Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“10. De rechtbank stelt voorop dat het Verdrag van Wenen inzake het Verdragenrecht van 23 mei 1969 (het Verdrag van Wenen) niet van toepassing is op het belastingverdrag, gelet op de datum van aansluiting van Brazilië bij dit uitlegverdrag. Dit laat onverlet dat de desbetreffende uitlegregels een codificatie zijn van algemene rechtsbeginselen en als zodanig dus niet hun betekenis verliezen voor de beoordeling van het belastingverdrag. In dit verband overweegt de rechtbank dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd, overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. Ook kan daarbij acht worden geslagen op elke overeenstemming met betrekking tot het verdrag die bij het sluiten van het verdrag is bereikt. Ook kan rekening worden gehouden met later tot stand gekomen overeenstemming tussen partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag.[4]
11. In het belastingverdrag worden dividenden gedefinieerd als:
“inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, met uitzondering van schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen”.[5]
12. Interest wordt in het belastingverdrag gedefinieerd als:
“inkomsten uit overheidsleningen, obligaties of schuldbewijzen, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst, en schuldvorderingen van welke aard ook, alsmede alle andere inkomsten die door de belastingwetgeving van de Overeenkomstsluitende Staat waaruit de inkomsten afkomstig zijn, met inkomsten uit geldlening worden gelijkgesteld”.[6]
13. De IoNE is in de Braziliaanse belastingwet geïntroduceerd door artikel 9 van de Wet (LEI) nr. 9.249/95 van 26 december 1995. De IoNE is een wettelijke vergoeding die uitsluitend aan aandeelhouders wordt betaald op basis van het netto eigen vermogen van de uitkerende vennootschap. Een vereiste voor de betaling van de IoNE is dat er winst is. De betaalde IoNE is fiscaal aftrekbaar voor de betalende vennootschap.
14. De rechtbank stelt vast dat op het moment van sluiten van het belastingverdrag in 1990 de IoNE nog niet bestond. De IoNE is in Brazilië geïntroduceerd in 1995. Ten tijde van het sluiten van het belastingverdrag was dan ook geen sprake van overeenstemming ten aanzien van de IoNE.
15. Uit de tekst van de onderlinge overlegprocedure blijkt dat voor de bevoegde (belasting)autoriteiten van de verdragsluitende staten onduidelijk was of de IoNE voor de toepassing van het belastingverdrag kwalificeert als dividenden of interest. Naar het oordeel van de rechtbank neemt dit niet weg dat in elk geval tot het moment waarop verdragsluitende staten daaromtrent via de overlegprocedure overeenstemming hebben bereikt - namelijk dat de IoNE kwalificeert als interest - de IoNE voor de verdragstoepassing ook kwalificeerde als dividenden. Hierbij neemt de rechtbank onder meer in aanmerking dat de IoNE:
is gerelateerd aan het kapitaal in de vennootschap (eigen vermogen) en niet aan vreemd vermogen;
wordt beschouwd als eigen vermogen voor Braziliaanse juridische, accounting- en belastingdoeleinden;
voor wat betreft de (toegestane) omvang is gerelateerd aan de (omvang van de) winstreserves;
wordt uitgekeerd enkel op basis van een aandeelhoudersbesluit;
enkel aan aandeelhouders kan worden uitgekeerd en ook slechts in verhouding tot het belang van de aandeelhouders; en
één van de manieren is om aan de winstuitkeringsverplichting (als die er is) te voldoen.
16. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande voor de onderhavige jaren, die immers liggen vóór de totstandkoming van het MAP-besluit, dat eiseres recht heeft op een tax sparing credit voor dividenden van 25%. Ook indien de IoNE reeds vóór de totstandkoming van het MAP-besluit ook als interest zou moeten worden aangemerkt, moet Nederland namelijk de hogere tax sparing credit van 25% toepassen op grond van de voor de verdragstoepassing geldende (voorrangs)regels bij gelijktijdige toepassing van beide verdragsbepalingen. Nu bij samenloop van beide verdragsbepalingen geen concrete (voorrangs)regels zijn opgenomen in het belastingverdrag, dient Nederland tegelijkertijd aan beide bepalingen te voldoen. In dit geval houdt dat in dat de minst beperkende bepaling - en dus de voor eiseres meest gunstige bepaling (25% tax sparing credit) - dient te worden toegepast. Voor zover verweerder meent dat dit alles in strijd is met de context van het belastingverdrag, volgt de rechtbank hem daarin niet. De bewoording van de verdragsbepaling over dividenden is immers duidelijk en de concrete eigenschappen van de IoNE stemmen daarmee overeen. Ook wijst de rechtbank erop dat eventuele onduidelijkheden in verdragsteksten voor rekening en risico dienen te komen van de verdragsluitende staten en bij gerede twijfel niet ten nadele van een belastingplichtige dienen te worden uitgelegd. Een latere onderlinge overlegprocedure, waarin de verdragsluitende staten een en ander nader verduidelijken, doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af en kan niet voor eerdere jaren aan belastingplichtigen worden tegengeworpen. Die onduidelijkheid staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook in de weg aan het volgen van het standpunt van verweerder dat uit de context van het belastingverdrag volgt dat de IoNE kwalificeert als interest waardoor de (lagere) tax sparing credit voor interest van toepassing is. Dit was in elk geval tot de totstandkoming van het MAP-besluit geenszins duidelijk, wat juist ook volgt uit de gevolgde overlegprocedure.
17. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn stelling dat de uitkomst van de onderlinge overlegprocedure tussen Nederland en Brazilië ook voor de onderhavige jaren - en dus in zoverre in feite met terugwerkende kracht - met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat de IoNE (enkel) kwalificeert als interest en dat daarom de lagere tax sparing credit van 20% van toepassing is. Zo met de onderlinge overlegprocedure en het daaruit voortvloeiende MAP-besluit al is komen vast te staan dat de IoNE voor de verdragstoepassing (enkel) kwalificeert als interest, neemt dat niet weg dat daarover voor de onderhavige (daarvóór liggende) jaren, voorzichtig uitgedrukt, nog onduidelijkheid bestond, wat ook blijkt uit de eerdere standpuntinnames door de Nederlandse belastingautoriteiten over de kwalificatie van IoNE als dividenden. Tot 18 oktober 2018 (datum van intrekking van het ‘oude beleid’) namen de Nederlandse belastingautoriteiten namelijk nog het standpunt in dat de IoNE kwalificeert als dividenden. Nu de onduidelijkheid over de kwalificatie van de IoNE als interest in elk geval in de onderhavige jaren 2018 en 2019 nog bestond, kan de verdragsposterieure uitleg door middel van de onderlinge overlegprocedure in 2022 naar het oordeel van de rechtbank niet ten nadele van eiseres worden ingeroepen.[7] Dit kan ook niet via de wijze die verweerder bepleit, namelijk - kort samengevat - dat met die uitleg de context van het belastingverdrag in wezen niet is veranderd maar slechts concreet is geduid zodat de IoNE van meet af aan (enkel) als interest heeft gekwalificeerd. Dat standpunt van verweerder gaat voorbij aan de andersluidende uitlatingen van de Nederlandse belastingautoriteiten en doet geen recht aan de eerder heersende onduidelijkheid omtrent de kwalificatie van de IoNE als interest en is daarmee naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel.
18. Het vorenstaande betekent dat eiseres voor de ontvangen IoNE recht heeft op de voor dividenden geldende tax sparing credit van 25%. Nu voor de onderhavige jaren het gelijk reeds aan eiseres is, behoeft al hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd geen verdere behandeling.
19. Tussen partijen is niet in geschil dat bij een gegrond beroep de aftrek elders belast voor 2018 € 4.959.397 bedraagt en voor 2019 € 5.610.915. De rechtbank zal de aanslagen dienovereenkomstig verminderen.
20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.370 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 310, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875, een wegingsfactor 1 en een factor 1 wegens samenhang tussen beide procedures).
[4] Vgl. de uitspraken van rechtbank Zeeland-West-Brabant met ECLI:NL:RBZWB:2023:2936 en ECLI:NL:RBZWB:2023:8642.
[5] Artikel 10, derde lid, van het belastingverdrag.
[6] Artikel 11, vierde lid, van het belastingverdrag.
[7] Vgl. weer de uitspraken van rechtbank Zeeland-West-Brabant met ECLI:NL:RBZWB:2023:2936 en ECLI:NL:RBZWB:2023:8642.
[8] ECLI:NL:HR:2005:AO9006.”
Overwegingen
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
Artikel 10, lid 3, van het Verdrag luidt als volgt:
“De uitdrukking „dividenden”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, met uitzondering van schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst, alsmede inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de Staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen.”
5.2.
Artikel 11, lid 4, van het Verdrag luidt als volgt:
“De uitdrukking „interest”, zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomsten uit overheidsleningen, obligaties of schuldbewijzen, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst, en schuldvorderingen van welke aard ook, alsmede alle andere inkomsten die door de belastingwetgeving van de Overeenkomstsluitende Staat waaruit de inkomsten afkomstig zijn, met inkomsten uit geldlening worden gelijkgesteld.”
5.3
De IoNE is in de Braziliaanse belastingwet geïntroduceerd door artikel 9 van de Wet (Lei) nr. 9.249/1995 van 26 december 1995. De IoNE is een vergoeding die door een vennootschap uitsluitend aan aandeelhouders wordt betaald in hun hoedanigheid van aandeelhouder, in verhouding tot hun aandelenbezit en op basis van het netto eigen vermogen van de uitkerende vennootschap. Deze vergoeding wordt berekend naar het Braziliaanse officiële rentepercentage dat geldt voor langetermijnleningen. Voor de betaling van de IoNE is vereist dat de aandeelhouders voorafgaande goedkeuring hebben gegeven. Bij de uitkering van IoNE gelden twee limieten: (i) 50% van de jaarwinst vóór aftrek van IoNE en winstbelasting (maar na aftrek van de sociale bijdrage) en (ii) 50% van de totale winstreserves van de uitkerende vennootschap. De betaalde IoNE is aftrekbaar in de winstbelasting voor de betalende vennootschap en wordt onderworpen aan een bronheffing van 15%, die verrekenbaar is met de winstbelasting voor in Brazilië gevestigde entiteiten-aandeelhouders en een eindheffing vormt voor in Brazilië woonachtige natuurlijke personen en buitenlandse belastingplichtigen. Een bronheffing naar een tarief van 25% is van toepassing indien de IoNE wordt betaald aan buitenlands belastingplichtigen in laagbelastende jurisdicties.
IoNE voor toepassing van het Verdrag
5.4.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende op grond van het Verdrag recht heeft op een tax sparing credit van 20% voor het bruto inkomen van € 38.010.478 dat zij in 2019 uit haar deelneming heeft ontvangen. De Inspecteur voert hiertoe aan dat de IoNE moet worden aangemerkt als interest zoals bedoeld in artikel 11, lid 4, van het Verdrag. Volgens de Inspecteur moet het Verdrag op grond van artikel 31, lid 1, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht (het Verdrag van Wenen) te goeder trouw worden uitgelegd, overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het Verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het Verdrag. Voorts dient op grond van artikel 31, lid 3, letter a, van het Verdrag van Wenen rekening te worden gehouden met iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitlegging van het Verdrag of de toepassing van zijn bepalingen. Het MAP-besluit (zie 2.6) is volgens de Inspecteur een dergelijke overeenstemming. In artikel 11, lid 4, van het Verdrag is de uitgebreide definitie van het begrip “interest” uit het OESO-modelverdrag 1963 opgenomen, die niet in het OESO-modelverdrag 1977 is opgenomen. Dit is volgens de Inspecteur in lijn met het uitdrukkelijke voorbehoud dat Brazilië bij deze bepaling uit het OESO-modelverdrag 1977 heeft gemaakt. Daarom volgt uit de context van het Verdrag dat voor het antwoord op de vraag of de IoNE kwalificeert als dividend dan wel interest, aansluiting moet worden gezocht bij de kwalificatie die de bronstaat daaraan geeft, aldus de Inspecteur. Aangezien de belastingwetgeving van Brazilië de IoNE beschouwt als financiële opbrengst/last, behandelt Brazilië de IoNE op een vergelijkbare wijze als interest. Het voorgaande is door de bevoegde autoriteiten in het MAP-besluit bevestigd, zo betoogt de Inspecteur. Belanghebbende heeft de stellingen van de Inspecteur gemotiveerd betwist.
5.5.
Anders dan de Inspecteur met betrekking tot de IoNE betoogt, volgt uit artikel 10, lid 3, en artikel 11, lid 4, van het Verdrag niet dat per definitie bijzondere waarde moet worden gehecht aan de wijze waarop Brazilië als bronstaat de IoNE op grond van zijn belastingwetgeving behandelt. Hieraan wordt pas toegekomen indien in het geval van artikel 10, lid 3, van het Verdrag, sprake is van “inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten die (…) op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomsten uit aandelen” en in het geval van artikel 11, lid 4, van het Verdrag, indien sprake is van “andere inkomsten die (…) met inkomsten uit geldlening worden gelijkgesteld” (in de Engelse authentieke taalversie: “other income assimilated to income from money lent”). In het onderhavige geval zal daarom eerst worden beoordeeld of de IoNE kwalificeert als “inkomsten uit aandelen” zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, van het Verdrag.
5.6.
De uitdrukking “inkomsten uit aandelen” wordt als zodanig niet omschreven in het Verdrag. Bij gebrek aan een zodanige definitie moet voor de uitleg van dit begrip door Nederland op grond van artikel 3, lid 2, van het Verdrag worden aangesloten bij de betekenis van die uitdrukking volgens de Nederlandse belastingwetgeving, tenzij de context anders vereist. Hierbij prevaleert de betekenis van de uitdrukking van het begrip “inkomsten uit aandelen” volgens de Nederlandse belastingwetgeving dus boven de betekenis die volgens de Braziliaanse belastingwetgeving aan die uitdrukking wordt gegeven.
5.7.
Volgens de Nederlandse belastingwetgeving kwalificeren de IoNE-uitkeringen als inkomsten uit aandelen. Het Hof wijst in dit verband op de civielrechtelijke kenmerken zoals vermeld in 5.3, namelijk dat de IoNE uitsluitend bij aandeelhoudersbesluit aan aandeelhouders wordt betaald in hun hoedanigheid van aandeelhouder, uit hoofde van hun aandelenbezit, in verhouding tot hun aandelenbezit en bij aanwezigheid van winst. De IoNE-uitkeringen vertonen aldus dermate sterke overeenkomsten met dividenden naar Nederlands burgerlijk recht dat zij voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb) moeten worden aangemerkt als inkomsten uit aandelen (vgl. HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:224, BNB 2014/79, r.o. 3.3.1-3.3.3).
5.8.
Het Hof neemt voorts in aanmerking dat bij een kwalificerend aandelenbezit tot 1 januari 2016 de deelnemingsvrijstelling van artikel 13, Wet Vpb op de IoNE-uitkeringen van toepassing was. Op grond van het sinds 1 januari 2016 geldende artikel 13, lid 17, Wet Vpb worden de IoNE-uitkeringen nog steeds als voordelen uit hoofde van een deelneming aangemerkt, zij het dat deze worden uitgesloten van de deelnemingsvrijstelling wegens de aftrekbaarheid ervan op de winstbelastinggrondslag in Brazilië (zie Kamerstukken II 2015/16, 34 302, nr. 18, p. 25). De omstandigheid dat de IoNE voor de betalende vennootschap, net als interest, fiscaal aftrekbaar is, doet daarom niet af aan het feit dat Nederland deze voor fiscale doeleinden als voordeel uit hoofde van aandelenbezit aanmerkt.
5.9.
Naar het oordeel van het Hof vereist de context van het Verdrag geen andere uitleg van het begrip “inkomsten uit aandelen” dan de uitleg volgens de Nederlandse belastingwetgeving. Artikel 10, lid 3, van het Verdrag stemt overeen met artikel 10, lid 3, van het OESO-modelverdrag 1977. Gelet op hetgeen staat vermeld in paragrafen 24 en 28 van het commentaar op artikel 10 van het OESO-modelverdrag 1977, moet voor de uitleg van het begrip “inkomsten uit aandelen” in de eerste plaats worden aangeknoopt bij winstuitdelingen ingevolge een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders en ten titel van het bezit van aandelen in een lichaam met een in aandelen verdeeld kapitaal. De context van het Verdrag bevestigt derhalve de uitleg van het begrip “inkomsten uit aandelen” volgens de Nederlandse belastingwetgeving.
5.10.
De IoNE-uitkeringen vallen derhalve onder de “inkomsten uit aandelen” zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, van het Verdrag. Dit brengt mee dat van “inkomsten uit andere vennootschappelijke rechten” zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, van het Verdrag, waarnaar de Inspecteur refereert, geen sprake is. De wijze waarop de IoNE in de Braziliaanse wetgeving aan belastingheffing wordt onderworpen, is in dit verband niet relevant. De verwijzing naar het nationale recht van de bronstaat betreft immers alleen het laatste deel van de definitie van het begrip “dividenden” en dus niet de andere elementen van de definitie, waaronder het begrip “inkomsten uit aandelen”.
5.11.
De vraag is dan of IoNE óók als interest voor verdragstoepassing kan worden gekwalificeerd, en zo ja, hoe met de samenloop tussen artikel 10 en artikel 11 van het Verdrag moet worden omgegaan. Niet in geschil is dat de IoNE-uitkeringen niet zijn aan te merken als “inkomsten uit overheidsleningen, obligaties of schuldbewijzen, al dan niet verzekerd door hypotheek en al dan niet aanspraak gevend op een aandeel in de winst, en schuldvorderingen van welke aard ook” in de zin van artikel 11, lid 4, van het Verdrag. Daarom behoeft in dit verband slechts te worden beoordeeld of deze uitkeringen door de belastingwetgeving van Brazilië worden gelijkgesteld (“assimilated”) met inkomsten uit geldleningen. Anders dan de Inspecteur betoogt, is voor het antwoord op deze vraag niet van belang of de belastingwetgeving van Brazilië deze uitkeringen op een vergelijkbare wijze als interest behandelt, aangezien ‘op een vergelijkbare wijze behandelen’ een ruimere maatstaf behelst dan ‘gelijkstellen met’.
5.12.
Artikel 9 van de Wet (Lei) nr. 9.249/1995 van 26 december 1995 schrijft niet met zoveel woorden voor dat de IoNE voor de Braziliaanse belastingheffing wordt gelijkgesteld met rente. Evenmin volgt een dergelijke gelijkstelling uit de wijze waarop de Braziliaanse belastingwetgeving de IoNE behandelt. Op basis van de gedingstukken, waaronder het memorandum van het International Bureau of Fiscal Documentation van 6 mei 2019, stelt het Hof dienaangaande het volgende vast. Het belasten van IoNE-uitkeringen volgens de Braziliaanse belastingwetgeving is op een andere wettelijke grondslag gebaseerd dan het belasten van financiële opbrengsten/lasten. Er gelden voorts afwijkende aftrekbeperkingen en vrijstellingen. Bij de heffing ter zake van financiële opbrengsten/lasten zijn ook andere tarieven van toepassing dan het vaste tarief van 15% bronheffing op IoNE-uitkeringen en 25% bronheffing op IoNE-uitkeringen aan buitenlandse belastingplichtigen in laagbelastende jurisdicties. Hoewel deze bronheffingstarieven in beginsel ook gelden voor rente betaald aan buitenlandse belastingplichtigen, geldt voor bepaalde typen rente een afwijkende regeling of een gunstigere behandeling. In binnenlandse situaties is voor inkomsten uit geldleningen en andere investeringen met een vaste rente bovendien sprake van een bronheffing naar een regressief tarief dat afhankelijk is van de duur van een dergelijke geldlening of investering (er geldt een tarief van 22,5% voor transacties met een duur tot en met 180 dagen, 20% voor transacties met een duur vanaf 181 tot en met 360 dagen, 17,5% voor transacties met een duur vanaf 361 tot en met 720 dagen en 15% voor transacties met een duur van meer dan 720 dagen). Tevens zijn IoNE-uitkeringen onderworpen aan “Contribuição para o Programa de Integração Social, PIS” (een heffing van de bijdrage aan het werknemersparticipatiegprogramma) en aan “Contribuição para o Financiamento da Seguridade Social, COFINS” (een heffing van de bijdrage aan sociale zekerheid) naar het speciale gecombineerde tarief van 9,25%, dat afwijkt van het gecombineerde tarief van 4,65% dat algemeen van toepassing is op financiële opbrengsten/lasten.
5.13.
Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat op grond van de Braziliaanse belastingwetgeving de IoNE-uitkeringen niet met inkomsten uit geldleningen worden gelijkgesteld. De IoNE kan daarom niet tevens kwalificeren als interest in de zin van artikel 11, lid 4, van het Verdrag. Een eventuele samenloop tussen artikel 10 en artikel 11 van het Verdrag is derhalve niet aan de orde.
5.14.
De Inspecteur betoogt dat op grond van artikel 31, lid 3, letter a, van het Verdrag van Wenen met de later tot stand gekomen overeenstemming neergelegd in het MAP-besluit rekening moet worden gehouden bij de uitlegging van het Verdrag. Deze overeenstemming is volgens de Inspecteur immers een verduidelijking en een bevestiging van hetgeen reeds in de jaren vóór de inwerkingtreding van het MAP-besluit uit de context van het Verdrag volgde, namelijk dat de kwalificatie van Brazilië van de IoNE als interest dient te worden gevolgd (zie 5.4).
5.15.
Vast staat dat op het moment van het sluiten van het Verdrag in 1990 de IoNE nog niet bestond, zodat de verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het Verdrag ten aanzien van de kwalificatie van de IoNE voor verdragstoepassing geen overeenstemming hadden bereikt. Naar het oordeel van het Hof behoeft geen rekening te worden gehouden met de later tot stand gekomen overeenstemming die is neergelegd in het MAP-besluit, inhoudend dat de bevoegde autoriteiten de IoNE aanmerken als interest. Hieraan gaat het Hof voorbij, reeds omdat deze overeenstemming in de onderhavige jaren nog niet was bereikt en pas van betekenis zou kunnen zijn bij de interpretatie van het Verdrag vanaf het moment dat de overeenstemming op deugdelijke wijze is bekendgemaakt.
5.16.
Gelet op het voorgaande kwalificeren de IoNE-uitkeringen als inkomsten uit aandelen zoals bedoeld in artikel 10, lid 3, van het Verdrag, zodat sprake is van dividend voor toepassing van het Verdrag. Belanghebbende heeft daarom recht op een tax sparing credit van 25% op grond van artikel 23, lid 4, letter a, van het Verdrag en in verband hiermee recht op een bedrag aan te verrekenen bronbelasting van respectievelijk € 4.959.397 (2018) en € 5.610.915 (2019). Het hoger beroep is ongegrond.
Beslissing
Beslissing
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op € 1.814; en
gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559.
Deze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, S.E. Postema en C. Maas, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda.
De beslissing is op 13 maart 2025 in het openbaar uitgesproken.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.