Beoordeling
1. De advocaat van klagers heeft bij brief van 8 augustus 2024, aangevuld op 6 november 2024, namens alle klagers aangifte gedaan van smaad(schrift) of laster en belediging tegen beklaagden. Hierin wordt gesteld dat er artikelen zijn gepubliceerd in het dagblad en op de website van [website] , waarin is gesteld dat klaagster [klager 1] leidster is van een sekte, genaamd " [naam] ", en waarin zij, net als haar man, klager [klager 4] , wordt beschuldigd van het hersenspoelen, misbruiken, manipuleren en geestelijk destabiliseren van haar volgelingen en de andere klagers worden geportretteerd als kwetsbare volgelingen die het slachtoffer zijn van ernstige strafbare feiten. Beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 2] zijn de auteurs van die artikelen en de andere beklaagden zijn degenen die daarin aan het woord komen. De uitlatingen hebben klagers aanzienlijke schade berokkend. Niet alleen hebben deze geleid tot een publieke veroordeling van klagers, maar ook tot (anonieme) intimidatie, zoals haatbrieven, en publiekelijke pesterijen van met name klaagster [klager 1] en haar man.
De beslissing van de officier van justitie
2. Bij brief van 26 november 2024 heeft de officier van justitie aan de advocaat van klagers medegedeeld dat is besloten om beklaagden niet strafrechtelijk te vervolgen. De officier van justitie vindt het zonder meer begrijpelijk dat de publicaties en de uitlatingen daarin door klagers als pijnlijk en beledigend zijn ervaren, maar hij vindt niet dat sprake is van strafbare uitlatingen. De officier van justitie acht daartoe met name van belang dat met de publicaties werd beoogd een algemeen belang te dienen door een onderwerp met een brede maatschappelijke impact - de gevaren van sektes - aan te kaarten. Het artikel wil informeren en waarschuwen en pleit voor het in het leven roepen van een meldpunt. Volgens de officier van justitie vallen de publicaties binnen de journalistieke vrijheid zonder dat de uitlatingen daarin als onnodig grievend zijn aan te merken en zijn ze daarom niet strafwaardig.
3. Klagers zijn het niet eens met deze beslissing. Door en namens hen is daartoe ten eerste aangevoerd dat de beschuldigingen en verdachtmakingen onterecht zijn. Het gaat volgens klagers om een aantal persoonlijke vetes van mensen die teleurgesteld zijn geraakt door de levenskeuzes die sommige klagers hebben gemaakt. Daarnaast vinden klagers dat daarover niet op deze manier had mogen worden gepubliceerd. De feitelijke basis van de aantijgingen ontbreekt, bronverantwoording en transparantie schieten tekort en de gekozen presentatie
- met het vermelden van de persoonsgegevens van klaagster [klager 1] en een foto van haar woning - gaat veel verder dan het doel van het publieke debat vergt. Dit geldt temeer, nu " [naam] " vijf jaar geleden al is beëindigd. De publicaties zijn volgens klagers daarom wel onnodig grievend en daarmee is de grens die aan de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid mag worden gesteld, overschreden. Dit heeft klagers veel kwaad gedaan, zowel wat betreft hun sociale en professionele reputatie als hun fysieke en mentale welzijn.
4. De beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 2] hebben het hof via hun advocaten een schriftelijke verklaring doen toekomen. Daarin geven zij aan dat zij ter bescherming van hun bronnen niet zelf in raadkamer zullen verschijnen, maar dat zij de beschuldigingen evenwel krachtig. ontkennen en verwerpen. Verder hebben zij toegelicht hoe zij te werk zijn gegaan, namelijk zorgvuldig en afgewogen, en dat zij op geen enkele wijze opzet hebben gehad om klagers te beledigen of hun reputatie aan te randen. Met de publicaties werd enkel een maatschappelijk belang gediend, namelijk het blootleggen van en waarschuwen voor misstanden door sektes.
5. Daarnaast hebben de advocaten van de beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 2] in raadkamer het woord gevoerd overeenkomstig de overgelegde spreekaantekeningen die aan het dossier zijn toegevoegd. Daarin is in de eerste plaats het standpunt ingenomen dat alle klagers, behalve [klager 1] , niet-ontvankelijk zijn in hun beklag, omdat zij niet als rechtstreeks belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Voorts is aangevoerd, kort samengevat, dat de gebruikte uitlatingen in den brede niet beledigend zijn en dat ook niet valt in te zien dat sprake is van telastelegging van een bepaald feit als bedoeld in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Mocht hiervan al sprake zijn, komt beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 2] , een beroep toe op de excepties van artikel 261, derde lid, Sr en/of artikel 266, tweede lid, Sr dan wel op artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu het gaat om journalistieke bijdragen aan het publieke debat. Daarnaast is vervolging niet opportuun, nu [klager 1] zelf (ook) de publiciteit heeft gezocht, niets heeft ondernomen om het artikel te laten verwijderen of aan te passen of aan de orde te stellen bij de Raad voor de Journalistiek of de civiele rechter. Ook wordt gewaarschuwd voor het "chilling effect" dat van vervolging uitgaat, waardoor de pers niet meer over gevoelige zaken zou durven te publiceren. Subsidiair wordt verzocht om onderzoek te doen verrichten door de rechter-commissaris.
6. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het beklag als ongegrond moet worden afgewezen.
De beoordeling door het hof
7. Het hof dient ten eerste te beoordelen of klagers kunnen worden ontvangen in hun beklag.
8. De mogelijkheid tot het doen van beklag ingevolge artikel 12, eerste lid, Sv is voorbehouden aan de rechtstreeks belanghebbende. Volgens vaste rechtspraak kan slechts als zodanig worden aangemerkt degene die door het achterwege blijven van een strafvervolging ter zake van een voldoende bepaald feit getroffen is in een belang dat hem bepaaldelijk aangaat. Daarbij dient sprake te zijn van een objectief bepaalbaar, persoonlijk of kenmerkend belang.
9. Hierbij zij opgemerkt dat de vraag naar het belang van klagers bij vervolging moet worden onderscheiden van de vraag of er ten opzichte van elk van klagers sprake is van een uitlating die mogelijk strafbaar is. De eerste vraag betreft de ontvankelijkheid, bij de tweede vraag gaat het over de haalbaarheid van een eventuele vervolging, die daarna aan de orde kan komen.
10. Het hof is van oordeel dat alle klagers kunnen worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat alle klagers deel uitmaken van een beperkte groep, namelijk " [naam] ", en dat de inhoud van de berichten waar het in de klacht om gaat is terug te voeren op de eigen positie van elk van hen in die groep (zoals leider, volgeling of slachtoffer). Voorts blijkt uit de aangifte en de klacht dat klagers elk opkomen voor hun eigen goede naam, en niet alleen voor die van klaagster [klager 1] . Dat betreft een eigen, persoonlijk belang dat hen bepaaldelijk aan gaat. Het hof zal alle klagers daarom ontvangen in hun beklag.
11. Vervolgens heeft het hof te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen - al dan niet na nader onderzoek - zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit (haalbaarheid). Hiertoe dient onder meer een inschatting te worden gemaakt van de bewijsbaarheid van de gestelde feiten. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging (opportuniteit). Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.
12. In het kader van de eerste vraag, de haalbaarheid van een eventuele vervolging, dient te worden vastgesteld of ten opzichte van elk van klagers, los van elkaar gezien, sprake is van een uitlating van (één of meer van) beklaagden, die zou kunnen leiden tot het oordeel dat (één of meer van die) beklaagden zich schuldig (heeft of) hebben gemaakt aan smaad(schrift), laster en/of belediging (zie de artikelen 261, 262 en 266 Sr).
13. Vervolging ter zake van deze feiten is een inperking van de vrijheid van meningsuiting. De vrijheid van meningsuiting wordt onder meer beschermd door artikel 10 van het EVRM. Bij de vraag waar de grens van die vrijheid ligt, dient het toetsingskader te worden gevonden in het Nederlandse recht, waarbij de uitleg van de relevante bepalingen mede moet worden bezien in het licht van de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de mens (EHRM).
14. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM volgt dat bij de beoordeling van een uitlating in verband met de strafbaarheid daarvan onder meer rekening moet worden gehouden met (i) de bewoordingen van die uitlating en de vraag of sprake is van een waardeoordeel of een feitelijke beschuldiging, (ii) de context waarin de uitlating is gedaan, waaronder ook (de functie van) de persoon die de uitlating deed en (de functie van) de persoon op wie de uitlating betrekking heeft, (iii) de manier van openbaarmaking van de uitlating, (iv) de vraag of de uitlating een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie, en (v) de vraag of de uitlating onnodig grievend is. Ook moet de strafrechter zich ervan rekenschap geven dat het strafrechtelijke optreden als geheel - waaronder ook de bestraffing - niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat op personen die gebruik willen maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting (vgl. HR 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:171).
15. Klagers hebben de publicaties waar het hen om gaat bij de aangifte gevoegd. Het betreft een artikel van [datum 1] in het dagblad van [naam dagblad] , geschreven door beklaagde [beklaagde 1] , een artikel van [datum 2] op de website van [naam dagblad] , geschreven door beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 2] , en een artikel van [datum 3] , eveneens op de website van [naam dagblad] , geschreven door beklaagde [beklaagde 1] .
16. In het eerste artikel wordt bericht over " [naam] ", een groepering rond klaagster [klager 1] , die wordt gekwalificeerd als sektarisch en die ook bij het inmiddels opgeheven meldpunt Sektesignaal in het vizier was. Er worden verschillende personen aan het woord gelaten, die vertellen over hun (slechte) ervaringen met " [naam] " en met name met [klager 1] . Sommigen zijn zelf lid geweest van " [naam] ", anderen verhalen over familieleden die daarvan lid waren en met wie zij het contact zijn kwijtgeraakt. Zo wordt verteld dat er bij de bijeenkomsten mensen werden afgebrand en slaaptekort werd gecreëerd. Ook was sprake van arbeidsuitbuiting en gaf [klager 1] omstreden opvoedingsadviezen, zoals het doen van de suggestie om kinderen onder de koude douche te zetten (wat is gemeld als kindermishandeling) en omstreden medische adviezen, zoals het stoppen met medicatie, en heeft zij een doodzieke man onder druk gezet om haar als erfgenaam te benoemen. Het tweede en derde artikel gaan over het opgeheven en opnieuw ingestelde meldpunt Sektesignaal. Hierbij wordt verwezen naar het eerste artikel. Bij het eerste artikel zijn foto's geplaatst, waaronder van de woning van klagers [klager 1] en [klager 4] .
17. Het hof stelt voorop dat ten aanzien van beklaagde [beklaagde 9] niet valt in te zien waarom hij zich schuldig heeft gemaakt aan smaad(schrift), laster dan wel belediging. [beklaagde 9] is in zijn hoedanigheid van politieman geïnterviewd in het artikel van [beklaagde 1] van [datum 3] . Dit artikel is gewijd aan de oprichting van een nieuw landelijk meldpunt voor slachtoffers van sektes. [beklaagde 9] is blijkens het artikel vanuit zijn hoedanigheid als politieman als ervaringsdeskundige aan het woord gelaten en heeft zich daar in algemene termen uitgelaten over zijn ervaringen met slachtoffers. Geen van zijn uitlatingen zijn op zichzelf beschouwd noch in het licht van de context van het artikel als smadelijk, lasterlijk of beledigend te kwalificeren. Ten aanzien van hem dient de klacht als ongegrond te worden afgewezen.
18. Ook ten aanzien van de beklaagden [beklaagde 5] , [beklaagde 6] , [beklaagde 7] , en [beklaagde 8] dient de klacht als ongegrond te worden afgewezen. Ten aanzien van deze beklaagden wordt vastgesteld dat uit niets blijkt dat zij in het artikel van [beklaagde 1] van [datum 1] uitlatingen hebben gedaan, dan wel welke uitlatingen zij hebben gedaan. De klacht van klagers houdt in dit verband slechts in dat zij in de uitlatingen die in het artikel zijn gedaan ex-leden van " [naam] " dan wel diens - toenmalige - partners herkennen. Dat is evenwel onvoldoende voor een succesvolle vervolging als door klagers gewenst.
19. Voor zover het beklaagden [beklaagde 3] en [beklaagde 4] betreft komt het hof eveneens tot het oordeel dat de klacht als ongegrond moet worden afgewezen. Weliswaar treden zij in het artikel van [beklaagde 1] van [datum 1] onder hun eigen naam naar buiten, maar daar waar zij zelf aan het woord komen bestaat hun relaas grotendeels uit het verdriet dat zij hebben ervaren door het verlies van het contact met hun dochter nadat zij tot " [naam] " toetrad. Het smadelijke of beledigende karakter daarvan ontbreekt, waarbij het hof opmerkt dat hun relaas niet mag worden beschouwd in samenhang met uitspraken die blijkens het artikel door anderen zijn gedaan. Voor de inhoud van die uitspraken, die mogelijk de toon van het artikel mede hebben bepaald, kunnen zij niet verantwoordelijk worden gehouden. Voor zover zij op klaagster [klager 1] terug te voeren uitspraken hebben gedaan die op zichzelf smaad(schrift) of belediging zouden kunnen opleveren, komt het hof tot het oordeel dat deze in de context van het artikel en hun medewerking daaraan, zo gering van aard zijn dat strafrechtelijke vervolging daarvan niet opportuun wordt geacht.
20. Ter beoordeling staat thans nog de vraag of, gelet op de inhoud, de voornoemde artikelen die door de beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 2] als journalist bij [naam dagblad] zijn geschreven een zodanige inhoud hebben dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan de aantasting van de goede naam van klagers. Alhoewel smadelijke opmerkingen eveneens een beledigend karakter kunnen hebben en als zodanig kunnen worden opgevat, zal het hof in het hiernavolgende zich beperken tot de vraag of sprake kan zijn van smaad(schrift), nu de klacht van klagers zich richt tegen de in de gewraakte publicaties beschreven handelwijze van klaagster [klager 1] en " [naam] ", hetgeen duidt op "de telastlegging van een bepaald feit" zoals is bedoeld in artikel 261, eerste lid, Sr.
21. Het hof is van oordeel dat de inhoud van de publicatie van 12 mei 2024 van de beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 2] , alsmede van het artikel van [datum 3] van beklaagde [beklaagde 1] niet als smaad(schrift) kan worden aangemerkt. Beide artikelen stellen het verlies en het opnieuw in het leven roepen van een landelijk meldpunt voor slachtoffers centraal. De artikelen stellen grotendeels in algemene bewoording het belang van een dergelijk meldpunt centraal. Ingevolge artikel 261, derde lid, Sr is geen sprake van smaad of smaadschrift, indien de beklaagden [beklaagde 1] en [beklaagde 2] te goeder trouw hebben kunnen aannemen dat het algemeen belang het te laste gelegde eiste. Naar het oordeel van het hof doet zich deze situatie hier voor. Daarbij wordt opgemerkt dat het benoemen van " [naam] " en de handelwijze van de leider daarvan niet tot een ander oordeel aanleiding geeft. Een en ander diende in de artikelen ter onderstreping van het belang van een dergelijk meldpunt en kan, zeker nu daarin niet tot personen te herleiden informatie wordt gegeven, niet als onnodig grievend, zoals is bedoeld in de onder 14 genoemde rechtspraak, worden aangemerkt.
22. Waar het evenwel gaat om de publicatie van beklaagde [beklaagde 1] van [datum 1] volgt uit het dossier wel het redelijk vermoeden dat beklaagde [beklaagde 1] zich schuldig heeft gemaakt aan smaad(schrift) ten aanzien van klaagster [klager 1] . Daarbij wordt in aanmerking genomen dat deze publicatie uitlatingen bevat die de suggestie wekken dat klaagster [klager 1] zich onder meer schuldig heeft gemaakt aan arbeidsuitbuiting, kindermishandeling en het afhandig maken van geld. Dit betreft feiten die strijden met de positieve moraal, waarmee sprake kan zijn van "de telastlegging van een bepaald feit", zoals is bedoeld in artikel 261, eerste lid, Sr. Voorts neemt het hof hierbij in aanmerking dat in deze publicatie de naam van klaagster [klager 1] is genoemd en een foto van haar woning is geplaatst.
23. Beklaagde [beklaagde 1] heeft tot zijn verweer onder meer aangevoerd dat hij gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrijheid van meningsuiting, waarbij bijzonder gewicht toekomt aan het belang om misstanden aan de kaak te kunnen stellen in het algemeen, en aan zijn positie daarbij als journalist in het bijzonder. Het hof is van oordeel dat, gelet op de [klager 1] van het feit en de gevolgen die dat voor klaagster [klager 1] heeft gehad, alsmede in het licht van de daarbij af te wegen belangen die voortvloeien uit het recht op vrijheid van meningsuiting, het algemeen belang vergt dat de zaak in zoverre ter openbare behandeling wordt voorgelegd aan de strafrechter. Het hof zal daarom de vervolging van beklaagde [beklaagde 1] bevelen.
24. Het hof ziet geen aanleiding om dat bevel vergezeld te doen gaan van een opdracht aan de rechter-commissaris, nu zowel de officier van justitie als (de advocaat van) de verdachte voldoende mogelijkheden hebben om in de strafprocedure het horen van beklaagde en getuigen aan de orde te stellen.
25. De klacht zal ten aanzien van de overige klagers worden afgewezen. Zij worden in de publicatie van [datum 1] niet met name genoemd, terwijl de inhoud evenmin tot hen herleidbaar is. Dat laatste leidt wellicht uitzondering voor zover dat klaagster [beklaagde 3] betreft, maar ten aanzien van haar worden, net zo min als ten aanzien van de overige klagers, geen smadelijke uitspraken gedaan. De enkele omstandigheid dat deze klagers tot de deelnemers aan " [naam] " kunnen of konden worden gerekend, acht het hof niet voldoende.