Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van
19 februari 2025 met parketnummer 05-310211-24 in de strafzaak tegen
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van
3 maart 2026 en wat er op de zitting bij de politierechter besproken is.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman,
mr. W.H. Jebbink, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan: wederrechtelijk in het besloten lokaal vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen. De politierechter heeft geen straf of maatregel opgelegd.
Het hof vernietigt het vonnis, omdat het hof tot een andere beslissing komt over de strafbaarheid van het feit. Het hof doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 september 2024 te [plaats] in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, te weten een bassin en/of een dierenverblijf, in gebruik bij het [dierenpark] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.
Bewijsoverweging
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken moet worden, omdat er geen sprake is geweest van een vordering om een besloten lokaal te verlaten. Aan verdachte is gevorderd het bassin te verlaten. Het bassin is geen besloten lokaal en artikel 138, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht kan niet zo worden uitgelegd dat het de eigenaar de bevoegdheid geeft anderen uit slechts één vertrek van een besloten lokaal te weren op straffe van het plegen van een misdrijf. Het lex-certa beginsel verzet zich daartegen.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging geen doel treft. Verdachte is gevorderd het bassin te verlaten. Het verlaten van het bassin is nodig om het [dierenpark] te verlaten. Het is volstrekt logisch dat verdachte eerst is gevorderd uit het bassin te komen. Omdat hij niet aan die vordering voldeed, was het ook zinloos om verdachte te vorderen het [dierenpark] als geheel te verlaten.
Oordeel van het hof
Het [dierenpark] is een besloten lokaal in de zin van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht. Het bassin, dat zich bevindt op het terrein van het [dierenpark] , maakt integraal deel uit van het besloten lokaal. Dat aan verdachte door een medewerker is gevorderd het bassin te verlaten, maakt naar het oordeel van het hof dan ook dat hij daarmee is gevorderd het [dierenpark] , zijnde het besloten lokaal, te verlaten.
Voorts overweegt het hof dat verdachte zich ook wederrechtelijk in het bassin bevond. In het parkreglement van het [dierenpark] staat vermeld dat het verboden is zich in de leefgebieden van de dieren te begeven en verdachte heeft, ook nadat hij vier keer is gevorderd om uit het bassin te komen, dit niet gedaan. Verdachte heeft hier pas gehoor aan gegeven toen de politie hem dit heeft gevraagd.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op
of omstreeks
29 september 2024 te [plaats] in
de woning,
het besloten lokaal
en/of het besloten erf
, te weten een bassin en/of een dierenverblijf, in gebruik bij het [dierenpark] ,
althans bij een ander of anderen dan bij verdachte,
wederrechtelijk aldaar vertoevende zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het strafrechtelijk optreden als geheel disproportioneel was. Op verzoek van de politie is verdachte direct uit het bassin gekomen en hij heeft zijn identiteitskaart overhandigd, waardoor direct duidelijk was wie verdachte was. Verdachte is vervolgens aangehouden en op het politiebureau opgehouden voor verhoor. Het verhoor van verdachte heeft kort geduurd, omdat hij geen antwoord heeft gegeven op vragen. Vervolgens heeft verdachte nog meer dan vijf uren op het politiebureau gezeten. Hoewel het politieoptreden op zichzelf nodig was om de actie van verdachte te beëindigen, was het lang vasthouden van verdachte nadat zijn identiteit al bekend was en zijn verhoor was afgerond onnodig.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat, kort gezegd, het jegens verdachte strafrechtelijke optreden een onrechtmatige inbreuk op de artikelen 10 en 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) vormen.
Feiten en omstandigheden
Vast staat dat verdachte op 29 september 2024 rond 13:07 uur tijdens een show een bassin van het [dierenpark] te [plaats] is ingegaan. Verdachte heeft hiermee actie willen voeren tegen de misstanden die daar volgens verdachte plaatsvinden. Verdachte hield een spandoek vast met de tekst ‘Stop Shows met dieren’. Hij stond op dat moment op een platform in het bassin. Nadat verdachte het bassin is ingegaan, zijn de dolfijnen direct uit het bassin geleid. Een medewerkers van het [dierenpark] heeft verdachte vier keer gevorderd het bassin te verlaten en uitgelegd dat als hij dat niet deed, hij zich schuldig zou maken aan huisvredebreuk. Hierop is de politie opgeroepen. Omstreeks 13:10 uur kwamen de verbalisanten ter plaatse. Op verzoek van een verbalisant is verdachte direct uit het bassin gekomen. Verdachte heeft zich toen geïdentificeerd met een geldig identiteitsbewijs. Om 13:20 uur is verdachte aangehouden voor lokaalvredebreuk en overgebracht naar het politiebureau. Verdachte is om 13:55 uur voorgeleid aan de hulpofficier van justitie. Om 14:05 heeft de hulpofficier van justitie het bevel gegeven om verdachte op te houden voor onderzoek. Verdachte is vanaf 14:50 uur tot 14:56 uur verhoord. Hij heeft bij de politie geen verklaring afgelegd. Verdachte is uiteindelijk om 19:57 uur heengezonden.
Het juridische kader
Het hof stelt voorop dat het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op vrijheid van vergadering en vereniging, zoals onder andere neergelegd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM, belangrijke grondrechten zijn. Beide rechten hangen nauw met elkaar samen en hebben betrekking op uiteenlopende vormen van protest (zoals protestmarsen, blokkades, sit-ins en bezettingen) en omvatten ook het recht om – binnen de door het tweede lid van die bepalingen gestelde grenzen – tijd, plaats en wijze van protest vrijelijk te kiezen.
Artikel 11 van het EVRM beschermt het recht op vreedzame vergadering. Dat betekent dat een samenkomst waarbij de organisatoren en deelnemers gewelddadige intenties hebben, niet valt onder de reikwijdte van artikel 11 van het EVRM.
De vrijheden waarin de artikelen 10 en 11 van het EVRM voorzien, zijn evenwel niet absoluut en kunnen worden ingeperkt, mits deze inperking is voorzien bij wet en noodzakelijk is (proportioneel en subsidiair) in een democratische samenleving in het belang van, onder meer, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten en de rechten van anderen, zoals voorgeschreven door het tweede lid van beide artikelen. Of anders geformuleerd, het moet gaan om een bij wet voorziene, een gerechtvaardigd doel dienende en een daartoe in een democratische samenleving noodzakelijke beperking van die vrijheden.
De vraag of een beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving laat zich niet in algemene zin beantwoorden en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij het Europees Hof voor de Bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) een ‘overall’ toets aanlegt. Het EHRM kijkt daarbij naar de vraag of de beperking van de vrijheden als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van het EVRM voldoet aan een dringende maatschappelijke behoefte (‘pressing social need’) en of de beperking voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij de proportionaliteit van de inperking gaat het om een evenwicht tussen het in de artikelen 10 en 11 van het EVRM beschermde belang en andere belangen, zoals het belang van het eigendomsrecht van een ander.
De uitoefening van de rechten zoals beschermd in de artikelen 10 en 11 van het EVRM kunnen een zekere mate van verstoring van het dagelijks of openbare leven (‘disruption of ordinary life’) met zich brengen. Die enkele verstoring vormt echter geen rechtvaardiging voor een beperking op bedoelde rechten en de overheid moet daarbij een zekere mate van tolerantie in acht nemen.
De vraag welke mate van tolerantie de overheid moet opbrengen laat zich ook niet in algemene zin beantwoorden en hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van verstoring van het dagelijks leven. Waarbij heeft te gelden dat ook demonstraties die uitmonden in schade of wanordelijkheden voor een individueel persoon niet dienen te leiden tot sanctionering, als diegene zelf geen gewelddadig of laakbaar gedrag laat zien.
Als een bepaald persoon echter zelf wel laakbaar gedrag (een ‘reprehensible act’) laat zien, kan dat wel tot sanctionering leiden, ook als de vergadering op zichzelf vreedzaam was.
Ook hier heeft weer te gelden dat de vraag of er wel of niet sprake is van laakbaar gedrag zich niet in algemene zin laat beantwoorden. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat sprake kan zijn van laakbaar gedrag indien de deelnemers aan een demonstratie het dagelijks leven en de activiteiten die door anderen rechtmatig worden uitgevoerd opzettelijk ernstig verstoren, in een grotere mate dan ingeval van een normale uitoefening van de demonstratievrijheid op een publieke plek.
Bij de vraag naar de proportionaliteit van een beperking spelen naast de aard van de gedraging en de eerlijkheid van het proces als geheel, ook de aard van en de zwaarte van de opgelegde sancties in relatie tot het nagestreefde doel een rol, waarbij heeft te gelden dat daarvan geen ‘chilling effect’ mag uitgaan. De enkele deelname aan een vreedzame demonstratie mag niet worden bedreigd met een strafrechtelijke sanctionering; daar is een bijzondere rechtvaardiging voor vereist. Zo kan het zijn dat wanneer er verschillende maatregelen worden genomen, zoals de beëindiging van een betoging, een aanhouding, een voorarrest, een vervolging en een veroordeling, die maatregelen gezamenlijk als een (ontoelaatbare) beperking worden gezien.
Met inachtneming van dit juridisch kader is het aan de rechter om in het concrete geval op basis van een belangenafweging te beoordelen of sprake is van een al dan niet toelaatbare beperking van genoemde grondrechten.
Toepassing op de onderhavige zaak
Het hof is van oordeel dat, gelet op de beperkte mate van overlast, sprake was van een demonstratie met een vreedzaam karakter en verdachte daarom de bescherming van de artikelen 10 en 11 van het EVRM toekomt.
In deze zaak is sprake van een wettelijke beperking van het demonstratierecht, die haar grondslag vindt in de strafbaarstelling van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht. Aangezien verdachte na herhaaldelijke vorderingen van een medewerker van het [dierenpark] heeft geweigerd het bassin te verlaten, is het duidelijk dat er sprake was van lokaalvredebreuk. De politie mocht op dat moment ingrijpen door verdachte zo nodig uit het bassin te verwijderen. In zoverre is naar het oordeel van het hof geen ontoelaatbare inbreuk gemaakt op het demonstratierecht van verdachte.
Het hof overweegt daartoe dat het handelen van verdachte op zich is te beschouwen als een verstoring voor de bezoekers van hun bezoek en ook een verstoring van de dagelijkse gang van zaken voor het [dierenpark] . Een show werd immers verstoord, de dolfijnen werden weggeleid en de tribunes werden ontruimd. Echter, naar het oordeel van het hof is de gang van zaken door het handelen van verdachte niet ernstig verstoord. De mate van hinder en de duur van de demonstratie is beperkt gebleven. De demonstratie heeft ook niet geleid tot een gevaarlijke (en daarom ontoelaatbare) situatie waarvoor ingrijpen noodzakelijk was.
De actie van verdachte was gericht tegen de misstanden die volgens verdachte plaatsvinden in het [dierenpark] . Verdachte heeft een manier proberen te vinden om zijn standpunt meer kracht bij te zetten en te demonsteren op een plaats ‘within sight and sound of its target object and at a time when the message may have the strongest impact’ en zodoende de aandacht te trekken van het [dierenpark] en diens bezoekers.
Het hof neemt in overweging dat er een direct verband bestaat tussen het doel van de demonstratie (het aan de kaak stellen van de volgens verdachte gepleegde misstanden in het [dierenpark] ) en de rol die het [dierenpark] hierbij speelt. Daarmee was sprake van een actie binnen een breed maatschappelijk gedragen debat. In het licht van het voorgaande is in deze zaak naar het oordeel van het hof van ondergeschikt belang dat door de handelwijze van verdachte het private eigendom van het [dierenpark] tijdelijk is aangetast.
Concluderend is het hof van oordeel dat verdachte op 29 september 2024 op een vreedzame en toegestane wijze gebruik heeft gemaakt van uit de artikelen 10 en 11 van het EVRM voortvloeiende en beschermde grondrechten. Het hof is van oordeel dat geen sprake is geweest van laakbaar gedrag van verdachte tijdens zijn actie. Hij heeft gehandeld binnen de grenzen die aan die artikelen kunnen worden gesteld. Dit brengt mee dat hij geen subject van een sanctie had mogen zijn – nadat hij op verzoek van de politie direct uit het bassin was gekomen en zich had gelegitimeerd – en het strafrechtelijk ingrijpen en het vervolgen van verdachte achterwege had moeten worden gelaten. Door dit toch te doen is een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op deze grondrechten van verdachte.
Nu sprake is van een schending van de artikelen 10 en 11 van het EVRM is het hof van oordeel dat gelet op artikel 94 van de Grondwet de ten laste gelegde strafbepaling in dit geval buiten toepassing moet blijven. Bij het buiten toepassing blijven van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht levert het bewezenverklaarde geen strafbaar feit meer op.
Het hof ontslaat verdachte daarom van alle rechtsvervolging.
Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 7 oktober 2024 onder
CJIB-nummer 1132 5420 0560 8072.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. S. Taalman, mr. M.J. Ouweneel en mr. N.I.S. Boers, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Kaatman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 maart 2026.