Bewijsoverwegingen
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde kan worden bewezen, te weten:
1. primair: doodslag;
2. primair: mishandeling met voorbedachte raad;
3. primair: poging tot doodslag.
Hiertoe is – samengevat – aangevoerd dat op de camerabeelden duidelijk is te zien dat verdachte opzettelijk heeft geschoten op [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). Daarbij heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat ook anderen getroffen zouden worden, omdat het café vol stond met mensen.
Verdachte heeft dan ook voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [benadeelde partij 9] (hierna: [benadeelde partij 9] ). De mishandeling met voorbedachte raad van [benadeelde partij 8] (hierna: [benadeelde partij 8] ) kan worden bewezen op grond van de verklaringen van [getuige 1] en de camerabeelden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor het onder 1 en 3 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is – samengevat – aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de dood of het veroorzaken van enig letsel bij [slachtoffer] of [benadeelde partij 9] .
Verdachte heeft de trekker van het wapen niet bewust overgehaald. De conclusies van de NFI-deskundige sluiten volgens de raadsman een schot zonder dat de trekker is aangeraakt niet uit. Het is niet duidelijk geworden met welk soort vuurwapen verdachte heeft geschoten en daarom dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid dat verdachte de trekker niet heeft aangeraakt.
De raadsman heeft aangevoerd dat ook wanneer het hof van oordeel zou zijn dat verdachte de trekker heeft overgehaald, niet vastgesteld kan worden dat verdachte dat opzettelijk heeft gedaan. Het is mogelijk dat verdachte ongewild de trekker heeft overgehaald. Verdachte bevond zich in een drukbezocht café en hij is voorafgaand aan het schot vastgepakt, in een wurgreep tegen het raam gedrukt en geschopt en geslagen. Het is aannemelijk dat verdachte in die situatie een reflexschot, klungelschot of worstelschot heeft gelost. Daarbij heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte zich ten tijde van het schot in een noodweersituatie bevond.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde ‘voorbedachte raad’.
Op de avond van 9 oktober 2021 vindt een feest plaats in café De Plak aan de [straat] in [plaats] . (Voetnoot 2) Daar zijn ongeveer 30 á 40 personen aanwezig, waaronder [slachtoffer] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 8] , [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ). (Voetnoot 3)
Omstreeks 19:36 uur komt verdachte vanuit de [straat] het café binnenlopen. Verdachte staat stil en hij kijkt naar links en naar rechts. Vervolgens loopt hij verder het café in en begroet hij [naam 1] . (Voetnoot 4) Daarna duwt hij [naam 1] weg en haalt hij uit naar [benadeelde partij 8] met zijn rechtervuist. Verdachte raakt [benadeelde partij 8] in het gezicht op zijn rechteroogkas waarop [benadeelde partij 8] achterover valt tegen de muur. [benadeelde partij 8] heeft daarna een bebloed gezicht. (Voetnoot 5) De huid bij de buitenste ooghoek van [benadeelde partij 8] moet nadien worden gehecht. (Voetnoot 6) Verdachte wordt naar achteren getrokken en [getuige 2] duwt verdachte tegen het raam. (Voetnoot 7) [getuige 2] heeft daarover verklaard dat hij verdachte heeft vastgepakt om de ruzie met [benadeelde partij 8] te stoppen. (Voetnoot 8) In de tussentijd, vóór verdachte tegen het raam wordt geduwd, heeft verdachte een vuurwapen uit zijn rechterbroekzak gepakt en doorgeladen. (Voetnoot 9) Twee personen staan om verdachte heen en praten tegen hem. Enkele seconden later komt [slachtoffer] richting verdachte gelopen. Hij staat op ongeveer één meter afstand van verdachte en achter [slachtoffer] staat [benadeelde partij 9] . [slachtoffer] wijst met zijn linker wijsvinger naar verdachte en vervolgens naar zichzelf. Verdachte kijkt in de richting van [slachtoffer] . Verdachte doet plotseling zijn rechterarm omhoog, waarbij hij een zwart vuurwapen vasthoudt. Hij wijst met dat vuurwapen in de richting van [slachtoffer] en het vuurwapen gaat af. (Voetnoot 10) [slachtoffer] schuilt vervolgens achter een statafel. Verdachte verlaat het café. [slachtoffer] valt naar de grond. (Voetnoot 11) [slachtoffer] is kort na het arriveren van de hulpdiensten als gevolg van het schietincident overleden aan één doorschot door de romp, waarbij het hart en de longen zijn geperforeerd. (Voetnoot 12) [benadeelde partij 9] heeft het schot gehoord. Buiten voelt zij over haar borst en ziet dan dat zij is geraakt. De kogel is later operatief uit haar lichaam verwijderd. (Voetnoot 13) De kogel is bij haar linkerborst het lichaam ingegaan. De kogel is blijven steken aan de achterzijde van de linkerkant van haar borstkas. Daarbij heeft zij een gebroken rib en een klaplong opgelopen. (Voetnoot 14)
Ten aanzien van het vuurwapen heeft verdachte verklaard dat hij een wapen heeft gekocht met een magazijn met patronen. Hij heeft het vuurwapen gekregen met de kogels er in. (Voetnoot 15)
Het vuurwapen waarmee verdachte heeft geschoten, is niet aangetroffen. In het café is een huls veiliggesteld. (Voetnoot 16) Tevens is de kogel die operatief uit het lichaam van [benadeelde partij 9] is verwijderd, veiliggesteld. (Voetnoot 17)
Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) volgt dat de gevonden huls en kogel passen bij een origineel, niet omgebouwd of aangepast, vuurwapen van het merk Glock. Het afvuurmechanisme van een Glock-pistool heeft een ‘safe action’ constructie die bestaat uit drie beveiligingen die passief, automatisch en onafhankelijk van elkaar werken. Door het overhalen van de trekker worden alle drie de beveiligingen achtereenvolgens uitgeschakeld en automatisch weer ingeschakeld wanneer de trekker wordt losgelaten. Door deze constructie kan alleen een schot worden gelost áls de trekker wordt ingedrukt. Een krachtuitoefening op andere onderdelen van een Glock-pistool zal niet (zomaar) leiden tot onbedoelde schoten. De kans op een onbedoeld schot met een origineel Glock-pistool, zonder dat de trekker wordt ingedrukt, wordt daarom zeer klein geschat. Gezien de constructie van Glock-pistolen zullen eventuele mankementen eerder leiden tot afvuurstoringen dan tot onbedoelde schoten. (Voetnoot 18)
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de mishandeling van [benadeelde partij 8] (het slaan tegen diens hoofd) wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde ‘voorbedachte raad’. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
[getuige 1] heeft verklaard dat verdachte hem voorafgaand aan het bezoek aan café De Plak heeft verteld over een conflict met iemand en dat hij die avond naar die persoon toe wilde gaan in café De Plak . Uit het dossier blijkt afdoende dat door verdachte gedoeld werd op [benadeelde partij 8] . Hoewel het hof de verklaringen van [getuige 1] betrouwbaar acht, zijn deze verklaringen niet voldoende om tot een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ te komen. Uit de verklaringen van [getuige 1] volgt niet dat verdachte van plan was [benadeelde partij 8] in het gezicht te slaan of op enige andere wijze te mishandelen. De voorbedachte raad is evenmin af te leiden uit de wijze waarop verdachte naar het café toe loopt en vervolgens het café binnenkomt.
Het hof heeft op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet kunnen vaststellen dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op zijn genomen besluit om [benadeelde partij 8] in het gezicht te slaan. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onderdeel ‘voorbedachte raad’.
Feit 1, primair en feit 3 primair
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op 9 oktober 2021 een geladen vuurwapen heeft meegenomen naar een vol café, in het café het vuurwapen heeft gepakt en heeft doorgeladen. Het doorladen van een vuurwapen is het schietklaar maken van het vuurwapen. Verdachte heeft vervolgens actief zijn arm met het wapen omhoog gebracht en gericht op [slachtoffer] , die relatief dichtbij stond en tegen verdachte aan het praten was. Vervolgens lost verdachte meteen één schot. Verdachte keek op dat moment ook in de richting van [slachtoffer] . [slachtoffer] is door dit schot overleden en [benadeelde partij 9] , die vlak achter [slachtoffer] stond, is met dezelfde kogel in haar linkerborst geraakt. Als iemand op een dergelijke korte afstand met een vuurwapen schiet op borsthoogte, dan is diens handelen naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood (in dit geval: van [slachtoffer] ), dat (vol) opzet op de dood moet worden aangenomen. Als iemand dit doet in een vol café dan neemt diegene daarnaast bewust het risico dat ook anderen worden geraakt en daarbij levensgevaarlijk gewond raken, zoals in dit geval [benadeelde partij 9] . Er is in dat geval ten aanzien van omstanders, in dit geval [benadeelde partij 9] , op zijn minst sprake van voorwaardelijk opzet. Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte bij zijn handelen het opzet had op de dood van zowel [slachtoffer] als [benadeelde partij 9] .
Verweren van de verdediging
De verdediging heeft gesteld dat niet afdoende kan worden uitgesloten dat het wapen zonder aanraking van de trekker een schot heeft gelost, dan wel dat het schot is gelost, omdat sprake was van een reflexschot, klungelschot of worstelschot.
Is de trekker overgehaald?
Met de rechtbank stelt het hof voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat een doorgeladen vuurwapen in beginsel alleen een schot kan lossen als de trekker wordt overgehaald. Dit volgt ook uit de rapport van het NFI. Gelet op de onderzoeksbevindingen aan de aangetroffen huls en kogel stelt het hof vast dat de kogel is afgeschoten met een niet omgebouwd of aangepast (semiautomatisch) vuurwapen. De kans dat met een dergelijk wapen een schot wordt gelost zonder de trekker aan te raken is zeer klein. Als de verdediging stelt dat het schot desondanks is gelost zonder dat verdachte de trekker heeft overgehaald, dient zij concrete feiten en omstandigheden aan te dragen waardoor het aannemelijk wordt dat er in dit concrete geval sprake kan zijn van een gelost schot zonder dat de trekker is aangeraakt. Deze concrete feiten en omstandigheden zijn, anders dan bij wijze van blote stelling, niet aangevoerd, noch is hiervan uit het dossier gebleken. Het hof verwerpt het verweer.
Is sprake van een ongewild schot?
De verdediging heeft gesteld dat sprake kan zijn geweest van een ongewild schot. Ter onderbouwing van dit alternatieve scenario heeft de verdediging onder andere aangevoerd dat verdachte geen kennis van of ervaring heeft met vuurwapens en het wapen na het verkrijgen niet heeft gecontroleerd. Daarnaast had verdachte lichamelijke beperkingen. Zijn schouder was al eerder uit de kom gegaan en zijn rechterhand was gekneusd vanwege het slaan van [benadeelde partij 8] kort ervoor. Bovendien werd op het moment van het schot aan hem getrokken door derden. Die omstandigheden maken het volgens de verdediging, onder verwijzing naar publicaties over ongewild politiegeweld, aannemelijk dat sprake is geweest van een klungelschot, reflexschot of worstelschot. De raadsman heeft in dat verband nog gewezen op een (niet onherroepelijk) vonnis van de rechtbank Midden-Nederland waarin een politieagent werd vrijgesproken na een reflexschot. Het hof is van oordeel dat die zaak onvergelijkbaar is met de onderhavige zaak. Zo is een politieagent, anders dan verdachte, onder meer gerechtigd om in voorkomend geval een vuurwapen ter hand te nemen.
Het hof begrijpt dat met een klungelschot wordt gedoeld op de situatie dat het vuurwapen onbedoeld afgaat door het onhandig hanteren ervan. Het hof leidt uit de verklaring van verdachte af dat verdachte gedurende twee weken voorafgaand aan het incident het wapen bij zich heeft gedragen, zodanig dat hij naar eigen zeggen niet eens meer merkte dat hij het wapen bij zich droeg. In het café heeft verdachte binnen enkele seconden zijn wapen gepakt en in één beweging doorgeladen.
De voornoemde feiten en omstandigheden passen naar het oordeel van het hof meer bij juist een goede wapenhantering dan bij iemand die nooit eerder een vuurwapen heeft gehanteerd of geen kennis had van dat specifieke vuurwapen.
Ook is het hof niet gebleken dat verdachte onbedoeld heeft geschoten als gevolg van een ongecontroleerde spierreflex, ook wel een reflexschot genoemd, of dat verdachte onbedoeld heeft geschoten omdat hij tijdens het schot werd gewurgd, geschopt en geslagen, ook wel een worstelschot genoemd. Beide verweren worden weerlegd door de camerabeelden waarop duidelijk is te zien dat verdachte niet wordt gewurgd, geschopt en/of geslagen. Evenmin is op een andere manier sprake van een worsteling op het moment dat hij het wapen pakt en richt op [slachtoffer] . Op het moment dat [slachtoffer] en [benadeelde partij 9] aan komen lopen wordt verdachte weliswaar door anderen vastgehouden en tegen de ruit gehouden, maar heeft verdachte zijn rechterhand, waarin hij het vuurwapen heeft, vrij en kan hij deze zonder enige beperking bewegen. Hij brengt zijn hand omhoog en houdt het vuurwapen ter hoogte van het bovenlichaam van [slachtoffer] en lost een schot. De door de verdediging gestelde gekneusde rechterhand en de problemen met de schouder hebben verdachte niet belemmerd om het wapen omhoog te brengen en te houden.
Op zich is op de beelden te zien dat het schot afgaat op het moment dat verdachte zijn rechterarm nog niet helemaal heeft gestrekt. Anders dan de verdediging heeft gesteld, kan hieruit echter niet worden afgeleid dat het schot voortijdig afging en verdachte niet op [slachtoffer] wilde richten. Immers, op het moment dat verdachte zijn arm wel helemaal gestrekt heeft, is het wapen nog steeds op borsthoogte op [slachtoffer] gericht. Na het schot is bij verdachte geen schrikreactie te zien. Integendeel, verdachte maakt erna met het wapen nog een keer een beweging waarbij de loop horizontaal is gericht op borsthoogte van omstanders.
Het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario dat het schot onbedoeld is gelost, is op geen enkele manier aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het verweer.
Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij met het wapen slechts wilde dreigen. Zoals hiervoor is beschreven, is het doorladen van een vuurwapen het schietklaar maken van dat wapen. Voor het enkel willen dreigen met het wapen is het doorladen ervan niet nodig. Zelfs indien sprake zou zijn geweest van een ongewild schot, leidt dit, zoals hiervoor is weergegeven, er onder de gegeven omstandigheden niet toe, dat van opzet op de dood geen sprake kan zijn en alleen sprake zou kunnen zijn van (de opzet op) bedreiging.
Vorderingen van de benadeelde partijen
[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 7] , [benadeelde partij 8] en [benadeelde partij 9] hebben zich elk als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 1]
, partner van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 522.788,87 vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit de volgende posten:
Materiële schade
Kosten van de lijkbezorging
€ 1.187,87
Gederfd levensonderhoud
€ 476.601,-
Totaal materieel
€ 477.788,87
Immateriële schade
Shockschade
€ 25.000,-
Affectieschade
€ 20.000,-
Totaal immaterieel
€ 45.000,-
Proceskosten
€ 3.025,-
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 515.813,87.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag, met uitzondering van de vordering met betrekking tot het gederfd levensonderhoud. Deze vordering is verlaagd naar € 398.260,-.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2]
, dochter van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 33.632,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit de volgende posten.
Materiële schade
Gederfd levensonderhoud
€ 13.632,-
Immateriële schade
Affectieschade
€ 20.000,-
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 33.632,-.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag, met uitzondering van de vordering met betrekking tot het gederfd levensonderhoud. Deze vordering is verlaagd naar € 12.808,-.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 3]
, dochter van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 33.632,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit de volgende posten.
Materiële schade
Gederfd levensonderhoud
€ 20.857,-
Immateriële schade
Affectieschade
€ 20.000,-
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 40.857,-.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het oorspronkelijke bedrag, met uitzondering van de vordering met betrekking tot het gederfd levensonderhoud. Deze vordering is verlaagd naar € 20.080,-.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 4]
, vader van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 42.500,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade, waarbij € 25.000,- is gevorderd aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 32.500,-.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 5]
, moeder van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 42.500,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade, waarbij € 25.000,- is gevorderd aan shockschade en € 17.500,- aan affectieschade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 32.500,-.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 6]
, zus van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 25.000,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd.
Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade, waarbij € 25.000,- is gevorderd aan shockschade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 7]
, zus van [slachtoffer] , heeft in eerste aanleg een bedrag van € 25.000,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade, waarbij € 25.000,- is gevorderd aan shockschade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,-.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 8]
heeft in eerste aanleg een bedrag van € 2.500,- vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, gevorderd. Deze vordering is opgebouwd uit immateriële schade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 650,-.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 9]
heeft in eerste aanleg een bedrag van € 33.850,05 vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoeding, gevorderd.
Materiële schade
Eigen risico 2021
€ 105,89
Eigen risico 2022
€ 111,56
Eigen risico 2023
€ 277,60
Kosten hersteloperatie plastisch chirurg (2 nota’s)
€ 4.982,-
Facturen fysiotherapeut
€ 235,50
Toekomstige behandelingen
€ 2.000,-
Ziekenhuisdaggeldvergoeding
€ 140,-
Declaratie huisarts (informatieverstrekking)
€ 47,79
Factuur Diakonessenhuis (informatieverstrekking)
€ 102,95
Beveiligingsinstallatie
€ 5.846,76
Totaal materiële schade
€ 13.850,05
Immateriële schade
Het fysieke letsel en psychische letsel
€ 20.000,-
Totaal immateriële schade:
€ 20.000,-
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 26.003,29.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. De post ‘toekomstige behandelingen’ is in hoger beroep ingetrokken. Het hof hoeft daarop geen beslissing meer te nemen. De vordering is verlaagd naar een totaalbedrag van € 31.850,05.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, met uitzondering van de vordering van [benadeelde partij 9] die ziet op toekomstige schade, alle vorderingen integraal kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak heeft de raadsman het hof primair verzocht alle benadeelde partijen met uitzondering van [benadeelde partij 8] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.
Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] , heeft de raadsman subsidiair het volgende naar voren gebracht.
Kosten lijkbezorging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze post kan worden toegewezen.
Gederfd levensonderhoud
De raadsman heeft verzocht [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen voor zover deze zien op gederfd levensonderhoud. Hij heeft daartoe aangevoerd dat bij een behandeling van de vorderingen ten aanzien van gederfd levensonderhoud in het strafproces de equality of arms onvoldoende kan worden gewaarborgd en dat dit deel van de vorderingen, evenals de daartoe opgestelde rapporten en de berekeningen die daaraan ten grondslag liggen, zo onduidelijk zijn dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de vorderingen in zoverre integraal naar de burgerlijke rechter dienen te worden verwezen. De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat in de rapporten onder andere geen rekening is gehouden met minderjarige kinderen die op enig moment uit huis gaan of een bijbaan krijgen. Daarnaast gaan de rapporten er volgens de raadsman vanuit dat [slachtoffer] de leeftijd van honderd jaar zou bereiken. Hoewel dit niet valt uit te sluiten, acht de raadsman dit niet waarschijnlijk. Toewijzing van de vorderingen ten aanzien van gederfd levensonderhoud in de strafzaak zou in strijd zijn met een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Affectieschade
Voor wat betreft de gevorderde affectieschade heeft de raadsman verzocht deze toe te wijzen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.
Shockschade
De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde shockschade aangevoerd dat deze ten aanzien van [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd, dan wel dient te worden gematigd, omdat het beschikken over het strafdossier en de beelden van het café niet een noodzakelijk gevolg zijn van het handelen van verdachte, dan wel matiging moet plaatsvinden in verband met de toewijzing van de gevorderde affectieschade.
Ten aanzien van de vorderingen shockschade van [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] , [benadeelde partij 6] en [benadeelde partij 7] heeft de raadsman naar voren gebracht dat de confrontatie met het dossier en de beelden ook hier niet mag bijdragen aan de beoordeling of sprake is van shockschade. Ditzelfde geldt ook voor het zien van het lichaam van [slachtoffer] in het mortuarium.
Het was niet noodzakelijk dat iedereen van de familie het lichaam ging identificeren. Ook dient, evenals de rechtbank heeft gedaan, bij de bepaling van de shockschade de band met het slachtoffer medebepalend te zijn voor de hoogte van het toe te kennen schadebedrag.
Vordering [benadeelde partij 8]
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] heeft de raadsman subsidiair verzocht het bedrag van € 650,- dat de rechtbank heeft toegewezen te matigen en te beperken tot het lagere standaardbedrag bij mishandeling. De eventuele gevolgen voor [benadeelde partij 8] door het overlijden van [slachtoffer] mogen niet meegewogen worden.
Vordering [benadeelde partij 9]
De raadsman heeft ten aanzien van [benadeelde partij 9] subsidiair aangevoerd dat het de vraag is of de hersteloperatie aan de borstprothese en de aanschaf van een beveiligingsinstallatie kunnen worden beschouwd als rechtstreekse schade. Voor de overige gevorderde materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voor wat betreft de immateriële schade heeft de raadsman verzocht de vordering van € 20.000,- te matigen.
Overwegingen met betrekking tot shockschade en affectieschade
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen. Waar in het navolgende citaat rechtbank staat moet hof worden gelezen.
“De vorderingen tot vergoeding van immateriële schade is bij een deel van de benadeelde
partijen mede gebaseerd op zogenoemde shockschade. De wet (artikelen 6:107, 107a en 108
BW) regelt de vergoeding van schade die derden lijden door kwetsing of overlijden van een
naaste limitatief en exclusief. Dat stelsel laat in beginsel niet toe dat derden buiten dat stelsel op grond van een eigen vordering uit onrechtmatige daad vergoeding vorderen van niet in die artikelen genoemde schade die het gevolg is van kwetsing of overlijden van een naaste. Een uitzondering daarop is echter schade ontstaan door waarneming van of confrontatie met een schokkende gebeurtenis. Dat biedt onder omstandigheden een zelfstandige (dus niet van aansprakelijkheid jegens de primair gekwetste afgeleide) aanspraak op schadevergoeding. Dit soort aanspraken wordt doorgaans aangeduid met de term shockschade. Voor een dergelijke aanspraak is nodig dat is voldaan aan het door de Hoge Raad geformuleerde samenstel van eisen: (a) er moet sprake zijn van schending van een verkeers- of veiligheidsnorm of een strafbaar feit, (b) van letsel of overlijden van een ander, (c) van waarneming van het ongeval of het tenlastegelegde of directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan en ten slotte (d) moet sprake zijn een hevige emotionele schok en geestelijk letsel. De geschrokkene hoeft niet aanwezig te zijn geweest bij de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust (in dit geval de doodslag op [slachtoffer] ); onder omstandigheden is (in de woorden van de Hoge Raad) ook “directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan” voldoende voor het vestigen van een aanspraak op schadevergoeding: “Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden,” De benadeelde partij die zich beroept op het ontstaan van geestelijk letsel, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat uit zo'n confrontatie psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Op grond van artikel 6:108, derde lid BW hebben nabestaanden sinds 1 januari 2019 ook recht op vergoeding van affectieschade, oftewel schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een onrechtmatige daad. Hoewel de rechtsgrondslag voor de gevorderde affectieschade en shockschade dus verschilt, bestaat de schade voor beide in onderhavige zaak alleen uit immateriële schade in de vorm van geestelijk letsel. Er is daarmee sprake van samenloop. Uit de (feiten)rechtspraak volgt dat het de taak van de rechtbank is om de shockschade naar billijkheid vast te stellen, en zij daarbij vanwege die samenloop rekening mag houden met het wettelijke genormeerde bedrag aan affectieschade. In deze zaak zal de rechtbank de toegewezen affectieschade enigszins matigend laten werken op de vaststelling van de hoogte van de shockschade.”
Het hof stelt vast dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] ,
[benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] tot de in artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) genoemde kring van gerechtigden behoren. Zij hebben bij hun vorderingen aansluiting gezocht bij de in het Besluit vergoeding affectieschade vermelde bedragen. De vorderingen zijn op dit punt niet door de verdediging betwist. Gelet op het voorgaande zal het hof de vorderingen in zoverre toewijzen.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de band tussen de benadeelde partij en het slachtoffer niet van invloed is op de bepaling van de hoogte van de shockschade. Indien is vastgesteld dat sprake is van shockschade zal de aard en ernst van het geestelijk letsel bij de benadeelde partij de hoogte van de shockschade bepalen. Bij shockschade gelden de algemene regels voor de vaststelling van de hoogte van immateriële schadevergoeding, anders dan bij affectieschade waarbij forfaitaire bedragen worden gehanteerd. Het hof zal de Rotterdamse schaal als uitgangspunt nemen bij het bepalen van de hoogte van de shockschade.
Het hof ziet aanleiding om bij de vorderingen van de benadeelde partijen waarin zowel shockschade als affectieschade wordt toegewezen, de shockschade met € 5.000,- te verminderen.
Overwegingen met betrekking tot de vorderingen gederfd levensonderhoud
Op grond van het bepaalde in artikel 6:108, eerste lid, aanhef en onder a en c BW kunnen – kort gezegd en voor zover hier van belang – de echtgenote, minderjarige kinderen en thuiswonende kinderen in wier levensonderhoud een slachtoffer dat als gevolg van een strafbaar feit is overleden voorziet, aanspraak maken op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud. Nu vast staat dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, is verdachte gehouden de door [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] geleden en nog te lijden schade door gederfd levensonderhoud aan hen te vergoeden. Dit uitgangspunt wordt door de verdediging ook niet betwist; de verweren zien enkel op de vaststelling en de hoogte van de in dit verband gevorderde schade.
In verband met die verweren overweegt het hof als volgt. De begroting van de hoogte van een vergoeding voor gederfd levensonderhoud zal altijd moeten plaatsvinden aan de hand van een aantal onzekere factoren, waaronder de verwachtingen omtrent het inkomen dat het slachtoffer en de nabestaande(n) in de toekomst zouden hebben genoten als het strafbare feit niet had plaatsgevonden en de verwachtingen omtrent de toekomstige inkomsten van de nabestaande(n) in de door dit feit veroorzaakte situatie (vgl. HR 21 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:104).
Het staat de rechter vrij om toekomstige schade te kapitaliseren in een bedrag ineens. Ook bij een dergelijke wijze van begroting blijft evenwel uitgangspunt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade behoort te worden begroot (vgl. HR 30 november 2007, NJ 2021/613).
In zijn arrest van 23 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:646) heeft de Hoge Raad een beoordelingskader bepaald voor vorderingen ten aanzien van gederfd levensonderhoud die in een strafzaak worden ingediend. De Hoge Raad heeft onder meer overwogen dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken. Dit brengt mee dat de strafrechter zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen. Deze eerder genoemde verwachtingen over de toekomst zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van informatie die zich doorgaans in het domein van de benadeelde partij bevindt, waardoor het voor de verdediging moeilijk is de betwisting inhoudelijk te onderbouwen. Veelal is er evenmin ruimte voor de verdediging om gespecialiseerde gefinancierde rechtsbijstand in te schakelen. Tot slot is er binnen het strafrecht veelal geen ruimte om na afronding van het onderzoek ter terechtzitting naar de tenlastegelegde feiten de einduitspraak op te schorten voor nadere onderbouwing van de vordering benadeelde partij of het verweer daarop, dan wel voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige. Het strafproces zou daar veelal onevenredig mee belast worden. Nu het bij vorderingen gederfd levensonderhoud veelal gaat om zeer hoge bedragen, dient de strafrechter rekening te houden met de hiervoor genoemde bijzonderheden van het partijdebat. De strafrechter dient te beoordelen of beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan de zijde van de verdachte niet zo is, of het eigen onderzoek van de rechter naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor voldoende compensatie biedt. Het staat de strafrechter vrij om een gedeeltelijke inhoudelijke beslissing te nemen en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. De strafrechter kan bij een gedeeltelijke toewijzing dit niet doen in de vorm van een voorschot (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.8.4.).
Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier zonder meer kan worden vastgesteld dat [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] schade in de vorm van gederfd levensonderhoud hebben geleden en verdachte gehouden is deze schade te vergoeden. Afdoende is komen vast te staan (en ook niet betwist door de verdediging) dat [slachtoffer] bij leven verantwoordelijk was voor het gezinsinkomen. Door zijn overlijden is dit gezinsinkomen komen te vervallen. Het gezin is nu aangewezen op een bijstandsuitkering. De benadeelde partijen hebben ter onderbouwing van hun vordering een rapport van [expertisebureau] overgelegd. Het hof is van oordeel dat een aantal belangrijke door [expertisebureau] gehanteerde uitgangspunten, zoals het inkomen van [slachtoffer] in de situatie zonder overlijden, het hanteren van de peildatum van 1 januari 2027 als kapitalisatiedatum en de inkomensverschillen voor het gezin zonder en met overlijden niet onredelijk zijn en dat een eventuele onjuistheid in die uitgangspunten slechts in beperkte mate effect heeft voor de berekening van de hoogte van de schade.
Het hof overweegt daarnaast dat ten aanzien van een aantal (andere) uitgangspunten die aan de berekeningen van [expertisebureau] en daarmee aan de vorderingen ten aanzien van het gederfd levensonderhoud ten grondslag liggen, gezien de betwisting door de verdediging, een nadere onderbouwing en/of nader onderzoek noodzakelijk is.
Dit geldt bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag of de kinderen na hun 18de verjaardag voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 1:359a BW, de levensverwachting van [slachtoffer] indien hij niet zou zijn overleden en de situatie van zijn partner, benadeelde [benadeelde partij 1] , bijvoorbeeld ten aanzien van het vinden van betaald werk. Naar het oordeel van het hof zou het een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren als in deze procedure de gelegenheid zou worden geboden voor het inbrengen van nadere onderbouwingen en/of het doen van nader onderzoek.
Dit alles maakt dat het hof de vordering gederfd levensonderhoud van [benadeelde partij 1] slechts voor een gedeelte zal toewijzen waarbij het hof de eerste tien jaar na datum overlijden als uitgangspunt neemt. Nu hierin de fiscale component een onzekere factor is, zal het totaalbedrag naar beneden worden afgerond. Ten aanzien van de vordering gederfd levensonderhoud van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zal het bedrag tot het jaar waarin zij achttien jaar oud worden als uitgangpunt worden genomen, met dien verstande dat vanwege de onzekerheid in de fiscale component ook hier het bedrag naar beneden zal worden afgerond. Aan de schadevergoedingen die aan [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zullen worden toegewezen, zal het hof een zogenaamde BEM-clausule koppelen.
Vordering [benadeelde partij 1]
Kosten lijkbezorging
Op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering jo. artikel 6:108 BW kan degene die de kosten van een uitvaart heeft betaald voor een slachtoffer dat als gevolg van een strafbaar feit is overleden, een vordering indienen om die kosten op de verdachte in het strafproces te verhalen. De verdediging heeft de kosten van de lijkbezorging niet betwist. Het hof is van oordeel dat de gevorderde uitvaartkosten ter hoogte van € 1.187,87 voldoende zijn onderbouwd en zal deze daarom toewijzen.
Gederfd levensonderhoud
Gelet op het bovenstaande, bepaalt het hof de schade van [benadeelde partij 1] wegens gederfd levensonderhoud die in ieder geval voor vergoeding in aanmerking komt op een bedrag van € 95.000,-. Dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Affectieschade
Als partner komt aan [benadeelde partij 1] een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.
Shockschade
[benadeelde partij 1] heeft de vordering shockschade onderbouwd met medische stukken van haar huisarts. Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij naast het verdriet over het verlies van haar partner geestelijk letsel heeft opgelopen door de directe confrontatie met zijn lichaam kort na het delict en daarmee door de gevolgen van het delict. Er is bij haar PTSS vastgesteld. Het hof neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 5.500,- tot
€ 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgesteld letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt.
Het hof acht een bedrag van € 20.000,- billijk, met dien verstande dat dit bedrag met € 5.000,- zal worden verminderd vanwege de samenloop met de shockschade. Uiteindelijk zal het hof een bedrag van € 15.000,- toewijzen. Voor het overige zal het hof de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Wettelijke rente
De ingangsdatum van de wettelijke rente voor de verschillende toegewezen posten bepaalt het hof op de volgende data:
16 november 2021 voor de kosten lijkbezorging,
1 januari 2027 voor het gederfd levensonderhoud en
11 februari 2026 voor de shockschade en de affectieschade.
Proceskostenvergoeding
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert vergoeding van de kosten die zijn gemaakt om een zich als benadeelde partij in het strafproces te kunnen voegen en vervolgens daadwerkelijk schadevergoeding te krijgen. Het gaat hierbij om de kosten van de factuur van [expertisebureau] ten behoeve van het opmaken en de rapportage vaststelling van de gederfde inkomsten van 6 juli 2022, te weten € 1.815,00 en de factuur van [expertisebureau] ten behoeve van het door de deskundige bijwonen van de zittingsdagen in eerste aanleg, van 14 september 2022, te weten € 1.210,00.
Het hof zal de kosten ten behoeve van het opmaken van de rapportage vaststelling van de gederfde inkomsten, te weten € 1.815,00, toewijzen. De kosten gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de zittingsdagen in eerste aanleg, komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de deskundige niet is opgeroepen door de rechtbank of de officier van justitie. De benadeelde partij zal ten aanzien van dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat die schade nog slechts bij de burgerlijke rechter kan worden gevorderd.
Vordering [benadeelde partij 2]
Gederfd levensonderhoud
Gelet op het bovenstaande, bepaalt het hof de schade van [benadeelde partij 2] wegens gederfd levensonderhoud die in ieder geval voor vergoeding in aanmerking komt op een bedrag van € 6.000,-. Dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Affectieschade
Als dochter komt [benadeelde partij 2] een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.
Wettelijke rente
De ingangsdatum van de wettelijke rente voor de verschillende toegewezen posten bepaalt het hof op de volgende data:
1 januari 2027 voor het gederfd levensonderhoud en
11 februari 2026 voor de affectieschade.
Spaarrekening met BEM-clausule
De totale te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 2] (geboren op 1 november 2008) te openen spaarrekening met een BEM-clausule.
Vordering [benadeelde partij 3]
Gederfd levensonderhoud
Gelet op het bovenstaande, bepaalt het hof de schade van [benadeelde partij 3] wegens gederfd levensonderhoud die in ieder geval voor vergoeding in aanmerking komt op een bedrag van € 10.000,-. Dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering niet-ontvankelijk verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Affectieschade
Als dochter komt [benadeelde partij 3] een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.
Wettelijke rente
De ingangsdatum van de wettelijke rente voor de verschillende toegewezen posten bepaalt het hof op de volgende data:
1 januari 2027 voor het gederfd levensonderhoud en
11 februari 2026 voor de affectieschade.
Spaarrekening met BEM-clausule
De totale te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde partij 3] (geboren op 16 augustus 2010) te openen spaarrekening met een BEM-clausule.
Vordering [benadeelde partij 4]
Affectieschade
Als vader komt [benadeelde partij 4] een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.
Shockschade
[benadeelde partij 4] is fysiek aanwezig geweest bij zijn zoon toen deze overleden op de grond van het café lag. Het hof vindt het goed voorstelbaar dat deze directe confrontatie geestelijk letsel bij hem heeft veroorzaakt. Het hof zal dit letsel echter objectief moeten kunnen vaststellen. Op basis van de overgelegde brief van de huisarts kan dit niet worden vastgesteld. De vordering is daarmee onvoldoende onderbouwd. Om die reden zal het hof de vordering ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat gedeelte kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Wettelijke rente
De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de affectieschade bepaalt het hof op 11 februari 2026.
Vordering [benadeelde partij 5]
Affectieschade
Als moeder komt [benadeelde partij 5] een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade toe. Het hof zal de vordering in zoverre toewijzen.
Shockschade
[benadeelde partij 5] heeft de vordering shockschade onderbouwd met medische stukken van [organisatie] . Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij naast het verdriet over het verlies van haar zoon geestelijk letsel heeft opgelopen door de directe confrontatie met zijn lichaam kort na het delict en daarmee met de directe gevolgen van het delict. Er is bij haar PTSS vastgesteld. Het hof neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal die loopt van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Het hof acht een bedrag van € 20.000,- billijk, met dien verstande dat dit bedrag met € 5.000,- zal worden verminderd vanwege de samenloop met de shockschade. Uiteindelijk zal het hof een bedrag van € 15.000,- toewijzen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Wettelijke rente
De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de affectieschade en de shockschade bepaalt het hof op 11 februari 2026.
Vordering [benadeelde partij 6]
Shockschade
heeft de vordering shockschade onderbouwd met medische stukken van [organisatie] . Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is met voldoende mate komen vast te staan dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de directe confrontatie met het lichaam van haar broer kort na het delict en daarmee met de gevolgen van het delict. Er is bij haar PTSS vastgesteld. Het hof neemt, gelet op de overlegde medische stukken, categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Het hof acht een bedrag van € 20.000,- billijk en zal dat bedrag toewijzen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Wettelijke rente
De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de shockschade bepaalt het hof op 11 februari 2026.
Vordering [benadeelde partij 7]
Shockschade
heeft de vordering shockschade onderbouwd met medische stukken van [organisatie] . Uit deze stukken en de onderbouwing van de vordering is in voldoende mate komen vast te staan dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen door de directe confrontatie met het lichaam van haar broer kort na het delict en daarmee met de directe gevolgen van het delict. Er is bij haar PTSS vastgesteld. Het hof neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Deze categorie heeft een schaal van € 5.500,- tot € 16.000,-. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen en vaststellen dat het bij de benadeelde partij objectief vastgestelde letsel tot een toewijzing aan de bovenkant van de schaal leidt. Het hof acht een bedrag van € 20.000,- billijk en zal dat bedrag toewijzen. Voor het overige zal de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Wettelijke rente
De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de shockschade bepaalt het hof op 11 februari 2026.
Vordering [benadeelde partij 9]
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Materiële schade
De gevorderde materiële schadeposten: eigen risico, fysiotherapie, ziekenhuisdaggeldvergoeding en kosten voor informatieverstrekking door huisarts en ziekenhuis ter hoogte van in totaal € 1.021,29 komen voor vergoeding in aanmerking, nu deze posten voldoende zijn onderbouwd en niet zijn betwist.
Hersteloperatie
Ten aanzien van de kosten voor de hersteloperatie heeft de verdediging aangevoerd dat de kosten niet direct als noodzakelijk kunnen worden gezien, omdat het plastische chirurgie betreft.
Het hof overweegt met betrekking tot de gevorderde kosten van de hersteloperatie dat voldoende is gebleken dat deze kosten verband houden met het bewezenverklaarde. De beschadiging van het borstimplantaat is te relateren aan het door verdachte geloste schot en daarmee houdt de vervanging van dit borstimplantaat ook rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde. Het hof zal deze post toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 4.982,-
Beveiligingsinstallatie
Ten aanzien van de schadepost voor de beveiligingsinstallatie is het hof met de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de ontstane schade en het bewezenverklaarde. In zoverre zal de vordering niet-ontvankelijk verklaard worden en zal het hof bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Immateriële schade
[benadeelde partij 9] heeft zowel fysiek als geestelijk letsel opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Zij is door de door hem afgevuurde kogel in haar borst geraakt. De kogel is operatief verwijderd. Zij heeft een klaplong en een gebroken rib opgelopen. Tevens heeft zij een operatie moeten ondergaan om haar borstimplantaat te laten vervangen. Uiteindelijk heeft zij aanhoudende schouderklachten overgehouden door littekenweefsel in het schotkanaal. Hierdoor ervaart zij pijn en krachtvermindering. Vlak na het voorval had zij last van herbelevingen. Anderhalf jaar later heeft zij nog steeds flashbacks. Er is bij haar PTSS vastgesteld.
Het hof neemt, gelet op de overgelegde medische stukken, voor het fysieke letsel categorie 5.4 onder b en voor het geestelijk letsel categorie 14.2 onder c van de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Gelet op de aard en ernst van het bewezen handelen van verdachte zal het hof deze schaal met 25% verhogen. Het gestelde fysieke en geestelijke letsel kan objectief worden vastgesteld. De door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding van € 20.000,- is billijk. Het hof zal dit bedrag toewijzen.
Wettelijke rente
De ingangsdatum van de wettelijke rente voor de verschillende toegewezen posten bepaalt het hof op de volgende data:
1 september 2022 voor de materiële schade met uitzondering van de kosten voor de hersteloperatie,
24 juni 2022 voor de hersteloperatie en
11 februari 2026 voor de immateriële schade.
Vordering [benadeelde partij 8]
De benadeelde partij [benadeelde partij 8] heeft een bedrag ter hoogte van € 2.500,- aan immateriële schade gevorderd.
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof het volgende. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten. [benadeelde partij 8] heeft letsel opgelopen door de mishandeling van verdachte. Zijn ooghoek moest gehecht worden en hij had een blauwe plek.
Het hof neemt de Rotterdamse schaal als uitgangspunt. Het hof heeft gelet op de -schaal voor licht letsel, categorie c van de Rotterdamse schaal. Gelet op het aantal hechtingen dat [benadeelde partij 8] heeft opgelopen, zal het hof de vergoeding aan de bovenkant van de schaal vaststellen. Het hof acht een bedrag van € 1.000,- redelijk en billijk en zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. De benadeelde partij zal ten aanzien van het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat die schade bij de burgerlijke rechter kan worden gevorderd.
Wettelijke rente
De ingangsdatum voor de wettelijke rente voor de immateriële schade bepaalt het hof op 9 oktober 2021.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof bij alle toegewezen bedragen de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Het (wettelijke) maximale aantal dagen gijzeling (365) zal over de verschillende toegewezen bedragen naar rato worden verdeeld op de hierna te noemen wijze.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
1 STK Patroon (G2888920).
Wijst af de door de verdediging ter terechtzitting voorwaardelijk gedane verzoeken.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 26.000,00 (zesentwintigduizend euro) bestaande uit € 6.000,00 (zesduizend euro) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 1.815,00 (duizend achthonderdvijftien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 26.000,00 (zesentwintigduizend euro) bestaande uit € 6.000,00 (zesduizend euro) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
1 januari 2027 en van de immateriële schade op 11 februari 2026.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 30.000,00 (dertigduizend euro) bestaande uit € 10.000,00 (tienduizend euro) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 30.000,00 (dertigduizend euro) bestaande uit € 10.000,00 (tienduizend euro) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 36 (zesendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
1 januari 2027 en van de immateriële schade op 11 februari 2026.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 februari 2026.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 6] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 februari 2026.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 7]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 7] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 7] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 februari 2026.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 131.187,87 (honderdeenendertigduizend honderdzevenentachtig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 96.187,87 (zesennegentigduizend honderdzevenentachtig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op
€ 1.815,00 (duizend achthonderdvijftien euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 131.187,87 (honderdeenendertigduizend honderdzevenentachtig euro en zevenentachtig cent) bestaande uit € 96.187,87 (zesennegentigduizend honderdzevenentachtig euro en zevenentachtig cent) materiële schade en € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 158 (honderdachtenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 16 november 2021 over een bedrag van € 1.187,87, 1 januari 2027 over een bedrag van € 95.000,00 en van de immateriële schade op 11 februari 2026.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 32.500,00 (tweeëndertigduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 39 (negenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 februari 2026.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 8]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 8] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 8] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 oktober 2021.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 9]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 9] ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 26.003,29 (zesentwintigduizend drie euro en negenentwintig cent) bestaande uit € 6.003,29 (zesduizend drie euro en negenentwintig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 9] , ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 26.003,29 (zesentwintigduizend drie euro en negenentwintig cent) bestaande uit € 6.003,29 (zesduizend drie euro en negenentwintig cent) materiële schade en
€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 juni 2022 over een bedrag van € 4.982,00 en 1 september 2022 over een bedrag van € 1.021,29
en van de immateriële schade op 11 februari 2026.
Aldus gewezen door
mr. O.G. Schuur, voorzitter,
mr. M.J. Ouweneel en mr. M. Zwartjes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.A. Dunnink, griffier,
en op 11 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.