Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHARL:2026:3402

Op 17 April 2026 heeft de Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 21-004474-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHARL:2026:3402. De plaats van zitting was Leeuwarden.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
21-004474-25
Datum uitspraak:
17 April 2026
Datum publicatie:
29 May 2026

Indicatie

Bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van het onder 3 ten laste gelegde. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde. Verdachte heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Het hof verklaart verdachte niet-ontvankelijk ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004474-25

Uitspraakdatum: 17 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 23 oktober 2025 met parketnummer 18-215298-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging, parketnummers 18-137262-20, 18-193674-21, 21-003652-22, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven maar niet verblijvende te [adres] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat er op de zitting van het hof van 17 april 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank besproken is.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

bevestiging van het vonnis van de rechtbank;

veroordeling van verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 4 primair tenlastegelegde feiten tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht;

toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] conform de beslissing van de rechtbank;

niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de parketnummers 18-137262-20 en 18-193674-21;

toewijzing van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 21-003652-22 van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Het hof heeft kennisgenomen van wat door de raadsvrouw van verdachte, mr. F. Luinstra, is aangevoerd. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van wat door de heer [naam] , Reclasseringswerker van verdachte, naar voren is gebracht.

Verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van feit 3 (inbraak in een woning). Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraak. Tegen een beslissing tot vrijspraak kan verdachte geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen deze in het vonnis gegeven vrijspraak.

Het vonnis

De rechtbank heeft bij vonnis van 23 oktober 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 4 primair tenlastegelegde feiten veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] geheel toegewezen tot een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Ten slotte heeft de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-137262-20 en parketnummer 18-193674-21. De rechtbank heeft de tenuitvoerlegging gelast van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwaren d.d. 9 februari 2023 onder parketnummer21-003652-22 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Door de verdediging is aangevoerd dat geen bezwaren bestaan tegen de bewezenverklaring, noch tegen de opgelegde straf, die verdachte heeft uitgezeten. Het hoger beroep richt zich enkel tegen de toegewezen vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 21-003652-22. De verdediging heeft verzocht niet de tenuitvoerlegging te bevelen, maar een opnameverplichting als bijzondere voorwaarde op te nemen nu verdachte bereid lijkt hieraan mee te werken. Subsidiair is verzocht de tenuitvoerlegging af te wijzen omdat dit mogelijk een behandeling in de weg kan staan.

De advocaat-generaal heeft meegedeeld dat uit de registraties van het openbaar ministerie blijkt dat de proeftijd inmiddels is afgelopen en aanpassing van de voorwaarden niet aan de orde kan zijn. Ook overigens is er geen reden om nu niet de tenuitvoerlegging te bevelen.

Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank Noord-Nederland op juiste wijze heeft beslist en daarvoor de goede gronden heeft aangenomen. In hetgeen is aangevoerd over de tenuitvoerlegging van de zaak met parketnummer 21-003652-22 ziet het hof onder de gegeven omstandigheden geen redenen anders te beslissen dan de rechtbank. Het hof bevestigt daarom het vonnis.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. A.F. van Kooij, mr. L.J. Hofstra en mr. M.C. Fuhler, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 17 april 2026.