Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 12 maart 2025 met parketnummer 08-181279-24 in de strafzaak tegen
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de [terechtzittingen] van het hof van 17 december 2025, 14 januari 2026 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de onderzoekswensen van de verdediging zoals vermeld in het verzoekschrift van 14 november 2025 en van hetgeen door mr. P. Koops ter terechtzitting op 17 december 2025 naar voren is gebracht. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van het standpunt van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft haar standpunt op 12 december 2025 schriftelijk kenbaar gemaakt en dit nader toegelicht ter terechtzitting op 17 december 2025.
Onderzoekswensen van de verdediging
De verdediging heeft bij verzoekschrift, ex artikel 414, 415 en 316 van het Wetboek van Strafvordering, van 14 november 2025 de volgende onderzoekswensen ingediend.
Het als getuige horen van de heer [getuige 1] ;
Het als getuige horen van de heer [getuige 2] ;
Het als getuige horen van de heer [getuige 3] ;
Het als getuige horen van de heer [getuige 4] ;
De benoeming en het horen van mevrouw A. Vredeveldt als deskundige;
Het verzoek om de zwartgelakte delen van de geopenbaarde WOO-stukken leesbaar te laten maken;
Het verzoek tot voeging in het dossier van de opnamen van de meldingen aan de meldkamer van 4 oktober 2023 en 25 maart 2024.
Mr. P. Koops heeft bovengenoemde onderzoekswensen in het verzoekschrift en op de terechtzitting – mede aan de hand van de aan het proces-verbaal gehechte schriftelijke stukken – (nader) toegelicht. Het hof verwijst naar die stukken voor de motivering van de door de verdediging ingediende onderzoekswensen.
Standpunt van het openbaar ministerie
1. Het als getuige horen van de heer [getuige 1]
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om [getuige 1] als getuige te horen kan worden toegewezen, omdat de verklaring van [getuige 1] door de politierechter voor het bewijs is gebruikt en de verdediging deze getuige niet eerder heeft gehoord.
2-3. Het als getuige horen van de heer [getuige 2] en de heer [getuige 3]
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken tot het als getuige horen van [getuige 2] en [getuige 3] afgewezen dienen te worden, omdat [getuige 2] – [functie] – en [getuige 3] – [functie] – zich niet inhoudelijk met het opsporingsonderzoek hebben bezig gehouden en daar ook niet verantwoordelijk voor waren. Het opsporingsonderzoek is uitgevoerd door de politie Oost-Nederland. [getuige 2] en [getuige 3] zijn ook niet betrokken geweest bij de vervolgingsbeslissing, die door het arrondissementsparket Oost-Nederland is genomen. Ook eventuele uitlatingen, die [getuige 2] en [getuige 3] in de pers na de veroordeling in eerste aanleg zouden hebben gedaan, zijn niet redengevend voor beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv.
4. Het als getuige horen van de heer [getuige 4]
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het als getuige horen van [getuige 4] dient te worden afgewezen. [getuige 4] – voormalig woordvoerder van de verdachte – zou moeten worden bevraagd over het door de verdediging gestelde lekken naar de pers, maar het vermeende lekken naar de pers raakt de onschuldpresumptie niet. Daarmee is er geen noodzaak [getuige 4] te horen als getuige en is er evenmin een verdedigingsbelang.
5. De benoeming en het horen van mevrouw A. Vredeveldt als deskundige
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot benoeming van A. Vredeveldt als deskundige dient te worden afgewezen, omdat de weging van een verklaring van een getuige en de beoordeling omtrent de betrouwbaarheid daarvan bij uitstek een taak van de rechter is. Er is geen noodzaak tot het benoemen van een deskundige om de verklaringen van getuige [getuige 1] te kunnen beoordelen.
6. Verzoek om de zwartgelakte delen van de WOO-stukken leesbaar te laten maken
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek tot het leesbaar laten maken van de zwartgelakte delen van de WOO-stukken dient te worden afgewezen. Hiertoe is aangevoerd dat de berichten, die door de verdediging als productie 4 zijn bijgevoegd, zien op de bestuurlijke relatie en zijn gewisseld door en met functionarissen die niet betrokken zijn geweest bij het strafrechtelijke onderzoek en de vervolgingsbeslissing. Voor de beoordeling van het strafrechtelijke verwijt zijn deze berichten dan ook niet van belang. Verder heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de Wet Open Overheid een eigen procedure kent en het verzoek in dat licht bezien in feite een verkapt bezwaar of beroep is tegen de beslissing om delen zwart te lakken, waarover in een strafzaak niet kan worden geklaagd.
7. Verzoek tot voeging van de opname van de meldingen aan de meldkamer van 4 oktober 2023 en 25 maart 2024
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld geen bezwaar te hebben tegen voeging in het strafdossier van de opnames van beide meldkamergesprekken. De advocaat-generaal heeft te kennen gegeven dat het meldkamergesprek van 4 oktober 2023 inmiddels door de politie is opgevraagd. Het gesprek met de meldkamer van 25 maart 2024 blijkt echter bij de ambulance-meldtafel binnen te zijn gekomen. Voor het opvragen van dat gesprek is toestemming van de chauffeur nodig. De politie heeft contact gehad met de chauffeur en deze geeft voor het opvragen van het gesprek géén toestemming.
Oordeel van het hof
Het toepasselijke criterium voor de beoordeling van de onderzoekswensen
Het hof stelt voorop dat alle onderzoekswensen van de verdediging worden beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. De onderzoekswensen zijn immers niet ingediend binnen de termijn van veertien dagen na het instellen van het appel als bedoeld in artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering. Bovendien hebben zich na verloop van deze termijn geen bijzondere omstandigheden voorgedaan die toch dwingen tot toepassing van het criterium van het verdedigingsbelang.
Het hof heeft kennisgenomen van het uitgebreid gemotiveerde verzoekschrift met bijlagen, dat door de raadsman is ingediend. Verder heeft het hof ook kennisgenomen van het verzetschrift, het nadere verzetschrift met bijlagen en de nadere toelichting op de onderzoekwensen die de raadsman ter terechtzitting aan het hof heeft overgelegd.
Beoordeling van de ingediende verzoeken van de verdediging
Het noodzakelijkheidscriterium houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Met het oog daarop is hem de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van dat verhoor, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden. Vanuit deze gezichtshoek bezien is bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken Gelet op de onderbouwing van de verzoeken is het hof van oordeel dat het niet noodzakelijk is om [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] als getuige te horen . Het hof acht zich vooralsnog voldoende ingelicht. De verzoeken tot het horen van deze personen als getuige worden dan ook afgewezen.
1. Het als getuige horen van [getuige 1]
Het hof wijst toe het verzoek tot het als getuige horen van [getuige 1] .
5. Verzoek tot het benoemen en horen van A. Vredeveldt als deskundige
Het verzoek tot het benoemen en het horen van A. Vredeveldt als deskundige wordt afgewezen. Het hof acht het niet noodzakelijk om zich door een deskundige te laten inlichten over de betrouwbaarheid van de (afgelegde en nog af te leggen) verklaringen van [getuige 1] . Daarbij wordt opgemerkt dat het oordeel over de betrouwbaarheid van een getuige en de geloofwaardigheid van zijn verklaringen is voorbehouden aan de rechter. Bovendien heeft de raadsman zelf ook nog de gelegenheid om [getuige 1] als getuige te ondervragen en zijn betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van zijn verklaring te onderzoeken.
6. Verzoek om de zwartgelakte delen van de WOO-stukken leesbaar te laten maken
Het hof is van oordeel dat uit de gegeven onderbouwing de noodzaak tot het leesbaar laten maken van de zwartgelakte delen van de WOO-stukken niet is gebleken. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
7. Verzoek tot voeging van de geluidsopnamen van de meldingen aan de meldkamer van 4 oktober 2023 respectievelijk 25 maart 2024
4 oktober 2023
Het hof geeft de advocaat-generaal de opdracht om de geluidsopname van de melding aan de meldkamer van 4 oktober 2023 toe te voegen aan het dossier en een schriftelijke uitwerking van die opname te laten opmaken - voor zover dat nog niet is gebeurd - en toe te voegen aan het strafdossier.
Daarbij laat het hof het aan de raadsman om te beoordelen of hij de heer [naam] – de melder van de gebeurtenissen op 4 oktober 2023 in [plaats] – vervolgens alsnog als getuige wenst te horen. Een verzoek daartoe dient binnen twee weken na ontvangst van voornoemde schriftelijke uitwerking te worden ingediend bij de raadsheer-commissaris.
25 maart 2024
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting medegedeeld dat zij heeft geprobeerd een opname van dit meldkamergesprek te verkrijgen, maar dat dit niet is gelukt. De reden die de advocaat-generaal hiervoor heeft gegeven is dat deze melding bij de ambulance-meldtafel is binnengekomen. Voor het opvragen van een gesprek dat betrekking heeft op de ambulance is volgens de advocaat-generaal toestemming nodig van degene die deelnam aan het gesprek, in casu de vrachtwagenchauffeur die de melding deed. Deze vrachtwagenchauffeur heeft hiervoor geen toestemming gegeven. Het hof kan dit niet afleiden uit de inhoud van het strafdossier, maar leidt uit het dossier wel af dat de melding (uiteindelijk) naar het operationeel centrum van de politie is gegaan.
Het hof geeft de advocaat-generaal de opdracht om een aanvullend proces-verbaal op te laten maken waarin wordt beschreven waar de melding is binnengekomen, of de melding inderdaad is binnengekomen bij de ambulance-meldtafel en hoe deze melding dan vervolgens - zoals uit het dossier blijkt - uiteindelijk bij het operationeel centrum van de politie terecht is gekomen en waarom er in dit geval toestemming van de betrokkene nodig zou zijn voor openbaarmaking van het gesprek. Een en ander om te onderzoeken of hier sprake is van verstrekte medisch gevoelige informatie waardoor volgens de advocaat-generaal toestemming nodig is van de deelnemer aan het meldkamergesprek. Mocht er geen sprake zijn van een dergelijke situatie, geeft het hof de advocaat-generaal de opdracht ook de geluidsopname van dit gesprek aan het dossier toe te voegen en een schriftelijke uitwerking van de opname van de melding aan de meldkamer van 25 maart 2024 te laten opmaken en toe te voegen aan het strafdossier.
Verwijzing naar de raadsheer-commissaris
Het hof zal de zaak verwijzen naar de raadsheer-commissaris teneinde uitvoering te geven aan alleen het door het hof toegewezen nadere onderzoek. Daaronder wordt ook begrepen een eventueel (aanvullend) verzoek van de verdediging om de melder [naam] als getuige te horen, op welk verzoek de raadsheer-commissaris geacht wordt te beslissen.
Wijst toe de verzoeken tot:
het als getuige horen van [getuige 1] ;
voeging door de advocaat-generaal van de geluidsopname van de meldingen aan de meldkamer van 4 oktober 2023 en indien mogelijk die van 25 maart 2024, zoals hierboven is overwogen, en;
het door de advocaat-generaal laten opmaken van schriftelijke uitwerkingen van die opnames en deze toe te laten voegen aan het strafdossier.
met inachtneming van de door het hof daarbij gestelde voorwaarden.
Stelt de stukken in handen van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof teneinde als getuige te horen:
? de heer [getuige 1], geboren op [geboortedatum] 1990, wonende aan de [adres] ;
Geeft opdracht aan de advocaat-generaal een geluidsopname van het meldkamergesprek van 4 oktober 2023 aan het dossier toe te laten voegen en een schriftelijke uitwerking van de opname van de melding aan de meldkamer van 4 oktober 2023 toe te laten voegen aan het strafdossier, waarbij geldt dat het de verdediging vrij staat om naar aanleiding van deze schriftelijke uitwerking binnen twee weken na ontvangst daarvan aan de raadsheer-commissaris (aanvullend) te verzoeken om de melder [naam] als getuige te horen, op welk verzoek de raadsheer-commissaris beslist en waaraan deze – in geval van toewijzing – uitvoering geeft.
Geeft opdracht aan de advocaat-generaal een aanvullend proces-verbaal op te laten maken waarin wordt beschreven waar en hoe de melding van 25 maart 2024 is binnengekomen, of de melding is binnengekomen bij de ambulance-meldtafel en hoe deze melding bij het operationeel centrum van de politie terecht is gekomen, en waarom er voor openbaarmaking van dit gesprek toestemming nodig zou zijn van de chauffeur, en in aanvulling hierop – indien daaruit blijkt dat er geen bezwaren van medische en/of juridische aard zijn – de geluidsopname en een schriftelijk uitwerking van de opname van deze melding aan de meldkamer toe te laten voegen aan het strafdossier.
Schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nog nader te bepalen terechtzitting.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nog nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman.
mr. A.J. Smit, voorzitter,
mr. K.J.C. Geeve en mr. D.R. Sonneveldt, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.J.H. van Vliet, griffier,
en op 14 januari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.