 3] heeft mishandeld, kort gezegd door haar met kracht meermalen in het gezicht te slaan. [benadeelde 3] heeft hierbij onder meer oogletsel opgelopen en haar linkeroogkas is op twee plekken gebroken. De stand van de linkeroogkas is ca. drie maanden na de mishandeling vermoedelijk afwijkend ten opzichte van voor de mishandeling. Vanwege het risico op (wederom) dubbelzien is ervoor gekozen om niet operatief in te grijpen. [benadeelde 3] houdt een verhoogd risico op netvliesloslating, ook op langere termijn. De rechtbank leidt uit het schrijven van de bedrijfsarts af dat [benadeelde 3] haar werkzaamheden ca. vier maanden na het voorval weer zou moeten kunnen oppakken.
De rechtbank is van oordeel dat dit letsel gelet op de aard en de gevolgen daarvan naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Het handelen van verdachte – het meermalen gericht en erg hard stompen in het gezicht – was hier naar uiterlijke verschijningsvorm ook op gericht. De rechtbank acht zware mishandeling dan ook bewezen.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het handelen met voorbedachte raad en overweegt hierbij het volgende.
Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. De enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, is niet toereikend om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.
In deze zaak volgt de voorbedachte raad naar het oordeel van de rechtbank niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen of de rest van het dossier. Hoewel in een conflict over recreatietijd enkele dagen eerder een motief zouden kunnen worden gevonden voor de mishandeling, acht de rechtbank dit – evenmin in combinatie met de tussenliggende gebeurtenissen – onvoldoende bewijs voor het handelen volgens een vooropgezet plan.
Daarbij komt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte en medegedetineerden tijdens de evacuatie, dus vlak voor de mishandeling, werden aangesproken door [benadeelde 3] . [benadeelde 3] riep dat ze terug naar hun cel moesten, en zei tegen verdachte: “jij even niet, want er is brand in jouw cel”. Voordat ze deze zin kon afmaken, kreeg ze van verdachte een vuistslag in het gezicht. Verdachte heeft hierover verklaard dat zij zich afgewezen voelde door [benadeelde 3] .
(Voetnoot 1)
De rechtbank houdt dan ook voor mogelijk dat verdachte toen pas (al dan niet in een hevige gemoedsopwelling) besloot om [benadeelde 3] te slaan en dat vervolgens meteen deed.
De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet vaststellen dat verdachte voorafgaand aan de mishandeling voldoende tijd voor beraad en gelegenheid voor bezinning op het genomen besluit heeft gehad.
Het hof acht deze overwegingen juist en neemt deze over. Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van zware mishandeling, met uitzondering van het bestanddeel voorbedachte raad, waarvan verdachte zal worden vrijgesproken.
Feit 2 (brandstichting)
Aan verdachte is onder 2 ten laste gelegd dat zij op 27 april 2025 te [plaats 2] opzettelijk brand heeft gesticht in haar cel door open vuur in aanraking te brengen met een televisie en/of kledingstukken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde brandstichting, ook voor wat betreft het gemeen gevaar voor goederen en het levensgevaar voor personen, wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft zich aangesloten bij de bewijsredenering van de rechtbank en heeft aangevoerd dat een technische oorzaak door forensisch onderzoek is uitgesloten, dat veel giftige dampen en rook zijn vrijgekomen, dat gedurende een lange periode een gevaarlijk hoge CO-waarde is gemeten en dat de vrijgekomen dampen en rook zich via het luikje van de celdeur over de afdeling konden verspreiden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit, nu verdachte de brandstichting heeft ontkend. Subsidiair heeft de verdediging partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van de bestanddelen levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de brand is gesticht in een afgesloten cel met brandvertragend materiaal, dat reëel uitbreidingsgevaar heeft ontbroken en dat niet kan worden vastgesteld dat de concentratie giftige dampen buiten de cel hoog genoeg is geweest om levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel op te leveren.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de tenlastegelegde brandstichting wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de bewijsmiddelen zoals die in de bijlage bij dit arrest zijn uitgewerkt. De rechtbank heeft daaromtrent in haar vonnis het volgende overwogen.
Uit de beschrijving van de camerabeelden (bewijsmiddel 3) volgt dat verdachte om 10:18:33 haar cel verliet en de celdeur sloot. Om 10:19:02, dus 29 seconden later, gingen alle openstaande celdeuren op de afdeling dicht. Om 10:19:19 renden medewerksters van de PI naar de celdeur van verdachte, werd het luikje van de deur geopend, waarna een van hen een brandslang haalt en door het luikje heen wordt getracht te blussen. Op de beelden is te zien dat niemand de cel is ingegaan tussen het moment dat verdachte de cel verliet en de medewerkers van de PI ernaartoe rennen en vervolgens gaan blussen. De rechtbank concludeert dan ook dat niet anders kan dan dat verdachte degene is die de brand op haar cel heeft gesticht.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman inhoudend dat er geen sprake was van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar bij de brand. De rechtbank constateert dat uit het forensisch onderzoek naar de brand (bewijsmiddel 2) volgt dat bij de brand giftige dampen zijn vrijgekomen en dat de brandweer gedurende een lange periode een gevaarlijk hoge CO-waarde heeft gemeten. Dat de brand zelf (mogelijk) beperkt zou zijn gebleven tot de cel zelf, is dan ook niet relevant, nu de bij de brand vrijgekomen giftige dampen en rook zich kon verspreiden over de afdeling, bijvoorbeeld via het luikje waardoor geblust werd. Op die afdeling waren op dat moment zowel medegedetineerden als personeel aanwezig. De conclusie van het forensisch onderzoek dat sprake was van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen acht de rechtbank dan ook gerechtvaardigd. De rechtbank acht dit feit dan ook integraal bewezen.
Het hof acht deze overwegingen juist en neemt deze over. Het hof voegt hieraan nog toe dat de forensisch onderzoekers hebben verklaard dat bluswerkzaamheden hebben voorkomen dat de brand zich heeft kunnen uitbreiden. Verder hebben zij over de matras, het beddengoed en het dekbed verklaard dat die weliswaar van brandvertragend materiaal waren, maar zij hebben ook vastgesteld dat deze goederen wel verbranden zolang er vuur werd ingebracht.
Het hof komt aldus tot een bewezenverklaring van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen, gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor een ander. Het verweer wordt verworpen.
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-140877-24 en in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-140877-24:
1.zij op 23 april 2024 te [plaats 1] [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door voornoemde [slachtoffer] meermaals met een mes op meerdere plekken in het lichaam te steken en te snijden, waaronder de borst en buik en benen.
Zaak met parketnummer 18-161440-25 (gevoegd):
1. primairzij op 27 april 2025 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] aan een ander, te weten [benadeelde 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een op meerdere plaatsen gebroken oogkas en oogletsel heeft toegebracht, door
- haar onverhoeds aan te vallen en
- meermalen met gebalde vuisten in het gezicht te stompen en
- haar aan de haren te trekken en
- haar ten val te brengen en/of naar de grond te brengen;
-
2.zij op 27 april 2025 te [plaats 2] , gemeente [gemeente] opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met een televisie en met meerdere kledingstukken en jassen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het bed en het matras en de wandbekleding te duchten was en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten medegedetineerden en medewerkers van de [benadeelde 1] te duchten was.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu haar een beroep op noodweer toekomt. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit zelfverdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer, dat zij zich niet aan de situatie heeft kunnen onttrekken en dat haar handelen proportioneel is geweest.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het door verdachte geschetste noodweerscenario onaannemelijk is en dat het verweer moet worden verworpen. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de reactie van verdachte, ook indien een noodweersituatie zou zijn aangenomen, niet noodzakelijk dan wel niet proportioneel is geweest.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdedigingshandeling is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van een beroep op noodweer gaat het erom dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde op de zitting, voldoende aannemelijk is geworden.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van verdachte de enige bron van informatie zijn over wat zich op 23 april 2024 in haar woning heeft afgespeeld. Het slachtoffer is immers niet meer in staat te verklaren en er waren geen getuigen aanwezig. De vraag is dan ook of verdachte een voldoende concreet en coherent feitenrelaas naar voren heeft gebracht waaruit de door haar gestelde noodweersituatie aannemelijk wordt. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
Voor een te honoreren beroep op noodweer moet het feitenrelaas van verdachte aannemelijk worden. Daarbij is van belang dat dit feitenrelaas voldoende specifiek en concreet is. Het hof moet immers uit dat feitenrelaas kunnen afleiden wat zich voorafgaand aan de handelingen van verdachte heeft afgespeeld. In dit specifieke geval, waarbij vanwege de stoornissen van verdachte het voor laatstgenoemde mogelijk niet eenvoudig is om coherent over de bewuste situatie te verklaren, heeft het hof bij het beoordelen van de aannemelijkheid van het feitenrelaas ook de persoon van verdachte in aanmerking genomen. Desalniettemin is het hof van oordeel dat de door verdachte genoemde feiten onvoldoende specifiek, concreet en consistent zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Vaststaat dat het slachtoffer op 23 april 2024 omstreeks 06:00 uur bij verdachte is gearriveerd en dat de politie om 09:07 uur de opdracht kreeg om naar de woning van verdachte te gaan. Verdachte had kort daarvoor zelf een 112-melding gedaan. Het gaat dus om een periode van ongeveer drie uur waarin verdachte en slachtoffer gezamenlijk in de woning van verdachte waren totdat de politie arriveerde en het slachtoffer dood aantrof. Dat er in die periode een confrontatie heeft plaatsgevonden die tot de dood van het slachtoffer heeft geleid, staat wel vast. Wat voor confrontatie dat was, hoe die is ontstaan en hoe die zich heeft ontwikkeld, kan het hof echter niet vaststellen. Verdachte heeft verklaard dat de sfeer in die periode steeds grimmiger werd, maar heeft de cruciale momenten in de aanloop naar het steken/snijden onvoldoende concreet kunnen maken. Zij heeft telkens aangegeven dat zij en het slachtoffer een woordenwisseling hadden en dat het erger en erger werd. Waar dat erger worden uit heeft bestaan, is uit hetgeen verdachte bij de politie, de rechtbank en het hof heeft verklaard echter onvoldoende duidelijk geworden. Verdachte verklaart daar wisselend over. Tijdens het eerste verhoor bij de politie verklaarde verdachte dat het uit de hand liep, dat het slachtoffer haar begon te slaan, haar beetpakte en dat er een handgemeen ontstond. Het slachtoffer zou een mes hebben vastgehad en met veel geweld en in een worsteling lukte het verdachte om dit mes af te pakken. Tijdens datzelfde verhoor verklaarde verdachte dat het slachtoffer dreigend voor haar stond en dat zij het mes pakte toen het te dreigend werd. Tijdens het tweede verhoor verklaarde verdachte dat het slachtoffer haar sloeg en bij haar keel greep, dat het erger en erger werd en dat zij niet wegliep, omdat het slachtoffer haar achterna zou lopen. Bij het derde verhoor verklaarde verdachte dat zij naar de wc moest en dat het toen escaleerde, dat het slachtoffer het mes pakte toen verdachte wat van zijn gedrag zei en dat het slachtoffer steekbewegingen maakte met het mes. Bij de rechtbank verklaarde verdachte dat zij tegenover het slachtoffer stond, dat hij aan het vloeken en aan het tieren was, dat hij steekbewegingen maakte, dat er toen een halve worsteling ontstond, dat zij wel een beetje had moeten vechten om het mes in handen te krijgen en dat zij het slachtoffer wel moest steken, omdat hij anders het mes af zou pakken. Verder verklaarde zij bij de rechtbank dat het slachtoffer bezig was om haar om te brengen, dat dat uit zijn boosheid tegenover vrouwen in het algemeen bleek, dat hij agressief was en dat die agressie bestond uit vloeken en tieren en dat hij haar op een ruige manier aanraakte. Bij het hof verklaarde verdachte onder meer dat er een worsteling was, dat zij het slachtoffer kon afleiden en het mes kon afpakken, dat hij alleen maar bozer werd en dat zij toen gedwongen werd om hem te steken, dat het slachtoffer achter haar aan zou lopen en even later dat zij ook is weggelopen, achteruit de kamer door, maar dat hij haar bleef volgen.
Al met al heeft verdachte geen inzichtelijk beeld kunnen geven van hoe de escalatie heeft plaatsgevonden. Onduidelijk blijft wanneer het geweld een aanvang heeft genomen, waaruit het geweld waartegen zij zich stelde te verdedigen nu precies heeft bestaan, hoe zij het mes in handen kreeg en wat de directe aanleiding was dat zij het slachtoffer stak. Wat verdachte naar voren heeft gebracht is dan ook onvoldoende eenduidig om daaruit te kunnen afleiden wat voorafgaand aan het steken door verdachte is voorgevallen. Aldus is onvoldoende aannemelijk geworden dat er een situatie bestond waarin verdachte zich moest verdedigen. Het verweer wordt verworpen.
Het hof concludeert dat er ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-140877-24 bewezenverklaarde levert op:
doodslag.
Het in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
zware mishandeling.
Het in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Strafbaarheid van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte zijn de volgende rapportages opgemaakt:
een Pro Justitia rapportage van 7 augustus 2025, opgemaakt door J.L.M. Dinjens, psychiater;
een Pro Justitia rapportage van 14 augustus 2025, opgemaakt door drs. V. Tiemens, GZ-psycholoog.
Uit het psychiatrisch onderzoek volgt dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde psychotische of schizofreniespectrumstoornis, een andere gespecificeerde (gemengde) persoonlijkheidsstoornis met schizotypische, paranoïde en antisociale kenmerken, genderdysforie en stoornissen in het gebruik van cocaïne, alcohol en heroïne, allen in remissie. Uit het psychologisch onderzoek volgt dat verdachte lijdt aan een schizotypische persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken, genderdysforie en een stoornis in het gebruik van een stimulantium, in remissie. Een ongespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis staat als voorlopige classificatie beschreven.
De psychiater en de psycholoog concluderen dat deze stoornissen (deels) aan de orde waren ten tijde van de onderhavige feiten en de gedragskeuzes van verdachte beïnvloedden. De psychiater adviseert om alle feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De psycholoog onthoudt zich bij gebrek aan een voldoende inzichtelijk delictscenario van een advies over de toerekenbaarheid met betrekking tot de doodslag, maar adviseert wel om de feiten gepleegd in [benadeelde 1] in verminderde mate toe te rekenen.
Het hof neemt de conclusies van de deskundigen op de in de rapporten genoemde gronden over. Het hof gaat er net als de psychiater vanuit dat de stoornissen ook ten tijde van de doodslag de gedragskeuzes van verdachte beïnvloedden en met de psychiater en de psycholoog dat de stoornissen de gedragskeuzes van verdachte beïnvloedden ten tijde van de overige feiten. Het hof zal verdachte de bewezenverklaarde feiten daarom in verminderde mate toerekenen.
Verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, uitgaande van een verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht, uitgaande van een honorering van het noodweerverweer inzake de doodslag van [slachtoffer] , een eventuele gevangenisstraf te beperken tot de duur van het voorarrest. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van minder dan 5 jaren. De verdediging heeft voorts verzocht de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte tot uitdrukking te brengen in de straf, met aansluiting bij de door rechtbank Rotterdam geïntroduceerde oriëntatiepunten toerekening.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Aard en ernst van de feiten
Op 23 april 2024 heeft verdachte [slachtoffer] in haar woning om het leven gebracht door hem meermalen diep met een mes in zijn bovenlichaam te steken en te snijden. [slachtoffer] liep hierbij ernstige inwendige verwondingen op, waaronder een perforatie van de rechterborstholte, het middenrif en de lever, en overleed als gevolg van ademhalingsfunctiestoornissen en verbloeding.
[slachtoffer] was 44 jaar oud en zijn leven is hem abrupt afgenomen. Verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Zijn nabestaanden zullen dit verlies de rest van hun leven met zich meedragen. Daar komt bij dat verdachte – zoals hiervoor bij de bespreking van het noodweerverweer overwogen – geen inzichtelijk beeld heeft kunnen geven van wat er die ochtend in haar woning heeft plaatsgevonden. Wat er werkelijk is voorgevallen en wat verdachte heeft bewogen tot haar handelen, is daarmee onduidelijk gebleven. Voor de nabestaanden maakt dat het verlies nog zwaarder te dragen.
Naast de gevolgen voor de nabestaanden, benadrukt het hof dat de rechtsorde door dit soort misdrijven ernstig wordt geschokt. In het algemeen versterken gewelddadige zaken als deze in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid en onbehagen.
Een jaar later, tijdens haar voorarrest, heeft verdachte zich in [benadeelde 1] schuldig gemaakt aan brandstichting in haar cel. Verdachte heeft daarmee willens en wetens het leven en de veiligheid van allen die zich op dat moment op de afdeling bevonden in gevaar gebracht. Dat dit gevaar geen werkelijkheid is geworden, is te danken aan het snelle handelen van het personeel. Terwijl de brand woedde, heeft verdachte een medewerkster van de PI zwaar mishandeld. Uitgerekend terwijl die medewerkster de aanwezigen op de afdeling in veiligheid probeerde te brengen, viel verdachte haar vanuit het niets aan. Zij sloeg haar meerdere malen hard in het gezicht, waardoor zij ten val kwam. De medewerkster heeft onder meer een op twee plaatsen gebroken oogkas opgelopen en kampt nog steeds met de gevolgen, zowel fysiek als mentaal, hetgeen zij op de zitting van het hof en in de onderbouwing van haar vordering indringend naar voren heeft gebracht. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de medewerkster, die op het moment van de aanval niets anders deed dan haar werk en zich inzette voor de veiligheid van anderen.
Persoon van verdachte
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 1 mei 2026, waaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Daarnaast heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Daarbij is in het bijzonder acht geslagen op de omstandigheid dat de feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
De op te leggen straf
Doodslag betreft één van de ernstigste feiten in het strafrecht. Dat alleen al rechtvaardigt het opleggen van een lange gevangenisstraf. Voor dit misdrijf bestaan geen landelijke oriëntatiepunten. In vergelijkbare zaken worden in het algemeen gevangenisstraffen tussen de 8 en 12 jaren opgelegd. Voor de zware mishandeling geldt een uitgangspunt van drie maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor brandstichting bestaan evenmin oriëntatiepunten.
Het verzoek van de verdediging om bij de straftoemeting aansluiting te zoeken bij de door rechtbank Rotterdam geïntroduceerde oriëntatiepunten toerekening volgt het hof niet. Het hof ziet geen aanleiding bij de strafoplegging met dit model te werken.
Vanuit een oogpunt van normbevestiging en vergelding is oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden.
In strafmatigende zin houdt het hof rekening met de verminderde toerekenbaarheid van verdachte. Daarnaast zal het hof naast de gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen, hetgeen eveneens is betrokken in de afweging van de duur van de gevangenisstraf.
Alles afwegende acht het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren passend en geboden. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt daarop in mindering gebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een hoog recidiverisico op gewelddadig gedrag, dat een langdurige klinische behandeling in een gesloten setting noodzakelijk is en dat met een terbeschikkingstelling met voorwaarden niet kan worden volstaan, nu de deskundigen en de reclassering eensluidend adviseren dat verdachte niet in staat is zich langdurig aan voorwaarden te houden.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht geen maatregel van terbeschikkingstelling in welke vorm dan ook op te leggen. Daartoe heeft de verdediging ten aanzien van de doodslag aangevoerd dat bij een honorering van het noodweerverweer oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling voor dat feit alleen mogelijk is bij volledige ontoerekeningsvatbaarheid. Ten aanzien van de brandstichting en de zware mishandeling heeft de verdediging aangevoerd dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling niet in verhouding staat tot de ernst van die feiten en de ingrijpendheid en mogelijke duur van de maatregel.
Subsidiair heeft de verdediging verzocht te volstaan met de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Daartoe is aangevoerd dat verdachte eerder heeft aangetoond mee te kunnen werken aan begeleiding en behandeling, dat zij ter zitting heeft verklaard bereid te zijn zich aan voorwaarden te houden, dat de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een ultimum remedium is en dat een dergelijke stap wordt overgeslagen nu verdachte nooit eerder in een dergelijk kader heeft gefunctioneerd.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte op grond van de artikelen 37, tweede en derde lid, 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege kunnen worden opgelegd:
bij de verdachte moet ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;
het betreffende feit moet een misdrijf betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht) vermeld;
de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen moet het opleggen van de maatregel te eisen;
een dergelijke maatregel kan enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.
Het hof is van oordeel dat aan al deze voorwaarden is voldaan. Bij verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, zoals hiervoor bij de strafbaarheid van de verdachte uiteengezet. De bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 4 jaren of meer is gesteld. Het hof beschikt over adviezen van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht.
Ten aanzien van het gevaarscriterium overweegt het hof het volgende. De psychiater en de psycholoog zijn het erover eens dat het recidiverisico op ernstig gewelddadig gedrag hoog is en dat verdachte een langdurige klinische behandeling nodig heeft in een forensisch psychiatrisch centrum met het allerhoogste beveiligingsniveau. Daarbij verdient bijzondere aandacht dat verdachte ook tijdens haar detentie ernstige strafbare feiten heeft gepleegd, hetgeen benadrukt dat het recidiverisico ook in intramurale setting reëel is. De psychiater heeft in dat verband het volgende overwogen, welke overweging het hof tot de zijne maakt:
"Betrokkene is gebaat bij een (zeer) langdurige klinische behandeling in een FPC met het allerhoogste beveiligingsniveau, zoals al blijkt uit de ten laste gelegde feiten binnen detentie en haar verblijf op de afdeling BPG. Zoals beschreven wordt het recidiverisico ook intramuraal als (zeer) hoog ingeschat. Het instellen op een adequate dosering van een potent antipsychoticum, waarbij te denken valt aan het breedspectrum antipsychoticum Clozapine en/of een (klassiek) antipsychoticum in depotvorm wordt gezien als een belangrijke hoeksteen van de behandeling. Vanuit een zeer gestructureerde en beveiligde omgeving dient stap voor stap gekeken te worden, welke mogelijkheden er zijn in de behandeling en eventuele resocialisatie."
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat is voldaan aan het gevaarscriterium.
Het subsidiaire verzoek van de verdediging, strekkende tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, wordt afgewezen. Oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden is alleen al niet mogelijk vanwege de hoogte van de gevangenisstraf die het hof aan verdachte zal opleggen. Daar komt nog bij dat het feit dat verdachte in het verleden perioden heeft gekend waarin zij zich begeleidbaar heeft opgesteld, niet afdoet aan de ernst en complexiteit van de thans vastgestelde psychopathologie en de eensluidende conclusie van beide deskundigen én de reclassering dat verdachte niet in staat is zich langdurig aan voorwaarden te houden. Ook de reclassering ziet geen mogelijkheid om verdachte te begeleiden in het kader van een maatregel met voorwaarden. Verdachte heeft gebrekkig probleeminzicht, is geneigd behandeling en medicatie te mijden of te staken en heeft ook tijdens detentie – het meest dwingende kader buiten de maatregel van terbeschikkingstelling – ernstige strafbare feiten gepleegd. Dat zij ter zitting heeft verklaard bereid te zijn mee te werken aan voorwaarden, acht het hof onvoldoende zwaarwegend om van het eensluidende advies van de deskundigen en de reclassering af te wijken. De omstandigheid dat verdachte nog nooit eerder in een dergelijk kader heeft gefunctioneerd, maakt dat niet anders. Gelet op de aard en ernst van de vastgestelde psychopathologie, het hoge recidiverisico en de feiten die verdachte ook tijdens detentie heeft gepleegd, biedt de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden onvoldoende waarborgen ter bescherming van de samenleving. Het terugdringen van het recidiverisico en de bescherming van de samenleving kunnen niet anders worden gerealiseerd dan binnen het kader van een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Het hof zal daarom, naast de opgelegde gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen.
Met het oog op het bepaalde in artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht stelt het hof vast dat de bewezenverklaarde feiten misdrijven betreffen die gericht zijn tegen, of gevaar veroorzaken voor, de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van 4 jaren.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 17.500,00 ingediend ter vergoeding van affectieschade. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft toewijzing van de gehele vordering tot schadevergoeding gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering de grens voor toepassing van de hardheidsclausule haalt en heeft het hof verzocht de ter zitting waargenomen emoties van de familie te betrekken bij de beoordeling van de nauwe persoonlijke betrekking.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht [benadeelde 2] niet-ontvankelijk te verklaren bij een honorering van het noodweerverweer. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de vereiste nauwe persoonlijke betrekking ten tijde van het overlijden onvoldoende is onderbouwd. Daartoe is aangevoerd dat het bestaan van die relatie enkel volgt uit de vordering zelf en dat uit het dossier contra-indicaties blijken, waaronder de verklaring van de broer van het slachtoffer waaruit volgt dat er weinig contact was tussen de benadeelde partij en het slachtoffer.
Oordeel van het hof
De benadeelde partij vordert affectieschade als bedoeld artikel 6:108 BW. Zij stelt onder verwijzing naar de in lid 4 onder g van dat artikel opgenomen hardheidsclausule dat zij moet worden aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van het vastgestelde bedrag voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat.
Voor toepassing van de hardheidsclausule is vereist dat degene die er een beroep op doet ten tijde van de gebeurtenis in een zodanig nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Daarvoor moet door die persoon een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij de intensiteit, de aard en de duur van de relatie relevante factoren zijn (Voetnoot 2).
Hoewel de benadeelde partij stelt dat zij nog regelmatig contact had met het slachtoffer, lijkt uit het dossier eerder het tegendeel te volgen. Zo heeft de zoon van benadeelde partij verklaard dat het slachtoffer zich ongeveer 20 jaar geleden ongewenst heeft gemaakt bij hen thuis en er was volgens hem weinig contact. De benadeelde partij heeft op de zitting van het hof niet nader kunnen onderbouwen dat er ten tijde van het delict een nauwe persoonlijke relatie bestond. Zij heeft concreet niet veel meer gedaan dan twee oude foto’s over te leggen waarop het slachtoffer als kind staat afgebeeld. Dat is onvoldoende.
Verder is de vordering vooral gebaseerd op de stelling dat de benadeelde partij al in Somalië voor het slachtoffer zorgde, dat zij met hem naar Nederland is gevlucht en hem in haar gezin opnam. Het hof hecht eraan op te merken dat dit niet ter discussie staat. Haar band met het slachtoffer wordt door het hof niet alleen beoordeeld op biologische gronden, maar het hof moet wel beoordelen of aan de eisen die de hardheidsclausule stelt, wordt voldaan. Voor het hof weegt hierbij mee dat onduidelijk is gebleven of de biologische moeder van het slachtoffer al was overleden toen de benadeelde partij en het slachtoffer nog in Somalië woonden. In de vordering wordt juist met zoveel woorden gesteld dat de biologische moeder nog leeft. Ook de eerdergenoemde zoon van de benadeelde partij lijkt dat bij de politie te hebben verklaard. Op de zitting van het hof is gesteld dat de biologische moeder al wel was overleden. Gelet op het mogelijke belang van dit gestelde feit en op de eerdere andersluidende stelling lag het op de weg van de benadeelde partij een nadere onderbouwing te geven. Dat heeft zij niet gedaan. Ook is onvoldoende duidelijk geworden waar de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer ten tijde van de gebeurtenis uit bestond. Het zou het strafgeding onevenredig belasten om haar hiertoe alsnog de gelegenheid te geven.
Gelet op het voorgaande zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Over de proceskosten beslist het hof zoals in de beslissing opgenomen.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.149,55 ingediend. Dit bedrag bestaat uit € 1.649,55 materiële schade en € 6.500,00 immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft toewijzing van de gehele vordering tot schadevergoeding gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu verdachte moet worden vrijgesproken van de zware mishandeling. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de posten persoonlijke verzorging (€ 280,00) en huishoudelijke hulp (€ 581,00) af te wijzen, omdat het inschakelen van professionele hulp daarvoor niet gebruikelijk is en er dus geen sprake is van verplaatste schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Voorts heeft de verdediging verzocht de immateriële schade te matigen.
Oordeel van het hof
Materiële schade
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
€ 385,00 eigen risico zorgverzekeraar
€ 7,60 parkeergeld
€ 70,92 kosten sportschool
€ 32,00 zonnebrandcrème
€ 280,00 persoonlijke verzorging
€ 581,00 huishoudelijke hulp
€ 193,38 gemaakte reiskosten
€ 99,65 toekomstige reiskosten
Naar het oordeel van het hof is op de zitting gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
De schadeposten eigen risico, parkeergeld en reiskosten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd, zodat het hof deze zal toewijzen.
Ten aanzien van de betwiste schadeposten persoonlijke verzorging en huishoudelijke hulp overweegt het hof dat het hier gaat om werkzaamheden waarvoor het inschakelen van professionele hulp normaal en gebruikelijk is, ook al zijn deze in dit geval verricht door de partner van de benadeelde partij. Deze posten zijn voldoende onderbouwd en staan in voldoende rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde, zodat het hof deze zal toewijzen. Ten aanzien van de post kosten sportschool overweegt het hof dat [benadeelde 3] op medisch advies niet mocht sporten. Zij heeft door het strafbare feit dus een niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel moeten missen. De schade kan worden gesteld op de voor het verkrijgen van dat voordeel gedane uitgaven die hun doel hebben moeten missen: de kosten van de sportschool. Ten aanzien van de post zonnebrandcrème overweegt het hof dat [benadeelde 3] deze kosten op medisch advies heeft moeten maken. Ook deze posten zijn voldoende onderbouwd en zullen worden toegewezen.
De gevorderde materiële schade van € 1.649,55 zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Met betrekking tot de immateriële schade overweegt het hof dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van een aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek. Daarbij betrekt het hof dat de benadeelde als gevolg van het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, bestaande uit een op twee plaatsen gebroken oogkas, oogletsel met dubbelzien en een verhoogd risico op netvliesloslating op de lange termijn, en dat zij tot op heden zowel fysieke als psychische gevolgen van de mishandeling ondervindt, hetgeen zij op de zitting van het hof indringend naar voren heeft gebracht.
Bij de begroting van de immateriële schade heeft het hof acht geslagen op de bedragen die in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters zijn toegekend en voorts op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door Nederlandse rechters is verwezen bij de vaststelling en begroting van immateriële schade. Het hof heeft hierbij met name gelet op de genoemde bedragen bij opgelopen breuken in het gezicht (§ 9.1). Het gevorderde bedrag van € 6.500,00 past binnen de bandbreedte en acht het hof billijk. De vordering zal ook in zoverre worden toegewezen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente. Omdat niet alle materiële schade op dezelfde datum is geleden, zal het hof als ingangsdatum voor de wettelijke rente de datum van indiening van de vordering (26 juli 2025) nemen. Voor de ten tijde van indiening van die vordering nog toekomstige materiële schade (€ 99,65) bepaalt het hof als ingangsdatum de dag van behandeling op de zitting bij het hof. Voor de immateriële schade geldt als ingangsdatum de datum van de schadeveroorzakende gebeurtenis, te weten 27 april 2025.
Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal het hof ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, op de wijze zoals hieronder is opgenomen.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 9.920,69 ingediend ter vergoeding van materiële schade. De rechtbank heeft geen beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij, omdat de vordering de rechtbank niet heeft bereikt. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en aangeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft betoogd dat de [benadeelde 1] ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding, ook al is deze niet in eerste aanleg behandeld. De omissie is het gevolg van een landelijke ICT-storing binnen het OM ten tijde van de indiening van de vordering en dient niet voor rekening van de benadeelde partij te komen. Hij heeft verwezen naar ECLI:NL:GHARL:2025:5299 en ECLI:NL:HR:2005:AT1812. Hij heeft toewijzing van de gehele vordering tot schadevergoeding gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Subsidiair, indien het hof de PI niet-ontvankelijk zou verklaren, heeft de advocaat-generaal gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair betoogd dat de [benadeelde 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding, nu deze in eerste aanleg niet is behandeld en voeging in hoger beroep om die reden niet meer mogelijk is. Subsidiair heeft de verdediging betoogd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd met facturen en dat niet is aangetoond dat alle opgevoerde schade daadwerkelijk door de brand is veroorzaakt. Verder is onduidelijk of de vordering wel door een correct gemachtigde is ingediend.
Oordeel van het hof
Ontvankelijkheid
Het hof overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van de benadeelde partij allereerst het volgende. Het hof stelt vast dat uit het verzoek tot schadevergoeding volgt dat de namens de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding op 17 juli 2025 door het openbaar ministerie is ontvangen, maar als gevolg van een landelijke ICT-storing binnen het openbaar ministerie niet is verwerkt. Dit heeft ertoe geleid dat het verzoek op de zitting van de rechtbank niet bekend was en daarop geen beslissing is genomen.
Het hof is van oordeel dat het verzoek tot schadevergoeding tijdig door het openbaar ministerie is ontvangen en dat de benadeelde partij zich conform het bepaalde in artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in het strafgeding heeft gevoegd. Het uitblijven van een beslissing op het ingediende verzoek betekent dat de vordering door de rechtbank niet is toegewezen. (Voetnoot 3) Gelet daarop is de benadeelde partij in hoger beroep in de gehandhaafde vordering ontvankelijk op grond van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Met betrekking tot de vraag of de vordering is ingediend door een correct gemachtigde overweegt het hof dat het daaraan voorbij gaat. Niet in geschil is dat de vordering is ingediend door de directeur van de PI. Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat het de bevoegdheid van de directeur te buiten gaat om namens de PI een schadevergoedingsvordering in te stellen.
Vordering
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
€ 15,32 wekker
€ 67,41 magnetron
€ 15,32 waterkoker
€ 18,38 tafelventilator
€ 58,22 radio CD speler
€ 161,82 koelkast
€ 294,03 gordijnen
€ 1.715,34 vervangen verlichtingsarmaturen en schakelaars inclusief uren [bedrijf]
€ 2.685,73 schilderen cel met isolerende verf
€ 287,98 huur twee afzuigventilatoren
€ 3.350,00 schoonmaakkosten extern Domans en schoonmaak Polygom
€ 751,14 27 manuren facilitaire dienst
€ 500,00 restschade meubilair (schatting)
Naar het oordeel van het hof is op de zitting gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 2 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.
De schadeposten die zien op de vervangen inventaris en de huur van afzuigventilatoren, passen bij de in het dossier beschreven aangifte. De verdediging heeft niet betwist dat de opgevoerde zaken door de brand verloren zijn gegaan en evenmin dat de bedoelde werkzaamheden en huur noodzakelijk waren. Het is voldoende aannemelijk dat deze schade het gevolg is van de brandstichting. Deze posten zijn voldoende onderbouwd en onvoldoende betwist, zodat het hof deze zal toewijzen. Wat de kosten van vervanging verlichtingsarmaturen en schakelaars, het schilderwerk en de schoonmakenkosten betreft acht het hof het zonder meer aannemelijk dat daarvoor kosten zijn gemaakt. Het lag evenwel op de weg van de PI om ter zake facturen over te leggen en het hof schat, nu dat niet is gebeurd, de posten gezamenlijk op in elk geval € 3.500,00. Voor het overige zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.
Het hof zal de gevorderde materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 4.418,48.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
Omdat onduidelijk is op welke data de verschillende schadeposten daadwerkelijk zijn geleden, zal het hof bepalen dat de toegewezen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van de vordering, te weten 17 juli 2025. Verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Als extra waarborg voor betaling zal het hof ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, op de wijze zoals hieronder is opgenomen.
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 157, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-140877-24 en in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-140877-24 en in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat zij van overheidswege zal worden verpleegd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.149,55 (achtduizend honderdnegenenveertig euro en vijfenvijftig cent) bestaande uit € 1.649,55 (duizend zeshonderdnegenenveertig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.149,55 (achtduizend honderdnegenenveertig euro en vijfenvijftig cent) bestaande uit € 1.649,55 (duizend zeshonderdnegenenveertig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 6.500,00 (zesduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade voor een deel van € 1.549,90 op 26 juli 2025 en voor een deel van € 99,65 op 29 mei 2026 en voor de immateriële schade op 27 april 2025.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.418,48 (vierduizend vierhonderdachttien euro en achtenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-161440-25 onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.418,48 (vierduizend vierhonderdachttien euro en achtenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 44 (vierenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 17 juli 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. A.H. toe Laer en mr. E.W. van Weringh, in aanwezigheid van de griffier mr. I.E. van Zalen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 12 juni 2026.
Bewijsmiddelen
Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen inzake verdachte is bewezen verklaard de navolgende bewijsmiddelen:
Zaak met parketnummer 18-140877-24
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 februari 2024, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024035490 d.d. 5 december 2024, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 23 april 2023 (het hof begrijpt: 23 april 2024) omstreeks 09.07 uur kreeg ik (het hof begrijpt: kreeg ik opdracht) om te gaan naar de [straatnaam 1] te [plaats 1] . Aldaar zou melder een persoon in zijn buik hebben gestoken uit zelfverdediging. Melder zou hebben aangegeven de persoon niet te willen reanimeren en zou in de deuropening staan van de voordeur. Bij het genoemde adres zag ik een persoon in de deuropening staan. Later bleek dit te gaan om [verdachte] . Ik zag dat haar voeten onder het bloed zaten. Ik zag in de woonkamer bij de bank het slachtoffer liggen. Het slachtoffer lag voor de bank half op zijn zij op de grond. Ik voelde geen hartslag en het lichaam voelde warm aan. Ik zag veel bloed en zag dat zijn ingewanden uit het lichaam kwamen. Ik zag dat hij nog een snij-/ steekwond op zijn buik had. Bij het omdraaien van het slachtoffer herkende ik het slachtoffer als: [slachtoffer] . De reanimatie is gestart. Na ongeveer 13 minuten reanimeren is de reanimatie gestaakt, omstreeks 09.27 uur. Het slachtoffer was overleden.
2. Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut: forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden met zaaknummer 2024.04.24.141 d.d. 22 augustus 2024, opgesteld door drs. B.G.H. Latten, op de afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 300 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als verklaring:
Bij het forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] is het navolgende gebleken:
Steekletsels
De letsels sub B5 t/m B8 zijn bij leven ontstaan door een scherprandige perforerende krachtinwerking, zoals door steken/snijden met een scherprandige voorwerp zoals een mes. Er waren 9 scherprandige letsels, passende bij 6 steekletsels (C t/m H), 1 snijletsel (I) en 2 oppervlakkige snijletsels/krassen (J).
Bij de steekletsels in de rechterflank en op de buik rechts (sub B6) was er onder andere perforatie van de rechterborstholte, het middenrif, de lever en de rechterlendenspier, hetgeen heeft geleid tot uitgebreid bloedverlies, ademhalingsfunctiestoomissen en het uiteindelijk overlijden.
In relatie met de letsels sub B7 en B8 waren geen belangrijke structuren zoals grote bloedvaten en belangrijke organen geraakt. Zij kunnen door middel van bijkomend bloedverlies aan (de snelheid van) het overlijden hebben bijgedragen.
Meerdere steekletsels toonde één spits en één stomp wonduiteinde (sub B9) wat past bij steken met een (deels) éénzijdig scherprandig voorwerp. Het diepste (betrouwbaar te meten) steekkanaal betrof circa 10,5 cm en de breedte aan de huid was maximaal circa 12 ,6 cm. Het snijletsel aan de linker pink kan qua locatie passen bij af- of verweerletsel.
Conclusie
[slachtoffer] , 44 jaren oud, is overleden door verbloeding en ademhalingsfunctie- stoornissen als gevolg van twee steekletsels in de rechterflank en de buik. De overige steek en snijletsels kunnen door middel van additioneel bloedverlies aan (de snelheid van) het overlijden hebben bijgedragen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 23 april 2024, opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:
V: Waar woon je?
A: [straatnaam 1] (het hof begrijpt: in [plaats 1] ). (...) Er werd deze ochtend om 06:00 uur aangebeld en toen kwam deze man langs. En werd vervelend. (...) Op een bepaald moment stak ik hem neer.
V: Hoe zag dat mes eruit?
A: Een keukenmes waar je vlees mee snijdt. Het was een zwart handvat en metaalkleurig snijvlak. (...)
A: (...) Ik had het mes vast bij het handvat. Bij de eerste steek werd hij niet anders en bij de tweede steek ook niet. Ik stak twee keer ergens in zijn buik. (...) De derde keer stak ik meer aan de linkerkant van zijn buik. De eerste twee keer stak ik aan de rechterkant van zijn buik.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 3 december 2024, opgenomen op pagina 140 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:
V: Je verklaarde dat het steken erg makkelijk ging, hoever ging het mes in de man?
A: Heel diep. Ik wou er zeker van zijn dat het goed kwam en niet eindeloos hoefde blijven te steken met ondiepe wondjes.
Zaak met parketnummer 18-161440-25
Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 april 2025, opgenomen op pagina 10 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 20250679982 d.d. 24 mei 2025, inhoudend als verklaring van een PI-medewerker met personeelsnummer 23990045:
Op 27 april 2024 was ik werkzaam in de PI in [plaats 2] . Omstreeks 10.20 uur ging mijn pieper af. Ik zag de tekst: “Brandalarm cel [nummer 2] ”. Ik rende erop af en ik keek door het luik van de cel. Ik zag dat in de cel een grote zwarte rookontwikkeling was en een groot oranje gloed. Ik weet dat de cel werd bewoond door [verdachte] .
Op de camerabeelden zag ik dat mevrouw [verdachte] haar cel omstreeks 10.15 uur verliet en naar een andere afdeling toeliep. Ik zag dat mijn collega's kort hierna door het luikje van de cel keken, een brandslang pakten en middels de brandslang blusten.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [straatnaam 2] [plaats 2] ) d.d. 30 april 2025, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):
Aanvang onderzoek
Op 29 april 2025 kwamen wij naar aanleiding van een brandstichting op de locatie [straatnaam 2] te [plaats 2] . De brand werd gemeld door de rookmelder van afdeling [nummer 3] kamernummer [nummer 4] .
Bevindingen
Nadat wij de deur van de cel van afdeling [nummer 3] cel nummer [nummer 4] openden zagen wij roetvorming op de muren en de binnenzijde van de deur. Wij zagen een brandhaard op het bed.
Brandonderzoek
Wij zagen dat er veel goederen op het bed lagen. We zagen kledingstukken die niet of nauwelijks waren aangetast door vuur. Boven op de stapel zagen wij de verbrande resten van een televisietoestel.
Aanvullende informatie
Tijdens het schoonmaken en ontruimen van de cel troffen medewerkers verbrande resten in de magnetron aan.
Samenvatting
De matras, het beddengoed en het dekbed waren van brandvertragend materiaal. Wij zagen dat deze goederen wel verbranden zolang er vuur werd ingebracht.
Samenvatting/conclusie
Brandverloop
De brand ontstond zeer waarschijnlijk in of op de stapel goederen die op het bed lagen. De brand in of op de stapel goederen op het bed heeft het matras aangetast. De hierbij ontstane rook heeft de rookmelder geactiveerd. Bluswerkzaamheden hebben voorkomen dat de brand zich heeft kunnen uitbreiden.
De brand in de magnetron staat los van de brand op het matras. Deze is in de magnetron ontstaan en is niet buiten de magnetron gekomen.
Aangezien een technische oorzaak kan worden uitgesloten, er twee afzonderlijke brandhaarden zijn aangetroffen en de verdachte 30 seconden voordat de rookmelder wordt geactiveerd nog in de cel is geweest is deze brand vrijwel zeker ontstaan door het opzettelijk inbrengen of achterlaten van vuur (brandstichting).
Gevaarstelling
Bij deze brand is er gevaar geweest voor uitbreiding. Bij deze brand zijn veel giftige dampen en rook vrijgekomen. Ook werd er door de brandweer een lange periode een gevaarlijk hoge CO-waarde gemeten. Bij deze brand sprake geweest van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 29 april 2025, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant(en):
Op 28 april 2025 uur heb ik multimediabestanden verkregen middels een vordering aan de PI [locatie 2] .
Videobestand afkomstig van bewakingssysteem: 01 53 G2 AFD 12 overzicht.rsx
Ik zag te 10.18.33 uur de een na laatste celdeur aan de linkerzijde, van binnenuit werd geopend. Ik zag dat er een persoon gekleed in een blauwe spijkerbroek, oranje trui en witte schoenen de cel uit komt gelopen.
Ik zag dat deze persoon, de later te noemen verdachte [verdachte] , vervolgens de celdeur weer dichtmaakt en de gang door naar voren komt gelopen en door een deur de afdeling verlaat.
Ik zag dat te 10:19:02 uur alle openstaande celdeuren automatisch dicht gingen.
Ik zag dat te 10:19:19 uur twee medewerksters van de PI in de richting van de celdeur van de verdachte rennen. Ik zag dat deze vervolgens het luikje in de celdeur openden.
Ik zag dat een medewerkster van de PI richting de brandkast rent om hier vervolgens een brandslang uit te nemen. Met deze brandslang wordt vervolgens door het luik heen getracht de brand te blussen.
Ik zag dat vanaf het moment dat de verdachte [verdachte] haar cel verlaat, er niemand anders de cel naar binnen is gegaan en dat de celdeur al die tijd gesloten bleef. Het blussen werd door het geopend luikje van de celdeur gedaan.
Videobestand afkomstig van bewakingssysteem: 01 54 G2 AFD 11 overzicht.rsx:
Ik zag te 10.18:57 uur dat de verdachte de afdeling komt opgelopen.
Ik zag dat de verdachte door de cellengang loopt en zich enige tijd ophoudt op deze afdeling.
Te 10.20:20 uur komt er een medewerkster van de PI, het latere slachtoffer, in de deuropening staan.
Te 10:20:23 uur zat ik dat de verdachte voor het slachtoffer staat en uit het niets haar rechterarm omhoog beweegt, haar hand tot vuist balt en vol in het gezicht slaat van het slachtoffer. Ik zag dat de verdachte hierop nogmaals vol met kracht met een tot vuist gebalde hand tegen het gezicht van het slachtoffer slaat.
Vervolgens zag ik dat de verdachte het slachtoffer vastpakt aan haar haren. Hierbij valt het slachtoffer op de grond.
Ik zag dat de verdachte het slachtoffer wederom vastgrijpt op het moment dat het slachtoffer op de grond ligt. De verdachte staat hierbij gebogen over het slachtoffer heen.
Gelijk hierop komen er andere medewerksters van de PI het slachtoffer te hulp. Zij pakken de verdachte vast en trekken haar naar achteren. De verdachte blijft het slachtoffer vasthouden aan haar haren dan wel kleding. Hierbij komt de verdachte zelf ook ten val.
Er ontstaat vervolgens een worsteling op de grond waarbij uiteindelijk het slachtoffer weet te ontkomen uit de greep van de verdachte.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 april 2025, opgenomen op p.71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van PI- medewerker [benadeelde 3] met personeelsnummer [nummer 1] :
Ik ben werkzaam in de [benadeelde 1] in [plaats 2] .
Op 27 april 2025 vroeg ik [verdachte] of zij medicatie wilde. Tijdens dit gesprek zag ik een rommel op haar bed, voornamelijk kleding.
Op een gegeven moment ging het brandalarm af. Wij constateerden dat dit de cel van [verdachte] betrof. Mijn collega's en ik waren bezig met het evacueren van de medegedetineerden. Ik liep naar afdeling 11 en daar zag ik [verdachte] en twee andere gedetineerden. Ik riep dat zij terug naar hun cel moesten.
Ik zei tegen [verdachte] , “jij even niet, want er is brand in jouw cel”, voordat ik de zin kon afmaken kreeg ik een vuistslag in mijn gezicht. Door de klap viel ik met mijn hoofd tegen de ijzeren deurpost aan. Ik voelde dat ik mijn bewustzijn verloor, ik kan mij van dat moment niks herinner. Ik kan mij wel herinneren dat ik daarna meerdere klappen kreeg. Ik heb mijzelf los proberen te trekken. Ik weet dat ik opstond en dat er bloed uit mijn neus spoot. Ik voelde dat mijn linkeroog direct dicht zat, ik kon niks meer met dit oog zien. Ik voelde mij erg duizelig.
Op de eerste hulp is een CT-scan gemaakt en uit deze scan is gebleken dat ik mijn linkeroogkas op twee plekken heb gebroken. Ook hebben zij de wond op mijn achterhoofd gehecht en de wond onder mijn linkeroog geplakt.
Uit onderzoek is gebleken dat mijn oog gekneusd en ontstoken is. Ik heb oogletsel en zie daardoor dubbel. Ik kan niet zelfstandig mijn ooglid openen. Momenteel is het nog afwachten of ik aan mijn oog een operatie moet ondergaan. Ik maak mij het meeste zorgen of er blijvende schade zal zijn en of ik mijn werk kan blijven uitoefenen.
5. Een schriftelijk bescheid, te weten de vordering benadeelde partij met daarbij gevoegde brieven van VieCuri medisch centrum d.d. 27 juni 2025 en 16 juli 2025, voor zover inhoudend:
Mondeling heeft de arts aangegeven dat bij een operatie het risico op wederom dubbelzien bestaat. Patiënte zagen wij op 27 juni 2025 op de polikliniek oogheelkunde. Nogmaals besproken door een stomp trauma aan het oog is er een verhoogd risico op het ontwikkelen van een retinadefect of netvliesloslating, ook op lange termijn. 27-4-2025 fractuur van mediale arbitawand links 27-4-2025 fractuur van aangezichtsbeenderen Patiënte zagen wij op 16 juli 2025. Met patiënte werd besproken dat de stand van de orbitabodem linkszijdig vermoedelijk afwijkend is ten opzichte van voor het trauma. (...)
Conservatief beleid werd ingesteld (het hof begrijpt: geen operatief ingrijpen).
6. Een schriftelijk bescheid, te weten de bij de vordering benadeelde partij gevoegde terugkoppeling spreekuur van bedrijfsarts [naam] d.d. 11 juni 2025, voor zover inhoudend:
Gezondheidsstatus: Arbeidsongeschikt.
Medewerker heeft reguliere en aanvullende specialistische zorg. Daarnaast heeft medewerker als gevolg van het incident een tijdelijke terugval van fysieke beperking van de onderste extremiteit waardoor haar mobiliteit ten aanzien van rennen en traplopen nog beperkt is.
Prognose: bij een normaal verloop van het herstel is medewerker naar verwachting over uiterlijk 10- 12 weken weer volledig inzetbaar in het eigen werk.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 29 april 2025, opgenomen op pagina 91 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van een PI-medewerker met personeelsnummer [nummer 1] :
Ik ben werkzaam bij [benadeelde 1] .
Op 27 april 2025 tussen 10.00 uur en 10.30 uur kreeg ik een brandmelding op mijn pieper.
Al rennend kwam ik langs de cel waar brand was.
Op dat moment hoorde ik mijn naam roepen. Door de ramen zag ik dat een gedetineerde op afdeling 11 aan het slaan, schoppen en aan de haren aan het trekken was van collega [benadeelde 3] . Hierop rende ik naar afdeling 11. Ik zag dat [benadeelde 3] en de gedetineerde op de grond lagen. Ik zag dat [benadeelde 3] los probeerde te komen, maar dat de gedetineerde haar vast bleef houden.
Ik zag dat het gezicht van [benadeelde 3] erg bloedde. Ik zag dat er bloed uit haar neus kwam. Ook zag ik dat er bloed zat bij haar oog.
Voetnoot
Voetnoot 1
De verklaring van verdachte d.d. 30 april 2025, opgenomen op p.101 e.v. van het dossier met nummer 20250679982, gesloten op 24 mei 2025.
Voetnoot 2
Vgl. HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33
Voetnoot 3
Vgl. HR 10 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1812 en Hof Arnhem-Leeuwarden 22 mei 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5299.