Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHARL:2026:4059

Op 16 June 2026 heeft de Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 21-004311-23, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHARL:2026:4059. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
21-004311-23
Datum uitspraak:
16 June 2026
Datum publicatie:
19 June 2026

Indicatie

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden (oftewel: 6 jaren) voor poging tot zware mishandeling en de eendaadse samenloop van – kort gezegd – wederrechtelijke vrijheidsberoving, bedreiging en mishandeling. Evenals de rechtbank spreekt het hof verdachte vrij van poging tot doodslag, omdat het hof niet kan vaststellen dat het handelen van verdachte van dien aard is geweest dat dit de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer zou overlijden. Daarnaast is het hof van oordeel dat steeds niet kan worden geoordeeld dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm beschouwd moet worden als te zijn gericht op de voltooiing van een verkrachting. Het hof spreekt verdachte daarom – anders dan de rechtbank – vrij van de ten laste gelegde pogingen tot verkrachting.

Verdachte heeft in de vroege morgen van 19 juni 2022 kort achter elkaar twee keer een jonge vrouw aangevallen. Eerst heeft verdachte een jonge vrouw onverhoeds van achteren aangevallen door haar hardhandig naar de grond te werken, bovenop haar te gaan zitten en haar keel dicht te knijpen. Ongeveer een kwartier later achtervolgde verdachte een andere jonge vrouw, trok hij haar van haar fiets en werkte hij ook haar tegen de grond, waarna hij bovenop haar ging liggen en zei dat hij een mes bij zich had. In beide gevallen is het aan toevallige oplettende voorbijgangers te danken geweest dat verdachte werd gestopt en de slachtoffers ontkwamen aan erger.

Verdachte heeft consequent geweigerd mee te werken aan gedragskundig onderzoek. De deskundigen hebben geconcludeerd dat een persoonlijkheidsstoornis niet kan worden vastgesteld, maar ook niet volledig kan worden uitgesloten. Ook de in hoger beroep gevoerde procedure op grond van de Regeling weigerachtige observandi heeft geen nieuwe gezichtspunten opgeleverd. Het hof acht verdachte, gelet op de inhoud van de over hem uitgebrachte rapportages, volledig toerekeningsvatbaar.

Het hof vindt dat ter vergelding en ter bescherming van de maatschappij verdachte een hele lange gevangenisstraf opgelegd moet krijgen. Het hof weegt ook zwaar mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor (excessief) geweld tegen vrouwen, waaronder voor moord op zijn ex-vriendin. Het hof komt dan ook tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden met aftrek van het voorarrest. Daarbij is rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Verder legt hof aan verdachte een contactverbod op met de slachtoffers en een locatieverbod. Het hof vindt het daarnaast onverantwoord om verdachte na zijn detentie zonder begeleiding en/of behandeling terug te laten keren in de maatschappij. Daarom legt het hof verdachte de gedragsbeïnvloedende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op.

Daarnaast moet verdachte aan de slachtoffers schadevergoedingen betalen.

Tot slot heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen. De verdachte zal van een eerder opgelegde straf alsnog een gevangenisstraf voor de duur van 1825 dagen moet uitzitten.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004311-23

Uitspraakdatum: 16 juni 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden- Nederland , zittingsplaats Utrecht , van 11 september 2023 met parketnummer 16-152653-22 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 in [geboorteplaats] (Kenia),

op dit moment verblijvende in P.I. [locatie] .

1
Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.

2
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.E.S. Heijnen, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

Het hof heeft ook kennisgenomen van hetgeen naar voren is gebracht door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en hun gemachtigde, mr. F.A. ten Berge, advocaat te [plaats] .

3
Het vonnis

De rechtbank heeft verdachte ter zake van:

eendaadse samenloop van poging tot verkrachting (feit 1), opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven (feit 2), bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, bedreiging met zware mishandeling, bedreiging met verkrachting en bedreiging met feitelijke aanranding van de eerbaarheid (feit 3) en mishandeling (feit 4), en

eendaadse samenloop van poging tot verkrachting (feit 5) en mishandeling (feit 6 meer subsidiair),

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 52 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Daarnaast heeft de rechtbank vrijheidsbeperkende maatregelen ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, inhoudende een contactverbod (ten aanzien van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] ) en een gebiedsverbod (ten aanzien van het [plaats] te [plaats] ). De rechtbank heeft beide maatregelen voor de duur van vijf jaren opgelegd en bepaald dat de vervangende hechtenis voor elke overtreding één maand bedraagt, met een maximum van zes maanden.

Aan verdachte is door de rechtbank verder de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

Verder heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toegewezen tot een bedrag van € 13.347,45 en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van € 28.012,16, beide vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige zijn de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met v.i. zaaknummer 99-000115-25 toegewezen en gelast dat verdachte het gedeelte van de vrijheidsstraf, dat als gevolg van de toepassing van de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd – te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1.825 dagen – alsnog geheel moet ondergaan.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs, de op te leggen straf en de vorderingen van de benadeelde partijen. Daarom zal het hof het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

4
Tenlastelegging

Op de zitting bij de rechtbank Midden-Nederland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij 1] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 1] ,

- die [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets heeft getrokken en/of op de grond heeft getrokken/gegooid en/of

- die [benadeelde partij 1] , terwijl zij "brand" riep en/of wegrende, althans weg probeerde te rennen, (met kracht) op de grond heeft geduwd en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] is gaan zitten en/of is gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] is blijven zitten en/of is blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd dat zij stil moest zijn omdat hij, verdachte, een mes bij zich had, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.hij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door

- die [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets te trekken en/of op de grond te trekken/gooien en/of

- die [benadeelde partij 1] , terwijl zij "brand" riep en/of wegrende, althans weg probeerde te rennen, (met kracht) op de grond te duwen en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te gaan zitten en/of te gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te blijven zitten en/of te blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 1] te zeggen dat zij stil moest zijn omdat hij, verdachte, een mes bij zich had, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

3.hij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met verkrachting, en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid, en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of gijzeling en/of zware mishandeling, door

- die [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets te trekken en/of op de grond te trekken/gooien en/of

- die [benadeelde partij 1] , terwijl zij "brand" riep en/of wegrende, althans weg probeerde te rennen, (met kracht) op de grond te duwen en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te gaan zitten en/of te gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te blijven zitten en/of te blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 1] te zeggen dat zij stil moest zijn omdat hij, verdachte, een mes bij zich had, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

4.hij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door

- die [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets te trekken en/of op de grond te trekken/gooien en/of

- die [benadeelde partij 1] , terwijl zij "brand" riep en/of wegrende, althans weg probeerde te rennen, (met kracht) op de grond te duwen en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te gaan zitten en/ofte gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te blijven zitten en/of te blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 1] te zeggen dat zij stil moest zijn omdat hij, verdachte, een mes bij zich had, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

5.hij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [benadeelde partij 2] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij 2]

- ( dreigend) zijn, verdachtes, gebalde vuist, met een sleutel daartussen geklemd, heeft getoond en/of

- die [benadeelde partij 2] (van achteren) met kracht beet heeft gepakt en/of

- die [benadeelde partij 2] terwijl zij wegrende, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op de grond heeft geduwd/getrokken/gegooid

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] is gaan zitten en/of is gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] is blijven zitten en/of is blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 2] heeft gezegd dat zij moest stoppen met gillen en/of

- zijn, verdachtes, arm/hand om de nek van die [benadeelde partij 2] heeft gelegd en/of (met kracht) in de nek van die [benadeelde partij 2] heeft geknepen en/of de keel van die [benadeelde partij 2] heeft dichtgeknepen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6. primairhij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 2] opzettelijk van het leven te beroven

- ( dreigend) zijn, verdachtes, gebalde vuist, met een sleutel daartussen geklemd, heeft getoond en/of

- die [benadeelde partij 2] (van achteren) met kracht beet heeft gepakt en/of

- die [benadeelde partij 2] terwijl zij wegrende, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op de grond heeft geduwd/getrokken/gegooid en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] is gaan zitten en/of is gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] is blijven zitten en/of is blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 2] heeft gezegd dat zij moest stoppen met gillen en/of

- zijn, verdachtes, arm/hand om de nek van die [benadeelde partij 2] heeft gelegd en/of (met kracht) in de nek van die [benadeelde partij 2] heeft geknepen en/of de keel van die [benadeelde partij 2] heeft dichtgeknepen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6. subsidiairhij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- ( dreigend) zijn, verdachtes, gebalde vuist, met een sleutel daartussen geklemd, heeft getoond en/of

- die [benadeelde partij 2] (van achteren) met kracht beet heeft gepakt en/of

- die [benadeelde partij 2] terwijl zij wegrende, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op de grond heeft geduwd/getrokken/gegooid en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] is gaan zitten en/of is gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] is blijven zitten en/of is blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 2] heeft gezegd dat zij moest stoppen met gillen en/of

- zijn, verdachtes, arm/hand om de nek van die [benadeelde partij 2] heeft gelegd en/of (met kracht) in de nek van die [benadeelde partij 2] heeft geknepen en/of de keel van die [benadeelde partij 2] heeft dichtgeknepen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6. meer subsidiairhij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland,

[benadeelde partij 2] heeft mishandeld door

- ( dreigend) zijn, verdachtes, gebalde vuist, met een sleutel daartussen geklemd, te tonen en/of

- die [benadeelde partij 2] (van achteren) met kracht beet te pakken en/of

- die [benadeelde partij 2] terwijl zij wegrende, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op de grond te duwen/trekken/gooien en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] te gaan zitten en/of te gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] te blijven zitten en/of te blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 2] te zeggen dat zij moest stoppen met gillen en/of

- zijn, verdachtes, arm/hand om de nek van die [benadeelde partij 2] te leggen en/of (met kracht) in de nek van die [benadeelde partij 2] te knijpen en/of de keel van die [benadeelde partij 2] dicht te knijpen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5
Overweging met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat – conform het oordeel van de rechtbank – wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van de pogingen tot verkrachting (feiten 1 en 5) heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat uit de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat de handelswijze van verdachte redelijkerwijs geen andere strekking kan hebben gehad dan een seksuele.

Ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat het handelen van verdachte geen poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling oplevert, maar dat wel sprake is van een mishandeling. Daartoe heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte [benadeelde partij 2] op zodanige wijze bij de keel heeft beetgepakt en haar keel dusdanig lang heeft dichtgeknepen dat er een aanmerkelijke kans bestond dat zij daardoor zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ook de overige in de tenlastelegging beschreven feitelijke handelingen hebben volgens de advocaat-generaal niet tot zo’n aanmerkelijke kans geleid.

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen verweer gevoerd ten aanzien van de ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2), bedreiging (feit 3) en mishandelingen (feit 4 en feit 6 meer subsidiair). Wel heeft de verdediging bepleit dat verdachte van de pogingen tot verkrachting (feiten 1 en 5), de poging tot doodslag (feit 6 primair) en de poging tot zware mishandeling (feit 6 subsidiair) moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verdachte moet van de pogingen tot verkrachting worden vrijgesproken, omdat zijn handelingen niet kunnen worden gekwalificeerd als een begin van uitvoering van een verkrachting. Verdachte heeft die intentie ook nooit gehad.

Van zowel de ten laste gelegde poging tot doodslag als de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling moet verdachte worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de aanmerkelijke kans bestond dat [benadeelde partij 2] zou komen te overlijden of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Oordeel van het hof

De hieronder weergegeven bewijsmiddelen worden steeds – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit of de feiten waarop het blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Bewijsmiddelen  (Voetnoot 1)

Aangeefster [benadeelde partij 2] heeft in haar aangifte – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 19 juni 2022, omstreeks 06:40 uur, bevond ik mij aan de [straat] te [plaats] . Ik liep over het fietspad, hoorde voetstappen achter mij en hoorde de voetstappen versnellen. Ik draaide mij om en zag op een afstand van minder dan een halve meter

een man die in linker gebalde vuist het scherpe gedeelte van een sleutel liet uitsteken en dreigend aan mij toonde. Ik zag en voelde dat de man met zijn rechterhand stevig mijn linker onderarm vastgreep. (Voetnoot 2) Er ontstond een stevige worsteling tussen mij en de verdachte. Ik probeerde verdachte van mij af te slaan maar verdachte had mijn linker onderarm stevig vast, waardoor ik deze niet los kon draaien. Ineens lag ik op de grond. De verdachte heeft de aanzet gegeven waardoor ik ten val ben geraakt. Toen ik op mijn rug op de grond lag, voelde ik dat de verdachte bovenop mij kwam zitten. Ik kon mijn beide benen niet meer bewegen. Ik ben heel hard gaan gillen en om hulp gaan schreeuwen. Ik hoorde de verdachte zeggen: “Stoppen met gillen”. Inmiddels had de verdachte mijn onderarm losgelaten. Ik zag en voelde dat de verdachte één hand om mijn nek legde en begon te knijpen en drukken tegelijk. Ik voelde dat ik geen lucht meer kreeg en voelde pijn aan mijn luchtpijp. Ineens hoorde ik een man roepen: “Hey!!” Er kwam een mij onbekende man op een fiets al roepend in onze richting. Ineens stond de verdachte op zo’n drie meter afstand van mij (Voetnoot 3) en stond de onbekende man met zijn fiets tussen ons in. De verdachte draaide zich om en liep terug in de richting waar hij vandaan gekomen was. (Voetnoot 4)

Ik sta de foto's van mijn letsel geheel vrijwillig aan u af, zodat u deze toe kunt

voegen aan dit proces-verbaal.

De letselfoto’s zijn bij de aangifte gevoegd. (Voetnoot 5)

Op camerabeelden van 19 juni 2022 van de [bank] te [plaats] is onder meer het volgende

te zien:

Om 06:44:32 uur komt een vrouw (het hof begrijpt: [benadeelde partij 2]) het beeld in

lopen. (Voetnoot 6) Om 06:44:36 uur komt een man met een zwarte rugzak met oranje strepen (het hof begrijpt: verdachte) het beeld in lopen. De man loopt met versnelde pas in de richting van de vrouw. De vrouw kijkt om in de richting van de man. De man strekt zijn linkerarm uit richting de nek van de vrouw. (Voetnoot 7) De vrouw probeert de man af te houden met haar rechterhand. De vrouw komt ten val met haar rug op de grond. De vrouw probeert met haar voeten meerdere keren tegen de man te trappen. De vrouw probeert op te staan. (Voetnoot 8) De man probeert haar weer vast te pakken. De man houdt beide armen gestrekt en hij springt op de vrouw in. De man pakt met beide handen de rechterarm van de vrouw vast. De vrouw komt weer ten val op haar rug en de man staat boven haar. De vrouw probeert met haar benen de man van zich af te houden en probeert de man met haar voeten te schoppen. (Voetnoot 9) De man gaat met zijn beide knieën op de buikstreek van de vrouw zitten en probeert met beide handen de handen van de vrouw tegen het lichaam te drukken. De man en de vrouw rollen over de grond heen en weer. De man houdt de vrouw in de houdgreep op de grond. De man houdt zijn rechterarm tegen de borst/keel van de vrouw en houdt zijn linkerarm tussen de bovenbenen van de vrouw. De vrouw probeert uit de houdgreep van de man te komen. (Voetnoot 10) De vrouw belandt op haar rug, de man zit op zijn knieën aan de rechterkant van de vrouw zit en drukt met beide armen op het bovenlichaam van de vrouw. De man komt met zijn bovenlichaam naar beneden. Zijn beide armen blijven gestrekt. Er komt een getuige aanfietsen. De man komt van de vrouw af en laat de vrouw los. (Voetnoot 11)

Aangeefster [benadeelde partij 1] heeft in haar aangifte – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Op 19 juni 2022 omstreeks 06.50 uur stapte ik op mijn fiets. Ik zag een man die mij

opviel. Iets triggerde mij in zijn gedrag. Ik nam zijn signalement in mij op en zag dat hij een rugzak droeg van de [gym] . Ik fietste naar [plaats] en ter hoogte van “ [naam] ” ging ik richting [plaats] . In het [plaats] zag ik ineens dat een man

naast mij kwam fietsen die ik gelijk herkende als de persoon die ik eerder had

geobserveerd op het [plaats] en die mij triggerde. Ik zag dat de man vlak naast mij kwam fietsen en zijn snelheid aan mijn snelheid aanpaste. Ik zag dat hij mij aankeek. Ik fietste hard rechtdoor en negeerde de man. (Voetnoot 12) Hij greep mij bij mijn haar en rukte eraan. Toen vielen we, hij ook. Ik ben heel snel opgestaan, ben gaan rennen en gaan roepen en schreeuwen: “Brand, Brand”. Ik zag hem en plotseling werd ik besprongen en viel ik voorover. Mijn armen lagen onder mij en mijn benen kon ik niet meer bewegen. Hij zei: “Stil, ik heb een mes.” Zijn hoofd zat ter hoogte van mijn nek. Maar toen kwam er iemand aan (Voetnoot 13) die riep: “He”. Ik zag dat de man wegrende. (Voetnoot 14) Ik heb last van mijn schouder, mijn duim, mijn hand, mijn knie (Voetnoot 15) en mijn nek. (Voetnoot 16)

[getuige] heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik zat op zondag 19 juni tussen 07:00 en 07:15 uur op mijn fiets. Toen ik ter hoogte

van de [straat] in [plaats] de hoek om kwam fietsen zag ik een man en een vrouw op de grond liggen. De man lag boven op de rug van de vrouw. Hij lag met zijn volle gewicht op haar. De vrouw zat op haar knieën of op haar buik. Ik zag dat ze aan het worstelen was, ik zag haar angst ogen (het hof begrijpt: angst in haar ogen). Hij had haar vast, ze probeerde los te komen. Hun hoofden waren niet ver van elkaar af. De vrouw keek mij met grote verschrikte ogen aan. (Voetnoot 17) De man sprong overeind en verdween om de hoek. (Voetnoot 18)

[arts] , spoedeisende hulp-arts, heeft in een brief het volgende beschreven:

Betreft

Naam [benadeelde partij 1]

Geb. datum: [geboortedatum] (Voetnoot 19)

Lichamelijk onderzoek

HH: schaafwond rechts frontaal

Extremiteiten: schaafwonden aan pols en elleboog re.

dig 1 re: hematoom en schaafwond laterale zijde thv MCP. Aldaar drukpijnlijk. ROM antalgisch beperkt.

Conclusie

1. contusie duim rechts;

2. bewegingsbeperking schouder rechts, dd: myogeen, danwel verdenking rotatorcuff letsel schouder rechts. (Voetnoot 20)

Ter terechtzitting van het gerechtshof heeft verdachte – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik heb twee vrouwen aangevallen. Ik ben de man op de beelden met de [gym] rugzak die achter mevrouw [benadeelde partij 2] aanloopt en samen met haar ten val komt.

Later die ochtend zag ik mevrouw [benadeelde partij 1] fietsen. Ik heb haar van haar fiets getrokken. (Voetnoot 21)

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Deze strafzaak gaat over twee incidenten die hebben plaatsgevonden in de vroege ochtend

van 19 juni 2022 in [plaats] , waarvan aangeefsters [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] (vlak na elkaar) het

slachtoffer zijn geworden. Op de tenlastelegging staat een aantal handelingen dat verdachte, als betrokkene bij die incidenten, wordt verweten. Dezelfde handelingen zijn steeds als verschillende feiten tenlastegelegd. Ten aanzien van [benadeelde partij 2] gaat het om poging tot

verkrachting (feit 5) en poging tot doodslag, subsidiair poging tot zware mishandeling en meer subsidiair mishandeling (feit 6). Ten aanzien van [benadeelde partij 1] gaat het om poging tot verkrachting (feit 1), bedreiging (feit 2), wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 3) en mishandeling (feit 4).

Feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, de volgende feiten vast.

Verdachte heeft [benadeelde partij 2] het scherpe gedeelte van zijn sleutel getoond die hij in zijn gebalde vuist had, haar met kracht beetgepakt en haar meermalen naar de grond gewerkt. Verdachte is vervolgens op [benadeelde partij 2] gaan zitten en heeft tegen haar gezegd dat zij moest stoppen met gillen. Daarna heeft verdachte [benadeelde partij 2] bij haar nek gepakt en haar keel dichtgeknepen.

Later die ochtend heeft verdachte [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets op de grond getrokken. Terwijl [benadeelde partij 1] “brand” riep en weg probeerde te rennen, heeft verdachte haar opnieuw op de grond geduwd. Verdachte is bovenop [benadeelde partij 1] gaan liggen en heeft tegen haar gezegd dat zij stil moest zijn omdat hij een mes bij zich had.

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte bij deze handelingen - zowel bij [benadeelde partij 1] als bij [benadeelde partij 2] - seksuele opmerkingen heeft gemaakt, heeft geprobeerd zichzelf of [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] van kleding te ontdoen of [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] bij hun borsten, billen, geslachtsdeel en/of schaamstreek heeft aangeraakt.

In het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden van het [plaats] zijn uitgewerkt, wordt weliswaar beschreven dat bij verdachte - na de aanval op [benadeelde partij 2] - vermoedelijk een loshangende riem is te zien, maar het hof heeft op de terechtzitting afgespeelde beelden waargenomen dat het geen loshangende riem betreft, maar de aantrekbanden van de rugzak van verdachte.

Het hof beoordeelt hierna tot welke bewezenverklaringen deze handelingen leiden.

Poging tot verkrachting van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] (feit 1 en feit 5)

Het hof ziet zich gesteld voor de vraag of het handelen van verdachte, zoals hiervoor vastgesteld, pogingen tot verkrachting oplevert. Van een strafbare poging is sprake als het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Daarbij gaat het erom of de bewezenverklaarde feitelijke handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf; in dit geval verkrachting van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] . In dat kader overweegt het hof als volgt.

Verdachte heeft bekend dat hij achter [benadeelde partij 2] aan is gelopen, dat hij haar heeft aangevallen en dat hij samen met [benadeelde partij 2] ten val is gekomen. Ook bekent hij dat hij diezelfde dag - korte tijd later - [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets heeft afgetrokken. Van een seksuele intentie daarbij was volgens hem geen sprake. Hij heeft verklaard dat hij achter [benadeelde partij 2] aan is gelopen, omdat hij dacht haar te herkennen als iemand aan wie hij eerder die nacht tijdens een feestje geld had gegeven maar die avond niet meer terug had gezien. Vervolgens zou hij [benadeelde partij 1] van haar fiets hebben getrokken, omdat hij haar fiets wilde afpakken. Het hof acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig. Verdachte heeft tegen de slachtoffers tijdens de incidenten met geen woord gerept over geld of een fiets en heeft ook geen handelingen verricht die wijzen op het voornemen spullen van hen af te pakken.

Het hof stelt voorop dat verdachte [benadeelde partij 2] agressief heeft belaagd. Verdachte heeft haar zijn sleutel getoond, heeft haar meermalen naar de grond gewerkt, is bovenop haar gaan zitten en heeft tegen haar gezegd dat ze moest stoppen met gillen. Daarnaast heeft verdachte [benadeelde partij 2] bij haar nek gepakt en haar keel dichtgeknepen. Ook [benadeelde partij 1] is door verdachte agressief belaagd. Hij heeft haar aan haar haren van de fiets getrokken, is op haar gesprongen toen zij probeerde weg te rennen en heeft gezegd dat hij een mes bij zich had.

Zowel bij [benadeelde partij 2] als bij [benadeelde partij 1] heeft verdachte tijdens deze handelingen geen verbale seksuele uitlatingen gedaan, heeft noch zichzelf noch aangeefsters (gedeeltelijk) ontkleed of aangeefsters zodanig betast dat hieruit een seksuele lading kan worden afgeleid. Nu een bewijsbare seksuele component ontbreekt, kan niet worden geoordeeld dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm beschouwd moet worden als te zijn gericht op de voltooiing van een verkrachting.

Het hof zal verdachte daarom van het onder 1 en 5 tenlastegelegde vrijspreken.

Poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 2] (feit 6)

Voor een bewezenverklaring van poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het doden van [benadeelde partij 2] dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 2] . Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier het doden van [benadeelde partij 2] dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 2] - is aanwezig als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. In dit kader overweegt het hof als volgt.

Allereerst moet de vraag worden beantwoord of kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het doden van [benadeelde partij 2] . Het hof is met de raadsvrouw en de advocaat-generaal van oordeel dat het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. Daartoe overweegt het hof dat uit het dossier niet duidelijk wordt hoe lang verdachte de keel van [benadeelde partij 2] heeft dichtknepen. Het hof kan dan ook niet vaststellen dat het handelen van verdachte van dien aard is geweest dat dit de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [benadeelde partij 2] zou overlijden. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 6 primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

Het hof acht - anders dan de advocaat-generaal en de verdediging - wel bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 2] . Verdachte heeft [benadeelde partij 2] terwijl hij bovenop haar zat, met kracht beetgepakt en haar meermalen naar de grond gewerkt, is vervolgens op haar gaan zitten en heeft haar bij haar nek gepakt en haar keel dichtgeknepen. Als gevolg van het dichtknijpen van de keel kreeg [benadeelde partij 2] geen lucht meer. Hieruit leidt het hof af dat verdachte de keel van [benadeelde partij 2] met kracht heeft dichtgeknepen. Naar het oordeel van het hof kunnen deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Van belang daarbij is de kwetsbaarheid van de keel ter plaatse van de luchtwegen. Van contra-indicaties is het hof in dit verband niet gebleken.

Gelet op het voorgaande stel het hof vast dat er bij verdachte (minst genomen) sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 2] . Het hof acht de onder 6 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij 1] (feit 2)

Er is sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving als het slachtoffer gedurende enige tijd

daadwerkelijk zodanig in haar bewegingsvrijheid is beperkt dat zij zich niet op elk gewenst

ogenblik van de plaats waar zij zich bevond kon verwijderen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets heeft getrokken, haar met kracht op de grond heeft geduwd en bovenop haar is gaan liggen. Door te zeggen dat hij een mes bij zich had, smoorde verdachte bovendien een ontsnappingspoging in de kiem. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat sprake is van een voltooide wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het feit dat de vrijheidsberoving van korte duur is geweest doet hier niet aan af. Vaste rechtspraak is immers dat zelfs een zeer korte periode waarin men niet zelf mag en kan bepalen waar men gaat, voldoende is om een voltooide vrijheidsberoving aan te nemen.

Bedreiging [benadeelde partij 1] (feit 3)

Voor een bewezenverklaring van bedreiging is vereist dat de bedreiging van dien aard is en

onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd en dat het opzet van de verdachte daarop gericht was.

Gelet op de hierboven onder ‘feiten en omstandigheden’ omschreven gedragingen van verdachte ten aanzien van [benadeelde partij 1] is het hof van oordeel dat bij [benadeelde partij 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat haar zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht dan wel dat zij het leven zou kunnen verliezen. Door zijn manier van handelen heeft verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij [benadeelde partij 1] een dergelijke vrees kon ontstaan. Het hof is daarom van oordeel dat sprake is van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling

Het hof acht bedreiging met verkrachting, aanranding of gijzeling niet wettig en overtuigend bewezen. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende aanwijzingen. Verdachte zal daarom van dat gedeelte van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.

Mishandeling [benadeelde partij 1] (feit 4)

Op grond van de hierboven onder ‘feiten en omstandigheden’ omschreven gedragingen van verdachte ten aanzien van [benadeelde partij 1] acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde partij 1] heeft mishandeld.

6
Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2, 3, 4 en 6 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.hij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door

- die [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets te trekken en/of op de grond te trekken/gooien en/of

- die [benadeelde partij 1] , terwijl zij "brand" riep en/of wegrende, althans weg probeerde te rennen, (met kracht) op de grond te duwen en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te gaan zitten en/of te gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te blijven zitten en/of te blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 1] te zeggen dat zij stil moest zijn omdat hij, verdachte, een mes bij zich had, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

3.hij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met verkrachting, en/of feitelijke aanranding van de eerbaarheid, en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of gijzeling en/of zware mishandeling, door

- die [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets te trekken en/of op de grond te trekken/gooien en/of

- die [benadeelde partij 1] , terwijl zij "brand" riep en/of wegrende, althans weg probeerde te rennen, (met kracht) op de grond te duwen en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te gaan zitten en/of te gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te blijven zitten en/of te blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 1] te zeggen dat zij stil moest zijn omdat hij, verdachte, een mes bij zich had, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

4.hij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door

- die [benadeelde partij 1] aan haar haren van haar fiets te trekken en/of op de grond te trekken/gooien en/of

- die [benadeelde partij 1] , terwijl zij "brand" riep en/of wegrende, althans weg probeerde te rennen, (met kracht) op de grond te duwen en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te gaan zitten en/of te gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 1] te blijven zitten en/of te blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 1] te zeggen dat zij stil moest zijn omdat hij, verdachte, een mes bij zich had, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking;

6.subsidiairhij op of omstreeks 19 juni 2022 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- ( dreigend) zijn, verdachtes, gebalde vuist, met een sleutel daartussen geklemd, heeft getoond en/of

- die [benadeelde partij 2] (van achteren) met kracht beet heeft gepakt en/of

- die [benadeelde partij 2] terwijl zij wegrende, meermalen, althans eenmaal, (met kracht) op de grond heeft geduwd/getrokken/gegooid en/of

- bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] is gaan zitten en/of is gaan liggen en/of (vervolgens) bovenop het lichaam van die [benadeelde partij 2] is blijven zitten en/of is blijven liggen en/of

- tegen die [benadeelde partij 2] heeft gezegd dat zij moest stoppen met gillen en/of

- zijn, verdachtes, arm/hand om de nek van die [benadeelde partij 2] heeft gelegd en/of (met kracht) in de nek van die [benadeelde partij 2] heeft geknepen en/of de keel van die [benadeelde partij 2] heeft dichtgeknepen

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

7
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven,

en

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling,

en

mishandeling.

Het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

8
Strafbaarheid van verdachte

Standpunten van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte.

Oordeel van het hof

Over de persoon van verdachte zijn meerdere rapportages opgemaakt:

een Pro Justitia rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 27 maart 2023, opgesteld door GZ-psycholoog T ’t Hoen en psychiater A.Z. Botermans;

een reclasseringsrapport van 8 augustus 2023, opgesteld door reclasseringswerker M. van Norde;

een aanvullend Pro Justitia rapport van 20 oktober 2025, opgesteld door GZ-psycholoog T. ’t Hoen en psychiater A.Z. Botermans;

een reclasseringsrapport van 11 februari 2026, opgesteld door reclasseringswerker G. Porte.

Verdachte heeft consequent geweigerd mee te werken aan gedragskundig onderzoek.

In genoemd Pro Justitia rapport van 27 maart 2023 naar aanleiding van een observatie in het Pieter Baan Centrum (PBC), wordt geconcludeerd dat een persoonlijkheidsstoornis niet kan worden vastgesteld, maar ook niet volledig kan worden uitgesloten.

Uit het milieuonderzoek komen aanwijzingen naar voren voor het bestaan van gedragsproblemen in intieme relaties. Niet alleen is verdachte veroordeeld voor moord op zijn ex-partner, verdachte is eerder ook veroordeeld voor vernieling van zijn spullen van zijn ex-partner en voor mishandeling van een andere ex-partner. Opvallend is dat in relaties met anderen, zoals werkgevers, personeel in detentie, groepsgenoten of collega's een ander beeld van verdachte naar voren komt. In dat contact is hij vriendelijk, gedraagt hij zich correct en behulpzaam en kan hij zich zelfs coachend opstellen. Verdachte heeft bovendien op verschillende levensterreinen, zoals werk en financiën, ook voor langere perioden goed kunnen functioneren. Gedurende zijn verblijf in het PBC zijn geen aanwijzingen gezien voor gedrag passend bij een persoonlijkheidsstoornis. Het is echter door de weigering van verdachte niet mogelijk geweest om zicht te krijgen op de gedachten en gevoelens van verdachte over verschillende belangrijke levensthema's. Daarom is het niet mogelijk geweest voor rapporteurs om een persoonlijkheidsstoornis volledig uit te sluiten, al zijn er vanuit het huidige onderzoek onvoldoende aanwijzingen om een persoonlijkheidsstoornis nu te kunnen vast stellen.

Vanwege de weigering van verdachte om aan het onderzoek naar zijn geestesvermogen mee te werken heeft het Openbaar Ministerie in de fase van het hoger beroep op grond van de Regeling weigerende observandi geprobeerd meer (medische) informatie over verdachte te verzamelen. Dit heeft ertoe geleid dat door de huisartsenpraktijk waar verdachte in het verleden patiënt is geweest en [stichting] medische gegevens over hem zijn verstrekt. De deskundigen ’t Hoen en Botermans hebben deze nieuwe informatie betrokken in een aanvullend overzoek. Ook aan dat onderzoek heeft verdachte niet willen meewerken. In het aanvullende Pro Justitia rapport van 20 oktober 2025 zijn vervolgens de diagnostische beschrijvingen van het eerdere PBC-rapport opnieuw onderschreven.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte strafbaar is, nu niet is gebleken of aannemelijk is geworden dat verdachte niet strafbaar zou zijn. Het hof zal verdachte de feiten, gelet op de inhoud van de over hem uitgebrachte rapportages, volledig toerekenen.

9
Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer subsidiair tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarbij heeft de advocaat-generaal er rekening mee gehouden dat sprake is van eendaadse samenloop. Daarnaast heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Volgens de advocaat-generaal kan echter worden volstaan met de enkele constatering daarvan, nu de vertraging mede is te wijten aan verdachtes pertinente weigering tot medewerking aan gedragskundig onderzoek.

Standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak van feiten 1 en 5 heeft de raadsvrouw verzocht verdachte een gevangenisstraf van veel minder lange duur op te leggen dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf. In het verlengde daarvan heeft de raadsvrouw verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

Volgens de raadsvrouw moet er bij de strafoplegging rekening mee worden gehouden dat sprake is van eendaadse samenloop en dat de redelijke termijn is overschreden. Tot slot heeft de raadsvrouw er in het kader van de strafoplegging op gewezen dat verdachte in detentie met een psycholoog over zijn interpersoonlijk functioneren heeft gepraat en dat hij een baan en huisvesting heeft gevonden voor wanneer hij in vrijheid wordt gesteld.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarnaast heeft het hof gelet op de ernst van de feiten zoals deze onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van het feit

Verdachte heeft in de vroege morgen van 19 juni 2022 kort achter elkaar twee keer een jonge vrouw aangevallen. Eerst heeft verdachte [benadeelde partij 2] onverhoeds van achteren aangevallen door haar hardhandig naar de grond te werken, bovenop haar te gaan zitten en haar keel dicht te knijpen. Ongeveer een kwartier later achtervolgde verdachte [benadeelde partij 1] , trok hij haar van haar fiets en werkte hij ook haar tegen de grond, waarna hij bovenop haar ging liggen en zei dat hij een mes bij zich had. In beide gevallen is het aan toevallige oplettende voorbijgangers te danken geweest dat verdachte werd gestopt en de slachtoffers ontkwamen aan erger.

Dit zijn zeer ernstige feiten. Verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] . Daarnaast heeft hij hen pijn en letsel toegebracht en psychisch leed bij hen veroorzaakt. Dat het handelen van verdachte voor [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] grote gevolgen heeft gehad - en nog steeds heeft - is gebleken uit de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaringen en uit de stukken die als onderbouwing van de vorderingen tot schadevergoeding zijn overgelegd. Bij zowel [benadeelde partij 2] als [benadeelde partij 1] hebben de gebeurtenissen geresulteerd in een posttraumatische stressstoornis, waarvan zij nog altijd de gevolgen ondervinden. Ze voelen zich niet meer veilig op straat en alledaagse dingen - zoals werken, studeren en het onderhouden van sociale contacten - kosten nu veel meer energie. [benadeelde partij 2] is op het werk niet volledig inzetbaar en [benadeelde partij 1] heeft studievertraging opgelopen. Dat verdachte dit leed en deze gevolgen bij [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] heeft veroorzaakt rechtvaardigt op zich al een forse straf. Verdachte heeft geen inzicht gegeven in de beweegredenen waarom hij dit hen heeft aangedaan. Dit maakt het verwerken van de gebeurtenissen voor [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] mogelijk nog moeilijker. Het blijft voor [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] , ook na de behandeling in hoger beroep, gissen waarom verdachte hen op straat heeft achtervolgd en heeft aangevallen.

Dergelijk ernstig geweld tegen vrouwen lijdt tot maatschappelijke onrust en verontwaardiging en zorgt voor gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Dit geldt des te meer wanneer, zoals in het onderhavige geval, de strafbare feiten op straat in een drukke (studenten)stad en op klaarlichte dag zijn gepleegd en de slachtoffers willekeurig gekozen vrouwen lijken te zijn.

Justitiële documentatie

Het hof heeft gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2026. Hieruit volgt dat verdachte op 22 april 2010 door het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2010:BM2026) is veroordeeld voor moord. Uit het strafdossier blijkt dat het gaat om een moord op de ex-vriendin van verdachte. Ook blijkt uit het strafblad en het dossier dat verdachte daarvoor ook al is veroordeeld voor mishandeling van een ex-vriendin. Het hof weegt in strafverzwarende zin mee dat verdachte eerder dus (excessief) geweld heeft gebruikt tegen vrouwen. Bovendien was verdachte ten tijde van het plegen van onderhavige feiten voorwaardelijk in vrijheid gesteld na het uitzitten van tweederde deel van de in die zaak opgelegde gevangenisstraf. Hij liep nog in een proeftijd met een forse waarschuwing boven zijn hoofd. Kennelijk heeft verdachte zich hierdoor niet laten weerhouden opnieuw gewelddadig tegen vrouwen te zijn.

Persoon van de verdachte

Zoals hiervoor onder het kopje ‘strafbaarheid van verdachte’ uiteengezet zijn over de persoon van de verdachte meerdere rapportages uitgebracht. Geprobeerd is meer inzicht te krijgen in de persoonlijkheid van verdachte, in zijn gevoelsleven en in de vraag waarom hij de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd. Verdachte heeft er voor gekozen zijn medewerking aan onderzoeken naar zijn persoonlijkheid consequent te weigeren. Ook een door het Openbaar Ministerie in gang gezette procedure ter doorbreking van het medisch beroepsgeheim om meer inzichten te kunnen krijgen, heeft geen antwoorden opgeleverd.

Ook de reclassering heeft geen zicht gekregen op de beweegredenen van verdachte. In het rapport van 8 augustus 2023 schrijft de reclassering dat gelet op het gewelddadige delictverleden van verdachte, de ernst van de ten laste gelegde feiten en het verschil in het gedrag dat verdachte laat zien, er zorgen zijn om verdachte. Vanwege de beperkt beschikbare informatie kan de reclassering echter niet inschatten of een plan van aanpak met een ambulant begeleidings- of behandelkader afdoende is om de ingeschatte risico's in te perken en nieuwe geweldpleging te voorkomen.

Dit gegeven, in combinatie met de zorgen die het hof over verdachte heeft kijkend naar de bewezenverklaarde feiten en zijn blijvende en stellige weigering om aan gedragskundig onderzoek mee te werken, maakt dat het hof bij het bepalen van de hoogte van de straf de bescherming van de maatschappij nadrukkelijk zwaar zal laten wegen.

De straf

Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat alleen een gevangenisstraf van (zeer) lange duur op zijn plaats is. De door de raadsvrouw naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte maken dat niet anders. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 78 maanden (oftewel: 6,5 jaren) in beginsel passend en geboden. Daarbij heeft het hof er rekening mee gehouden dat sprake is van eendaadse samenloop.

Het hof stelt echter vast dat de behandeling van de zaak van verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het hoger beroep is ingesteld op 20 september 2023 en dit arrest wordt gewezen op 16 juni 2026. Sinds het instellen van het hoger beroep zijn dus twee jaren, acht maanden en zevenentwintig dagen verstreken. Aangezien verdachte in verband met deze zaak voorlopige gehecht is, had de behandeling moeten plaatsvinden binnen een termijn van zestien maanden. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat deze vertraging niet aan verdachte is toe te rekenen. Het hof zal de overschrijding van de redelijke termijn daarom in het voordeel van verdachte verdisconteren in de strafmaat en hem een gevangenisstraf voor de duur van 72 maanden (oftewel: 6 jaren) opleggen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal op de gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel van de 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Voorlopige hechtenis

Het hof wijst, gelet op de duur van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van het bepaalde in artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering af.

De vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sv

Gelet op het hiervoor overwogene over de ernst van de feiten en de persoon van verdachte zal het hof ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten bevelen dat verdachte op geen enkele wijze - direct noch indirect - contact zal zoeken of hebben met [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum 2] , en [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] . Daarnaast zal het hof bevelen dat verdachte zich niet zal ophouden in de stad [plaats] , met uitzondering van de stationshal [plaats] Centraal (binnen de toegangspoortjes en op de perrons) of in de trein.

Het hof legt de vrijheidsbeperkende maatregelen op voor de duur van vijf jaren. Voor het geval niet aan de maatregelen wordt voldaan, zal per overtreding vervangende hechtenis voor de duur van één maand worden opgelegd, met een maximum van zes maanden.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z Sr

Het hof acht het ook noodzakelijk dat verdachte langdurig onder toezicht wordt gesteld. Net als de reclassering maakt het hof zich vanwege het gewelddadige delictverleden van verdachte en de ernst van de bewezenverklaarde feiten ernstige zorgen om het gedrag van verdachte. Bovendien blijkt uit het dossier dat verdachte eerder op die ochtend van 19 juni 2022 ook nog achter andere vrouwen aan is gefietst en gerend. Verdachte leek doelgericht op zoek te zijn naar slachtoffers. Hij heeft echter geen inzicht willen geven in zijn gedachten, beweegredenen en drijfveren om te handelen zoals hij heeft gedaan. Nu daardoor op dit moment dus ook geen passende behandeling kan worden opgelegd op grond waarvan de recidivekans, die het hof gelet op verdachtes voorgeschiedenis groot acht, kan worden verminderd, is het hof van oordeel dat het noodzakelijk is dat verdachte na zijn detentie wordt begeleid en, zo nodig, behandeld in het kader van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. Verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan misdrijven die zijn gericht tegen de onaantastbaarheid van de lichamen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld (te weten bij zowel wederrechtelijke vrijheidsberoving als bij zware mishandeling acht jaren). De beoordeling van de noodzaak tot tenuitvoerlegging van de maatregel, en indien nodig onder welke voorwaarden, zal in de laatste fase van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf plaatsvinden.

10
Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen

De vorderingen

Zowel [benadeelde partij 2] als [benadeelde partij 1] hebben zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

[benadeelde partij 2] vordert € 5.000,00 immateriële schade en € 20.751,00 (Voetnoot 22) materiële schade. De gevorderde materiële schade bestaat uit:

€ 11.077,00 aan inkomstenderving (waarvan € 6403,00 tot en met 2023 en € 4.674,00 in 2024 en 2025),

€ 907,20 aan reiskosten naar de psycholoog (waarvan € 887,40 in 2023 en 2024 en € 19,80 in 2025),

€ 30,00 aan reiskosten voor het ophalen van [benadeelde partij 2] van haar werk op 19 juni 2022,

€ 3.258,00 aan kosten voor het huren van een parkeerplaats,

€ 3.977,02 aan ziektekosten voor behandeling door een psycholoog (waarvan € 2.885,27 in 2023 en 2024 en € 1.091,75 in 2025),

€ 1.000,00 aan kosten wegens gemiste examens,

€ 160,00 aan kosten voor concertkaarten,

€ 250,00 aan kosten voor de aanschaf van nieuwe kleding, en

€ 91,78 aan kosten voor het opvragen van medische informatie.

[benadeelde partij 1] vordert € 5.000,00 immateriële schade en € 25.397,16 materiële schade. De gevorderde materiële schade bestaat uit:

€ 1.783,62 aan inkomstenderving,

€ 842,24 aan ziektekosten (waarvan € 195,00 aan kosten voor fysiotherapie, € 262,24 aan kosten voor behandeling door een psycholoog en € 385,00 aan toekomstige zorgkosten),

€ 46,30 aan contributie voor zaalhockey, en

€ 22.725,00 aan kosten wegens studievertraging.

Aanvullend heeft [benadeelde partij 1] in hoger beroep het hof verzocht om € 943,36 aan zorgkosten (bestaande uit € 173,36 aan zorgkosten in 2024, € 385,00 aan zorgkosten in 2025 en

€ 385,00 aan zorgkosten in 2026) toe te wijzen dan wel om ambtshalve de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel op te leggen en daarbij te bepalen dat [benadeelde partij 1] de in 2024, 2025 en 2025 ontstane zorgkosten heeft geleden.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Wat betreft de door [benadeelde partij 2] gevorderde materiële schade heeft de verdediging het volgende aangevoerd. De benadeelde moet in de gevorderde kosten voor relatietherapie en de kosten voor het huren van een parkeerplaats niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat de kosten in een te ver verwijderd verband staan van de bewezenverklaarde feiten. De gevorderde kosten voor gemiste examens en onbenutte concertkaarten zijn voorts onvoldoende onderbouwd. Ook ten aanzien daarvan moet de benadeelde daarom in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Voor het overige heeft de verdediging de door [benadeelde partij 2] gevorderde materiële schade niet betwist.

De door [benadeelde partij 1] gevorderde materiële schade is door de verdediging geheel niet betwist.

Ten aanzien van zowel de door [benadeelde partij 2] als de door [benadeelde partij 1] gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat een bedrag ter hoogte van € 2.500,00 passend is.

Oordeel van het hof

De door [benadeelde partij 2] gevorderde materiële schade

Het hof zal toewijzen de door [benadeelde partij 2] gevorderde kosten aan inkomstenderving, de reiskosten naar de psycholoog, de reiskosten voor het ophalen van [benadeelde partij 2] van haar werk op 19 juni 2022, de kosten voor de aanschaf van nieuwe kleding en de kosten voor het opvragen van medische informatie. Dit gedeelte van de vordering is immers voldoende onderbouwd en is niet betwist.

De benadeelde partij heeft verder een vergoeding gevorderd van € 3.977,02 aan zorgkosten, bestaande uit € 2.885,27 voor behandelingen door een psycholoog in de periode tot en met 31 december 2024, € 198,50 voor individuele therapie na 31 december 2024 en € 893,25 aan relatietherapie in 2024 en 2025. Het gevorderde bedrag ter hoogte van € 3.083,77 (€ 2.885,27 + € 198,50) voor individuele psychologische behandelingen is voldoende onderbouwd en is niet betwist. Het hof zal deze gevorderde zorgkosten daarom toewijzen. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor relatietherapie in 2024 en 2025 overweegt het hof echter het volgende.

In de gevorderde kosten voor relatietherapie, het huren van een parkeerplaats en de gemiste examens zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de benadeelde mede in het licht van de gemotiveerde betwisting onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de ontstane schade. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de stelling alsnog nader te onderbouwen, leidt tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom in dit gedeelte van de vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de benadeelde partij wel voldoende heeft onderbouwd dat zij door de bewezenverklaarde feiten geen gebruik heeft kunnen maken van de concertkaarten voor 23 juni 2022, kort na de bewezenverklaarde feiten. Uit de schriftelijke onderbouwing (een parkeerkaart voor 1 persoon) blijkt echter onvoldoende dat [benadeelde partij 2] de gestelde kosten (€ 160,00) heeft gemaakt. Het hof wijst daarom, gebruikmakend van de schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek, de vordering ten aanzien van de kosten voor concertkaarten toe tot een bedrag van € 50,00. Voor het overige (€ 110,00) zal de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Concluderend acht het hof de volgende materiële posten voor toewijzing vatbaar:

- Kosten inkomstenderving

€ 11.077,00

- Reiskosten

€ 937,20

- Ziektekosten

€ 3.083,77

- Kosten concerttickets

€ 50,00

- Kosten kleding

€ 250,00

- Kosten opvragen medische informatie

€ 91,78

Totaal

€ 15.489,75

De door [benadeelde partij 1] gevorderde materiële schade

Het hof zal de door [benadeelde partij 1] gevorderde kosten aan inkomstenderving, contributie voor zaalhockey en studievertraging toewijzen, nu dit deel van de vordering voldoende is onderbouwd en niet is betwist.

De benadeelde partij heeft verder een vergoeding gevorderd van € 842,24 aan zorgkosten, bestaande uit € 195,00 aan kosten voor fysiotherapie, € 262,24 aan kosten voor behandeling door een psycholoog en € 385,00 voor toekomstige zorgkosten. Door de benadeelde is voldoende onderbouwd dat zij deze schade als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte heeft geleden en de vordering is niet door de verdediging betwist. Het hof zal daarom ook de gevorderde zorgkosten ter hoogte van € 842,24 toewijzen.

In hoger beroep is voorts verzocht ambtshalve de in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat [benadeelde partij 1] naast de in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde € 385,00 aan toekomstige zorgkosten nog € 558,36 aan toekomstige zorgkosten heeft gehad, aangezien de toekomstige zorgkosten in 2024, 2025 en 2026 uiteindelijk € 943,36 bedroegen. Ten aanzien daarvan overweegt het hof het volgende.

Op grond van artikel 421, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in hoger beroep voegen. Volgens artikel 421, derde lid, van de Wetboek van Strafvordering kan de benadeelde partij, wanneer de gevorderde schadevergoeding in eerste aanleg niet is toegewezen, zich slechts in hoger beroep voegen binnen de grenzen van haar eerste vordering. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat door of namens de benadeelde partij de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep niet kan worden uitgebreid met schadeposten die niet reeds in eerste aanleg zijn opgevoerd (vgl. Hoge Raad 17 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0945). Blijkens de wetsgeschiedenis is van toekenning van deze bevoegdheid aan de benadeelde partij afgezien vanwege de nauwe relatie tussen het geding in eerste aanleg en de daarop volgende behandeling in hoger beroep. Bovendien zou een gevolg van toekenning van deze bevoegdheid aan de benadeelde partij zijn dat aan de verdachte een instantie wordt ontnomen (Kamerstukken II, 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 33).

Het voorgaande neemt niet weg dat de strafrechter ambtshalve, los van een door een benadeelde partij ingestelde vordering, de in artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde schadevergoedingsmaatregel kan opleggen, indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

Naar het oordeel van het hof impliceren de artikelen 421, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering echter dat de mogelijkheid om in hoger beroep over te gaan tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel die geen verband houdt met eerder in de strafprocedure gevorderde schade, dient te worden voorbehouden aan zeer uitzonderlijke gevallen waarin het slachtoffer zich niet in eerste aanleg in het geding heeft gevoegd. Daarbij kan worden gedacht aan een geval waarin sprake is van schade die in eerste aanleg in het geheel niet was te voorzien. In deze zaak is zo’n uitzonderlijk geval niet aan de orde.

Concluderend acht het hof de volgende materiële posten voor toewijzing vatbaar:

- Kosten inkomstenderving

€ 1.783,62

- Ziektekosten

€ 842,24

- Kosten contributie zaalhockey

€ 46,30

- Kosten studievertraging

€ 22.725,00

Totaal

€ 25.397,16

De door [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] gevorderde immateriële schade

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:

a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen;

b. lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze;

c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.

Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is sprake in geval van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, de persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat zowel de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als de benadeelde partij [benadeelde partij 1] door het bewezenverklaarde handelen van verdachte schade heeft geleden die binnen meerdere van de hiervoor genoemde categorieën van artikel 6:106 BW valt.

Allereerst hebben zij door de bewezenverklaarde feiten lichamelijk letsel opgelopen. [benadeelde partij 2] heeft lichamelijk letsel opgelopen in de zin van rode striemen op haar keel en schaafwonden op haar armen. [benadeelde partij 1] heeft letsel opgelopen aan haar schouders, elleboog, duim, hand en knie. Voor haar schouderklachten heeft [benadeelde partij 1] zich vijftien keer moeten laten behandelen door een fysiotherapeut.

Daarnaast is zowel bij [benadeelde partij 2] als bij [benadeelde partij 1] geestelijk letsel vastgesteld. Beide benadeelden zijn onder behandeling geweest bij een psycholoog en zijn gediagnostiseerd met Post Traumatische Stress Stoornis. Er is dan ook tevens sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

Dit is aan verdachte toe te rekenen. Het hof houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid acht het hof het gevorderde bedrag van € 5.000,00 zowel ten aanzien van [benadeelde partij 2] als ten aanzien van [benadeelde partij 1] toewijsbaar.

De wettelijke rente

Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over het toegewezen bedrag vanaf de dag dat de schade is ingetreden. Nu dit moment voor de opgevoerde schadeposten verschilt, zal het hof de wettelijke rente per schadepost vaststellen.

Ten aanzien van de aan [benadeelde partij 1] te betalen schade stelt het hof het volgende vast.

De aanvangsdatum van de verschuldigde wettelijke rente wordt voor de inkomstenderving (€ 1.783,62) bepaald op het midden van de periode waarin de schade is ontstaan, te weten 1 augustus 2022.

Voor de kosten van de eigen bijdrage voor behandeling door de fysiotherapeut (€ 195,00) wordt de wettelijke rente bepaald aan de hand van de datum van de betalingsherinnering, te weten 4 april 2023.

Ook voor de kosten voor contributie voor zaalhockey (€ 46,30) wordt de wettelijke rente bepaald op de datum van de factuur, te weten 4 april 2023.

Deze wordt voor de kosten van de eigen bijdrage voor behandeling door de psycholoog (€ 262,24) bepaald op de datum van het declaratieoverzicht, te weten 26 juli 2023.

Voor de in 2024 en 2025 gemaakte toekomstige zorgkosten wordt de wettelijke rente (€ 385,00) bepaald op het midden van de periode waarin de schade is ontstaan, te weten 1 januari 2025.

De wettelijke rente wordt voor de kosten van de studievertraging (€ 22.725,00) bepaald op het midden van de periode van het ontstaan van de schade, te weten 1 januari 2023.

Tot slot wordt de wettelijke rente voor de immateriële schade (€ 5.000,00) bepaald op 19 juni 2022.

Ten aanzien van de aan [benadeelde partij 2] te betalen schade stelt het hof het volgende vast.

De aanvangsdatum van de verschuldigde wettelijke rente wordt voor de inkomstenderving (€ 11.077,00) bepaald op het midden van de periode waarin de schade is ontstaan, te weten 1 januari 2024.

Voor de reiskosten (€ 937,20) wordt de wettelijke rente bepaald op het midden van de periode waarin de schade is ontstaan, te weten 1 september 2023.

Voor de ziektekosten van de psycholoog (€ 3.083,77) wordt de wettelijke rente eveneens bepaald op het midden in de periode waarin de schade is ontstaan, te weten 1 september 2023.

Deze wordt voor de kosten voor de kleding van [benadeelde partij 2] (€ 250,00) en de kosten voor de concertkaarten (€ 50,00) bepaald op 19 juni 2022.

Voor de kosten voor het opvragen van medische informatie (€ 91,78) wordt de wettelijke rente bepaald op de factuurdatum, te weten 23 maart 2023.

Tot slot wordt de wettelijke rente voor de immateriële schade (€ 5.000,00) bepaald op 19 juni 2022.

De schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof steeds de schadevergoedingsmaatregel op.

11
Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Voorwaardelijke invrijheidsstelling

Verdachte is bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 april 2010 onder parketnummer 22-001215-09 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren. In die zaak is verdachte op 4 januari 2018 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De resterende periode van de vrijheidsstraf waarover voorwaardelijke invrijheidsstelling is verleend, is 1.825 dagen.

De vordering van de officier van justitie van 26 juli 2022 met v.i. nummer 99/000115-25 strekt ertoe dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt herroepen voor een periode van 1.825 dagen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging zich, in lijn met de bepleite vrijspraak van feiten 1 en 5, op het standpunt gesteld dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden afgewezen, omdat verdachte al vier jaren in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering gedeeltelijk toe te wijzen, nu verdachte bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 22 april 2010 is veroordeeld voor moord en dit een feit van andere orde betreft dan de onderhavige feiten.

Oordeel van het hof

Het hof stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd verbonden aan de voorwaardelijke invrijheidstelling aan de in deze zaak bewezenverklaarde feiten schuldig heeft gemaakt en derhalve de algemene voorwaarde heeft overtreden. Volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, zoals de officier van justitie heeft gevorderd, is daarom passend. Bovendien gaat het bij het feit waarvoor verdachte in de voorwaardelijke invrijheidsstelling liep, net zoals bij de feiten in deze zaak, ook om (ernstig) geweld tegen een vrouw. In hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd ziet het hof dan ook geen aanleiding om de vordering niet of slechts gedeeltelijk te herroepen. Het hof zal de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling daarom toewijzen en gelasten dat verdachte de resterende 1.825 dagen gevangenisstraf alsnog moet ondergaan.

13
Wetsartikelen

De straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 38v, 38w, 38z, 45, 55, 57, 282, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 5 en 6 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 en 6 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3, 4 en 6 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 72 (tweeënzeventig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde:

voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum 2] , en [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedatum] ;

voor de duur van 5 jaren - zich niet zal ophouden in de stad [plaats] , met uitzondering van station [plaats] Centraal, binnen de toegangspoorten van het station en de perrons of in de trein.

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) maand voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 (zes) maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 30.397,16 (dertigduizend driehonderdzevenennegentig euro en zestien cent) bestaande uit € 25.397,16 (vijfentwintigduizend driehonderdzevenennegentig euro en zestien cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 30.397,16 (dertigduizend driehonderdzevenennegentig euro en zestien cent) bestaande uit € 25.397,16 (vijfentwintigduizend driehonderdzevenennegentig euro en zestien cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 159 (honderdnegenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

1 augustus 2022 over een bedrag van € 1.783,62;

1 januari 2023 over een bedrag van € 22.725,00;

4 april 2023 over een bedrag van € 241,30;

26 juli 2023 over een bedrag van € 262,24;

1 januari 2025 over een bedrag van € 385,00;

en van de immateriële schade op 19 juni 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.489,75 (twintigduizend vierhonderdnegenentachtig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 15.489,75 (vijftienduizend vierhonderdnegenentachtig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.489,75 (twintigduizend vierhonderdnegenentachtig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 15.489,75 (vijftienduizend vierhonderdnegenentachtig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 126 (honderdzesentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

19 juni 2022 over een bedrag van € 300,00;

23 maart 2023 over een bedrag van € 91,78;

1 september 2023 over een bedrag van € 4.020,97;

1 januari 2024 over een bedrag van € 11.077,00;

en van de immateriële schade op 19 juni 2022.

Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 99-000115-25 toe en gelast dat het gedeelte van de bij arrest van Gerechtshof Amsterdam van 22 oktober 2010 onder parketnummer 23-001215-09 opgelegde vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel wordt ondergaan, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 1.825 dagen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Steenbrink, mr. N.I.S. Boers en mr. I.C.E. Draisma, in aanwezigheid van de griffiers mr. P.T. Vissers en mr. A. Lentjes is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 16 juni 2026.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 16 juni 2026.

Tegenwoordig:

mr. J. Steenbrink, voorzitter,

mr. M. Klappe, advocaat-generaal,

mr. P.T. Vissers en mr. A.M. Lentjes, griffiers.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

De voorzitter geeft verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffiers is vastgesteld en ondertekend.

Voetnoot

Voetnoot 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van politie Eenheid [locatie] , [team] , met nummer MDRBC22076 (onderzoek ZZ03Ridder) van 28 juni 2022, doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 253. Tenzij hieronder anders vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Voetnoot 2

Pagina 132.

Voetnoot 3

Pagina 133.

Voetnoot 4

Pagina 134.

Voetnoot 5

Pagina’s 137 en 138.

Voetnoot 6

Pagina 144.

Voetnoot 7

Pagina 145.

Voetnoot 8

Pagina 148.

Voetnoot 9

Pagina 147.

Voetnoot 10

Pagina 148.

Voetnoot 11

Pagina 149.

Voetnoot 12

Pagina 74.

Voetnoot 13

Pagina 82.

Voetnoot 14

Pagina 83.

Voetnoot 15

Pagina 80.

Voetnoot 16

Pagina 82.

Voetnoot 17

Pagina 93.

Voetnoot 18

Pagina 94.

Voetnoot 19

Het geschrift, te weten een brief van de Spoedeisende Hulp, pagina 89.

Voetnoot 20

Het geschrift, te weten een brief van de Spoedeisende Hulp, pagina 90.

Voetnoot 21

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 2 juni 2026.

Voetnoot 22

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij € 20.701,00 aan materiële schade gevorderd, maar het hof gaat ervan uit dat is bedoeld een bedrag ter hoogte van € 20.751,00 aan materiële schade te vorderen. Het totaal van de in de toelichting genoemde posten die volgens de advocaat moeten worden toegewezen komt immers neer op € 20.751,00.