Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – dat:
1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 september 2016 te [plaats] , met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2000), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht;
2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 18 september 2018 te [plaats] ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2000, immers heeft hij
- de vagina van die [slachtoffer] betast en/of
- de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of
- zijn penis laten betasten door die [slachtoffer] en/of
- zijn penis tussen de voeten van die [slachtoffer] gebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Steunbewijs
De verklaring van aangeefster wordt onder meer ondersteund door de thumbnails, inhoudende (miniatuur)weergaven van het verwijderd beeldmateriaal op de computer van verdachte. Op twee van de aangetroffen foto’s, genummerd 6829 en 7108, zijn seksuele handelingen zichtbaar. Op foto 6829 op pagina 51 van het dossier zijn de voeten van een persoon te zien, waarvan aangeefster heeft verklaard dat het haar voeten zijn. Op diezelfde foto is een deel van een tatoeage van een ander persoon zichtbaar. Deze tatoeage komt overeen met de tatoeage van de persoon met het ontblote bovenlichaam op de overige drie foto’s op pagina 51 van het dossier. Verdachte heeft over deze laatstgenoemde drie foto’s verklaard dat hij de persoon op de foto’s is. Op grond daarvan concludeert het hof dat verdachte degene moet zijn die op foto 6829 staat en dat hij dus die seksuele handelingen met aangeefster heeft gepleegd.
Daarnaast heeft aangeefster zichzelf herkend op foto 7108, waarop is te zien dat zij een persoon pijpt. Op de achtergrond is een gestreept kussen te zien, dat grote gelijkenissen vertoont met het kussen dat staat afgebeeld op de screenshot uit het op de computer van verdachte aangetroffen filmpje 20170219_105758, waarop verdachte staat, en met het kussen dat zichtbaar is op een foto van aangeefster in het tuinhuisje. Deze foto’s ondersteunen de verklaring van aangeefster dat het seksueel misbruik door verdachte heeft plaatsgevonden in het tuinhuisje.
Ook wordt de verklaring van aangeefster ondersteund door het verhoor van haar moeder, die heeft verklaard over de voetfetisj van verdachte. Deze ondersteuning kan ook worden gevonden in de verwijderde mappen die op de computer van verdachte zijn aangetroffen, met namen als "voet job” en "voeten [bijnaam slachtoffer] ”. Bij die laatste naam merkt het hof op dat verdachte heeft erkend dat hij aangeefster ook wel eens ‘ [bijnaam slachtoffer] ’ noemde.
Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard de feiten, zoals bewezenverklaard door de rechtbank, niet te ontkennen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verklaring van aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat aan het bewijsminimum is voldaan. Het hof zal de bewijsmiddelen op basis waarvan het hof tot een bewezenverklaring komt hieronder uitschrijven.
De hierna weer te geven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of
meerdere feiten.
Bewijsmiddelen
(Voetnoot 1)
De verklaring van verdachte op de terechtzitting van de rechtbank van 8 februari 2023, zakelijk weergegeven en voor zover van belang inhoudende:
Ik ben wel eens gaan vissen met [slachtoffer] . [slachtoffer] zat wel eens bij mij in het tuinhuisje aan de [adres] . Ik ben de persoon met het ontblote bovenlijf op de foto op pagina 51 van het dossier. Ik heb een tatoeage van een [tatoeage] . De in beslag genomen computer in het tuinhuisje is van mij. (Voetnoot 2)
De verklaringen van [slachtoffer]
V = door verbalisant gestelde vraag;
A = door aangeefster gegeven antwoord.
V: Van welk feit kom je aangifte doen?
A: Van seksueel misbruik door mijn stiefvader.
V: Tegen wie doe je aangifte?
A: [verdachte] . (Voetnoot 3)
V: Wanneer is het incident gebeurd?
A: De zomer van 2012 begon het met aanraken. In 2013/2014 begon het echt met seksueel misbruik.
V: Wat is de locatie waar het is gebeurd?
A: Het is begonnen bij het vissen. Dat was ergens in de omgeving van [plaats] . En het vond plaats bij mij thuis in dat kantoortje dat hij zelf had gebouwd in de tuin van de [adres] te [plaats] .
V: Wat kun je vertellen over het eerste incident?
A: Dat was in de zomer van 2012. Hij, [verdachte] , raakte me bij mijn vagina aan. Ik moest zijn geslachtsdeel ook aan raken. Het begon met aanraken. Hij zei: "ik zorg wel dat je gaat genieten". Hij zei ook dat hij mij wat zou gaan laten ervaren. Ik wist niet waar hij het over had, ik was toen nog maar 12 jaar oud. Hij raakte mijn vagina aan. Hij begon met zijn vingers te stimuleren, onder mijn kleding, hij trok mijn pyjamabroek uit en mijn onderbroek. Hij ging eerst op de vagina met zijn hand wrijven en later ook met zijn tong. Hij likte over mijn vagina heen. Tevens deed hij pasta op mijn vagina. Daarna filmde hij dat hij het van mijn vagina aan het aflikken was. Hij maakte een video opname. Hij moest dat opsturen zodat hij door kon naar een volgende opdracht, zei hij. Ik weet niet naar wie hij het moest opsturen. Hij heeft meerdere filmpjes gemaakt.
V: Hoe ging het over de vagina wrijven?
A: Over de clitoris zeg maar. Dat deed hij met 2 vingers. Het duurde denk ik wel een uur of 2 uur. Ik moest hem op een gegeven moment ook aanraken. Ik moest hem aanraken aan zijn geslachtsdeel. Hij zei toen dat hij mij had gedaan, en zei dat ik hem nu moest doen. Hij haalde zijn geslachtsdeel uit de broek en zei dat ik hem met mijn handen moest pakken. (Voetnoot 4)
V: Wanneer is de overgang gekomen tussen de incidenten in de tent en incidenten in de woning?
A: Ik was toen 13 of 14 jaar oud. Toen heeft hij het tuinhuis gebouwd. Het zit aan de schuur vast.
V: Waar vonden de seksuele handelingen plaats?
A: Vanaf 2015/2016 op het bankstel. Daarvoor lag er in het midden van het kantoor een
éénpersoons matras op de grond, en gebeurden de seksuele handelingen op het matras. Dat matras ligt nu buiten, daar liggen de honden soms op.
V: Wat zag je op die beelden? (Het hof begrijpt dat gedoeld wordt op de andere filmpjes waar aangeefster hiervoor over heeft verklaard.)
A: Dat ik seks had met hem. Dat zijn geslachtsdeel bij mij erin ging. Ik moest van hem naar de beelden kijken. Hij heeft me daarmee ook bedreigd dat, als ik het tegen iemand zou gaan vertellen, hij de beelden zou doorsturen naar mijn moeder of vriendinnen. Hij had een klein cameraatje dat had hij vastgemaakt op de kast. En op die manier filmde hij het.
V: Wat kun je vertellen over de eerste keer dat er iets in het kantoor/hok plaatsvond? (Voetnoot 5)
A: Ik moest op mijn knieën gaan zitten, op het matras. Toen was de eerste keer dat hij seks met mij had, dat hij bij mij naar binnen ging. Het was mijn eerste keer. Het deed echt heel erg veel pijn. Ik duwde hem van mij af. Het brandde. Het deed pijn. Het duurde daardoor niet lang. En de tweede keer dat het gebeurde kwam er ook bloed uit mijn vagina. Toen ik op mijn knieën moest gaan zitten, volgens mij was het toen zomer. Ik was toen 13/14 jaar oud. Ik had een kort shirt aan en korte broek. Het was warm. Hij trok de kleding uit. Hij deed ook bij zichzelf de kleding uit. Op dat moment had ik alleen mijn shirt nog aan, en hij ook.
V: Je zat op je knieën de eerste keer, wat gebeurde er dan?
A: Hij zei: "Ga maar zitten". Hij zei dat ik op mijn knieën moest zitten. Hij was niet van de opbouw, hij is vrij direct. Toen ik op mijn knieën zat deed hij zijn geslachtsdeel erin. Hij deed dat met zijn handen er zelf in, in mijn vagina. Hij heeft nooit een condoom gebruikt. Hij kwam altijd klaar op de grond, buiten mijn lichaam, en dan ging hij het daarna opruimen.
V: Wat kun je vertellen over het incident wat voor jou het meest heftig was, of datje het beste kunt herinneren?
A: Voor mij het meest heftige was met het drugsgebruik erbij. Toen was ik 16/17 jaar oud. Dan gaf hij mij cocaïne of xtc. Dan had hij seks met mij meerdere keren. Het was meestal in het weekend. Ik voelde me daarna echt vies, klote, futloos. (Voetnoot 6) Je bent dan niet helemaal goed in je hoofd, door de drugs. Hij gaf het zodat ik meer toe zou laten dan normaal. Ik nam het dan maar, zodat ik een beetje van de wereld af zou raken.
V: Hoeveel nam je dan?
A: Elk uur namen we wel een snuifje of zo. Het begon dan om 23:00 uur 's avonds en het duurde tot 6:00 uur in de ochtend.
V: Je noemde net dat voor jou het meest heftige was toen je drugs ging gebruiken samen met [verdachte] . Wat gebeurde er op seksueel gebied toen?
A: Seks. Op de bank. Meestal doggy-style zeg maar. Vaginale seks. Niet anaal. Wel heb ik hem wel moeten pijpen en hij heeft mij ook gelikt. Hij is ook wel met zijn vingers in mijn vagina gegaan. In het begin was dat niet. Maar rond mijn 15/16/17e wel.
V: Hoe vaak is dit ongeveer gebeurd, drugsgebruik in combinatie met seks?
A: Dan moetje wel denken aan 30 keer denk ik, verspreid over 3 jaar, van 2014 tot 2017. (Voetnoot 7)
Ik heb hem ook wel moeten pijpen, dan vond er verder geen seks plaats. In 2018 heb ik tegen hem gezegd dat ik het niet meer wilde. Daarna is het nog wel een paar keer gebeurd. Ik ben hem toen gaan ontwijken. (Voetnoot 8)
V: Wat kun je vertellen over het laatste incident op seksueel gebied?
A: Ik denk dat het begin 2018 was. Dat was het jaar dat het stopte. De laatste keer was ook met drugsgebruik. In zijn kantoor. De laatste keer gebruikte ik cocaïne. We hadden toen vaginale geslachtsgemeenschap in het kantoor, 'doggy-style'. Toen verder niets. Het is wel gebeurd dat ik hem moest pijpen. Hij is ook weleens in mijn mond klaargekomen. (Voetnoot 9)
A: Hij had ook een voetenfetisj dus hij zat ook aan mijn tenen te zuigen enzo. Hij vond het ook fijn als hij zijn piemel tussen mijn voeten deed en dan moest ik ze er tegenaan wrijven.
O: Wij tonen jou eerst foto 7108.jpg. (Voetnoot 10)
V: Wie is de persoon op deze foto?
A: Dat ben ik. 100%. Ik herken mezelf aan mijn haar, het elastiek, mijn gezicht. Dat ben ik.
V: Met wie ben jij op deze foto samen?
A: Met [verdachte] .
V: Waar is deze foto/filmpje genomen?
A: In zijn hok.
V: Waar herken jij dat aan?
A: De wand. De achtergrond. Ik kan me ook vaag dat moment nog wel herinneren. Hij had van die gipsplaten in het hok hangen. Een stukje van de deur in het hoekje, de donkerbruine deur. Ik zie ook de streepjes van de gipsplaten. Ik denk nog een kussen. De kleur herken ik wel. (Voetnoot 11)
V: We hebben nog 1 foto, dat is met die voeten (opmerking hof: foto 6829). Wat kan
je ons daar over vertellen?
A: Dat zijn mijn tenen. Ik heb een kromming in mijn tenen.
V: Met wie wasje op die foto?
A: Met [verdachte] . Ik weet het moment nog. Ik zie zijn ballen en zijn tattoo. Het is een [tatoeage] . Die liep net onder zijn onderbroek door. Op zijn hart, linker borst had hij en tattoo [tatoeage] . Op de andere borst een [tatoeage] . Op zijn buik dus die [tatoeage] . (Voetnoot 12)
Onderzoek thumbnails computer verdachte
Inbeslagname
Op 16 mei 2019 werd in een schuurtje in de achtertuin van de woning aan de [adres] te [plaats] een computer met daarin een harde schijf in beslag genomen.
Onderzoek inbond computer/harde schijf
Door mij werden op de harde schijf van de computer drie thumbnails aangetroffen. Dit betroffen onder andere de volgende twee thumbnails. (Voetnoot 13)
Onderzoek foto 6829
Door mij werd onderzoek gedaan naar de identiteit van de mannelijke persoon op foto 6829. Op de buik van de mannelijke persoon zag ik [tatoeage] . In de in beslag genomen computer had ik een aantal foto's aangetroffen van [verdachte] met een ontbloot bovenlichaam. Ik zag dat hij meerdere tatoeages had. Ik zag dat de [tatoeage] op foto 6829 overeenkwamen met de tatoeage op de buik van [verdachte] . (Voetnoot 14)
Onderzoek foto 7108
Op de harde schijf van de in beslag genomen computer trof ik een filmpje aan met [verdachte] waarin op de achtergrond een kussen zichtbaar was dat op een grijze bank lag. Ik zag dat dit een grijskleurig kussen was met een streepjespatroon, variërend in donkere, lichte, smalle en brede strepen. Eenzelfde kussen zag ik ook terug op een foto van [slachtoffer] waar zij op een grijze bank zat. Op de achtergrond van deze foto was te zien dat er een beige/geel kleurig doek tegen de wand hing (foto 20170212_230605). Door mij werd het patroon in foto 7108 vergeleken met het streepjespatroon van het kussen in filmpje en foto
20170212_230605. Hierbij zag ik dat het patroon overeenkwam. Ook zag ik dat de kleur
bovenin foto 7108 (beige/geel) overeenkwam met het doek tegen de wand op foto
20170212_230605. (Voetnoot 15)
Onderzoek harde schijf computer verdachte
Middels het analyse programma [naam] trof ik wel een aantal (vermoedelijk verwijderde) mappen aan waar video's (mp4- en AVl-bestanden) in hadden gestaan met opvallende bestandsnamen.
Hieronder is een overzicht van deze mappen weergegeven:
file:///C:/Users/PC/Desktop/Niei(we map (2)/Nieuwe map (2)/Nieuwe map/Nieuwe
Bestanden die in deze map hadden gestaan:
voeten [bijnaam slachtoffer] .mp4
voeten [bijnaam slachtoffer] 1 .mp4
file :///C:/Users/PC/Desktop/Nieuwe map (2)/Nieuwe map/mmm/Nieuwe map
Bestanden die in deze map hadden gestaan:
voet job.mp4 (Voetnoot 16)
De verklaring van [naam]
Hij (het hof begrijpt: verdachte) heeft een voetenfetisj. Ik heb 1 keer gezien dat hij dat
bij [slachtoffer] deed. Hij zei dat er een splinter in haar teen zat. (Voetnoot 17) [slachtoffer] was bij [verdachte] in het
hok en ik liep er naartoe en deed de deken aan de kant en zag dat [verdachte] de grote teen van
[slachtoffer] in zijn mond had. (Voetnoot 18)
De verklaring van verdachte op de terechtzitting van het hof van 19 februari 2026, zakelijk weergegeven en voor zover van belang inhoudende:
Ik ontken niet de feiten zoals de rechtbank die heeft bewezenverklaard. (Voetnoot 19)
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 18 september 2016 te [plaats] , met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2000), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht;
2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 18 september 2018 te [plaats] ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2000, immers heeft hij
- de vagina van die [slachtoffer] betast en/of
- de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of
- zijn penis laten betasten door die [slachtoffer] en/of
- zijn penis tussen de voeten van die [slachtoffer] gebracht.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zes jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast is gevorderd om een contact- en locatieverbod op te leggen als vrijheidsbeperkende maatregel, dadelijk uitvoerbaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, de ouderdom van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte te volstaan met een lagere straf dan door de rechtbank is opgelegd, waarvan een deel voorwaardelijk.
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van zes jaar schuldig gemaakt aan het stelselmatig seksueel misbruiken van zijn stiefdochter. De handelingen zijn begonnen toen zijn stiefdochter twaalf jaar oud was en zijn doorgegaan tot haar zeventiende jaar. De handelingen bestonden onder meer uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Verdachte heeft hier ook opnames van gemaakt, zijn stiefdochter gedwongen om naar deze opnames te kijken en haar ook met het openbaar maken van deze opnames bedreigd. Daarnaast heeft verdachte haar drugs laten gebruiken, zodat zij meer toe zou laten. De ontucht vond vooral plaats in het schuurtje aan verdachtes woning waar ook zijn stiefdochter woonde. Het ouderlijk huis is bij uitstek een plek waar een kind veilig moet kunnen zijn. Verdachte heeft hiermee het gevoel van veiligheid en vertrouwen dat een kind thuis moet hebben op grove wijze beschaamd. Verdachte is op geraffineerde wijze te werk gegaan door het creëren van een vertrouwensband om het slachtoffer er vervolgens toe te brengen zijn handelen als normaal te beschouwen en daarin loyaal aan hem te blijven. Daarbij heeft verdachte zijn eigen behoeften voorop gesteld en volstrekt geen aandacht gehad voor de zorg en aandacht die zijn stiefdochter nodig had en de schade die zijn gedrag heeft veroorzaakt voor haar (seksuele) ontwikkeling.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als deze gedurende lange tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Ook uit de slachtofferverklaring die op de zitting is voorgelezen, blijkt dat zijn stiefdochter al jarenlang last heeft van de psychische gevolgen van het handelen van verdachte.
Wat betreft zijn proceshouding is verdachte wispelturig gebleken. Op de zitting in eerste aanleg toonde verdachte geen enkel berouw en reageerde hij laconiek op de aantijgingen. In hoger beroep heeft verdachte aangegeven dat hij door geheugenverlies, naar eigen zeggen veroorzaakt door drugsgebruik, niets meer weet van het seksueel misbruik van zijn stiefkind. Het hof acht de stelling dat sprake is van volledig geheugenverlies volstrekt ongeloofwaardig en onaannemelijk. De (enkele) stelling mist elke vorm van objectieve (medische) onderbouwing en strookt ook niet met overige door verdachte afgelegde verklaringen. Zo heeft verdachte in hoger beroep wel verklaard zeker te weten dat hij geen drugs heeft gegeven aan het slachtoffer. Het lijkt onwaarschijnlijk dat hij zich dit herinnert, terwijl hij zich van het misbruik, dat in een periode van zes jaren stelselmatig voorkwam, niets kan herinneren, anders dan dat hij eens wakker is geworden met het slachtoffer. Bovendien heeft verdachte niet eerder melding gemaakt van een dergelijk volledig geheugenverlies. Ook niet in de vrij recente gesprekken met de reclassering in oktober 2025. Blijkens het reclasseringsadvies van 19 november 2025 reageert hij op verschillende aspecten van de tenlastegelegde feiten die hem door de rapporteur voorgehouden worden en beweert hij dat zeventig procent hiervan gelogen is.
De hiervoor besproken ernst van de feiten en de proceshouding van verdachte weegt het hof in strafverzwarende zin mee.
Uit het strafblad van verdachte van 21 januari 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit weegt het hof in strafmatigende noch in strafverzwarende zin mee. Verder heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 19 november 2025.
Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf geen recht doen aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd, de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de proceshouding van verdachte. Bovendien acht het hof, anders dan de rechtbank, geen eendaadse samenloop aanwezig (maar meerdaadse samenloop). Het hof ziet, gelet op het voorgaande, geen ruimte voor een voorwaardelijk strafdeel, zoals door de raadsvrouw bepleit, maar acht uitsluitend een onvoorwaardelijke straf van aanzienlijke duur aangewezen. Alles afwegend acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren passend.
Het hof houdt rekening met het feit dat de procedure niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Namens verdachte is op 22 februari 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst arrest op 5 maart 2026, dus na een periode van ongeveer drie jaren. Dit terwijl als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een uitspraak binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van het hof kan het grootste deel van deze overschrijding niet aan verdachte worden toegerekend en van bijzondere omstandigheden is in deze zaak naar het oordeel van het hof ook overigens geen sprake. Er is daarom sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer één jaar. Deze overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep dient naar het oordeel van het hof tot strafmatiging te leiden. Een vermindering van zes maanden gevangenisstraf acht het hof passend om de schending van de redelijke termijn te compenseren.
Het hof acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Verder ziet het hof geen aanleiding om aan verdachte een contact- en locatieverbod met het slachtoffer op te leggen. Niet is gebleken dat er door verdachte nog toenadering wordt gezocht tot het slachtoffer.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 25.000,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft de vordering voor een deel toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 20.000,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met de ‘Rotterdamse Schaal’. (Het hof merkt op: dit is een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde). Hieruit blijkt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de
€ 12.500,00 en € 32.000,00 billijk kan zijn bij de categorie meest ernstige ontucht met binnendringen (categorie 15.2 onder a). Gelet op de relevante factoren van het geval is het gevorderde bedrag redelijk.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de volledig vordering toegewezen kan worden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit een lager bedrag toe te wijzen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de Rotterdamse Schaal hoeft geen rekening te worden gehouden, omdat die enkel geldt voor zaken die vanaf 2026 bij de rechtbank inhoudelijk worden behandeld.
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat (voor zover hier van belang) zij op andere wijze in haar persoon is aangetast. Om te spreken van een aantasting in haar persoon op andere wijze moet sprake zijn van geestelijk letsel of van een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden en dat de gevolgen van het handelen van verdachte aan verdachte zijn toe te rekenen. Er is immers door de stiefvader van de benadeelde partij stelselmatig inbreuk op haar persoonlijke integriteit gemaakt waarbij tevens sprake was van seksueel binnendringen in haar lichaam. Bij een (dergelijk) zedendelict is evident sprake van een aantasting in haar persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek.
Het hof houdt bij het bepalen van de hoogte van het smartengeld rekening met het feit dat de feiten zijn gepleegd door de stiefvader van de benadeelde partij, dat de ontucht
veelvuldig en gedurende een lange periode heeft plaatsgevonden en dat de handelingen mede bestonden uit seksueel binnendringen en de gevolgen die dit heeft gehad voor de benadeelde partij. Ook gelet op de bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal, waar – anders dan de verdediging stelt – sinds 2026 in alle strafzaken rekening mee kan worden gehouden, in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend (categorie 15.2 onder a), komt de gevorderde immateriële schadevergoeding het hof niet bovenmatig voor en acht het hof toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 25.000,00 billijk. Het hof zal de vordering toewijzen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof aan hem de schadevergoedingsmaatregel op. Verder bepaalt het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 18 september 2018.
Beslissing
BESLISSING
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren en 6 (zes) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK Desktop (PL0900-2019144037-G2417277);
- 1 STK Telefoontoestel (PL0900-201914403 7-G2417294).
Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 2 STK DVD (PL0900-2019144037-G2417280);
- 1 STK Laptop (PL0900-2019144037-G2417281);
- 1 STK Telefoontoestel (PL0900-2019144037-G2417295).