Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 7 januari 2025 met parketnummer 08-300771-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 08-159057-22, in de strafzaak tegen
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 3 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de politierechter. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.P. Poppe, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte bij vonnis van 7 januari 2025 ter zake het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft tevens de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf.
Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Op de zitting bij de politierechter in de rechtbank Overijssel is de tenlastelegging gewijzigd.
Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 19 september 2024 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door als bestuurder van een personenauto (Land Rover) meermalen, althans eenmaal, rnet hoge en/of aanzienlijke snelheid met dat voertuig op althans in de richting van die [slachtoffer] af te rijden en/of (terwijl hij het voertuig nog bestuurde) voornoemde [slachtoffer] (deels) in de auto te trekken.
Vrijspraak
De raadsman heeft het hof gevraagd verdachte vrij te spreken omdat er geen bewijs van opzet bij verdachte is. Het overtuigende verweer van de raadsman treft doel.
Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Daarom spreekt het hof verdachte daarvan vrij.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij dood zou kunnen gaan en/of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het opzet van de verdachte daarop was gericht.
Naar het oordeel van het hof is uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de verdachte het opzet heeft gehad om aangever te bedreigen. Verdachte heeft erkend dat hij met zijn auto op aangever is afgereden en vanuit de auto naar hem heeft gevloekt, maar volgens verdachte deed hij dit niet om aangever doodsbang te maken, maar om hem te vertellen dat hij moest ‘opdonderen’. Verdachte zat beide keren in zijn auto toen hij met aangever werd geconfronteerd en aangezien verdachte haast had in verband met een begrafenis, is verdachte op een onbesuisde manier langs aangever gereden om hem in harde bewoordingen te vertellen dat hij geen tijd voor aangever had.
Het hof wil aannemen dat de aangever zich bedreigd heeft gevoeld, mede gelet op de bruuske communicatiestijl, het postuur en het stemgeluid van verdachte, maar vindt ook aannemelijk dat de opzet tot bedreiging van aangever bij de verdachte ontbrak en verdachte gestrest reageerde omdat hij alleen maar zo snel mogelijk naar de uitvaart wilde. Aangever lijkt daarmee net op het verkeerde moment onverwachts te zijn langs gegaan bij verdachte.
Daarom is niet komen vast te staan, gelet op hetgeen verdachte daar zelf over heeft verklaard, dat verdachte opzet heeft gehad op het ontstaan van de vrees bij aangever dat hij zou komen te overlijden en/of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
Het bovenstaande leidt ertoe dat het tenlastegelegde niet is bewezen en dat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Het hof merkt nog het volgende op.
Verdachte heeft zich weliswaar in strafrechtelijke zin niet schuldig gemaakt aan bedreiging, maar hij heeft zich wel laakbaar gedragen richting [slachtoffer] . Die kwam notabene bij verdachte langs vanwege het feit dat verdachte een rekening nog niet had betaald. Dat verdachte vanwege het onverwachte bezoek van aangever te laat dreigde te komen bij een uitvaart, maakt niet dat aangever zo onbehouwen te werk kon gaan. Het gedrag van verdachte getuigt van een gebrek aan respect jegens een ander. Het zou verdachte niet alleen sieren als hij zich in het (sociale) verkeer hoffelijker zou gedragen, het zou hem ook bij justitie uit de buurt houden en uit problemen als waarover hij ter zitting bij het hof sprak.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het Parket OVJ Oost-Nederland van 25 november 2024, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 3 oktober 2022, parketnummer 08-159057-22, voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 40 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. L.J. Hofstra, mr. J. Hielkema en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier H. Pool en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 juni 2026.
Mr. Hofstra en mr. Pieters zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.