Gerechtshof Den Haag, hoger beroep verbintenissenrecht

ECLI:NL:GHDHA:2025:3027

Op 9 September 2025 heeft de Gerechtshof Den Haag een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van verbintenissenrecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 200.351.092/01, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHDHA:2025:3027. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
200.351.092/01
Datum uitspraak:
9 September 2025
Datum publicatie:
24 June 2026
Advocaat:
mr. D.J.B Bosscher;mr. E.R Meerdink

Indicatie

incidentele vordering ex artikel 843a Rv (oud)

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.351.092/01

Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/655892 / HA ZA 23-962

Arrest in het incident ex artikel 843a Rv (oud) van 9 september 2025

in de zaak van

Stichting Loyaliteit Aqln,

gevestigd in Bodegraven-Reeuwijk,

appellante,

eiseres in het incident

advocaat: mr. D.J.B. Bosscher, kantoorhoudend in Halfweg,

tegen

MN Services N.V.,

gevestigd in Den Haag,

geïntimeerde,

verweerster in het incident

advocaat: mr. E.R. Meerdink, kantoorhoudend in Amsterdam.

Het hof noemt partijen hierna Aqln en MN.

1
De zaak in het kort

Het gaat om een incidentele vordering ex artikel 843a Rv in een zaak die – kort gezegd – gaat over de uitleg van een raamovereenkomst met betrekking tot de levering van IT-diensten, meer in het bijzonder de vraag of nog additionele licentievergoedingen onder die raamovereenkomst verschuldigd zijn. Aqln vordert afgifte van afschriften van de joint venture-overeenkomsten die MN is aangegaan met respectievelijk NV Schadeverzekering-Maatschappij Bovemij (hierna: Bovemij) en Uneto-VNI alsmede de nadien gesloten overeenkomsten tot wijziging en beëindiging daarvan, om aan te kunnen tonen dat zij recht heeft op additionele licentievergoedingen. Het hof wijst deze vordering tot exhibitie ex artikel 843a Rv af.

Procesverloop

2
Procesverloop in hoger beroep

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 24 december 2024 waarmee Aqln in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 25 september 2024;

de incidentele memorie tot afgifte van afschriften van documenten ex artikel 843a Rv van Aqln, met bijlagen;

de memorie van antwoord in het incident van MN, met bijlagen.

3
Feitelijke achtergrond
3.1

Het gaat in deze zaak, voor zover in het kader van dit incident relevant, om het volgende.

3.2

MN is een financiële dienstverlener. Voor haar klanten, die grotendeels bestaan uit sociale partners waaronder ook pensioenfondsbesturen, biedt of bood zij diensten aan op het vlak van pensioenbeheer, vermogensbeheer, de uitvoering van verzekeringen en sociale regelingen en bestuursadvisering.

3.3

In 1999 zocht MN voor haar taken op het gebied van pensioenbeheer en meer specifiek haar basisadministratiesysteem naar nieuwe softwarecomponenten. MN zocht in het bijzonder naar bouwstenen die haar in staat stelden een informatiesysteem te ontwikkelen om voor verschillende pensioenfondsen de pensioenadministratie te verrichten.

3.4

Aquila Informatica B.V. (hierna: Aquila) is een IT-bedrijf dat zich bezighoudt met het ontwikkelen van software en het plaatsen van deskundig personeel bij klanten. Zij adviseert klanten over de administratie van pensioenen en verzekeringen. Zij richt zich in het bijzonder op verzekeraars en pensioenuitvoerders.

3.5

Op 12 december 2001 hebben MN en Aquila een raamovereenkomst en een deelovereenkomst gesloten, met MN als opdrachtgever en Aquila als leverancier van diensten. De deelovereenkomst beschrijft de software en de aanpalende diensten die zijn overeengekomen. De deelovereenkomst, waarvan de raamovereenkomst expliciet deel uitmaakt, had betrekking op de levering van de zogenoemde ‘Oracle business componenten’ en ‘Oracle basiscomponenten’. In de deelovereenkomst is als speciale conditie opgenomen:

“(...) indien de componenten, conform artikel 9.2, 9.3 en/of 9.4 van de raamovereenkomst, bij een andere organisatie worden ingezet, is de opdrachtgever een fee van 17,5% van de licentieprijs verschuldigd of een redelijk deel daarvan, indien slechts een deel wordt ingezet.

In de raamovereenkomst is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

9. Overdracht van produkten (…) 9.4 Indien opdrachtgever op enigerlei wijze samengaat met een andere organisatie en het informatiesysteem, ontwikkeld met behulp van de produkten van leverancier, wordt ook ingezet bij de andere organisatie, dan zal hiervoor de overeengekomen fee uit de deelovereenkomst verschuldigd zijn. (…)

9.11

Indien zich een situatie voordoet die door dit artikel niet wordt gedekt en beide partijen zijn of één van beide partijen is van mening dat deze situatie wel afgedekt moet worden, dan treden partijen met elkaar in overleg en zorgen in alle redelijkheid dat betreffende situatie voor beide partijen adequaat wordt geregeld.”

3.6

Aquila en MN hebben afgesproken dat MN ook de broncode van de geleverde softwarecomponenten zou krijgen, zodat MN zelf of met hulp de software kon wijzigen en andere partijen en nieuwe klanten daarop kon aansluiten.

3.7

Sinds 1996 heeft MN de administratie van verzekeringsproducten gevoerd van Bovemij, een financieel dienstverlener van en voor de mobiliteitsbranche. Op 17 april 2003 heeft MN een joint venture-overeenkomst gesloten met Bovemij om samen schadeverzekeringsproducten aan te bieden. Zij hebben hun samenwerking geïntensiveerd door het oprichten van CBM B.V. (hierna: CBM). Zij beoogden daarmee op een efficiënte wijze werkgeversgerelateerde verzekeringsproducten te verkopen en de administratie dienstverlening daarvan te bundelen. Bovemij trad daarbij op als verzekeraar en MN was verantwoordelijk voor de administratie van de verzekeringsproducten of van de intermediairproducten. De samenwerking tussen MN en Bovemij is geëindigd in januari 2019.

3.8

In 2006 is MN gaan samenwerken met Uneto-VNI. De rechtstreekse samenwerking tussen deze partijen startte met de oprichting van de joint venture UVVS B.V. (hierna: UVVS), waarin MN in 2007 49% van de aandelen van Uneto-VNI heeft overgenomen. UVVS is een assurantiebemiddelaar. MN heeft in opdracht van de verzekeringsmaatschappijen waarmee Uneto-VNI contracteerde, de administratie uitgevoerd van een deel van de verzekeringen die via UVVS aan de branche werden aangeboden. Deze samenwerking eindigde in 2022 toen MN haar aandelen in UVVS verkocht.

3.9

Aqln, opgericht op 3 november 2022, richt zich op het verkrijgen en beheren van aandelen en het toekennen van certificaten van deze aandelen aan de certificaathouders. Aqln heeft, als rechtsverkrijger van Aquila, gesteld dat zij op grond van de raamovereenkomst recht heeft op additionele licentievergoedingen, omdat de transacties tussen MN en Bovemij en MN en Uneto-VNI kwalificeren als ‘op enigerlei wijze samengaan’ als bedoeld in artikel 9.4 van de raamovereenkomst.

4
Procedure bij de rechtbank
4.1

Bij de rechtbank heeft Aqln, naast een verklaring voor recht dat MN toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen die voortvloeien uit de raamovereenkomst, veroordeling van MN gevorderd tot betaling van € 350.000,- als licentievergoeding voor het inzetten van de software bij CBM en eenzelfde bedrag voor het inzetten van de software bij UVVS, alsmede een boete van € 25.000 per week vanaf 1 april 2003 voor het samengaan van MN met Bovemij en een zelfde bedrag vanaf 1 januari 2016 voor het samengaan van MN met UVVS, met veroordeling van MN in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure.

4.2

De rechtbank heeft de vorderingen bij vonnis van 25 september 2024 afgewezen. Aqln is tegen dat vonnis in hoger beroep gekomen.

5
Incidentele vordering ex artikel 843a Rv (oud)
5.1

Aqln vordert – samengevat – MN te veroordelen om binnen drie weken na datum van dit arrest de joint venture-overeenkomst met Bovemij en de (aandeelhouders)overeenkomst met Uneto-VNI, zoals hiervoor omschreven in 3.7 en 3.8, alsmede de latere overeenkomsten tot wijziging en de voorwaarden van beëindiging daarvan in het geding te brengen, om aan te kunnen tonen dat zij recht heeft op additionele licentievergoedingen, met veroordeling van MN in de kosten van het incident.

5.2

MN heeft het hof verzocht de incidentele vordering af te wijzen omdat Aqln volgens haar geen belang heeft bij inzage in de bescheiden en er gewichtige redenen bestaan om Aqln geen inzage te verstrekken.

Overwegingen

6
Beoordeling van de incidentele vordering
6.1

Op de beoordeling van de vorderingen is artikel 843a (oud) Rv van toepassing.

6.2

Op grond van artikel 843a lid 1 (oud) Rv kan een partij inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bescheiden (i) als hij daarbij een rechtmatig belang heeft en (ii) het voldoende bepaalde bescheiden betreft (iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is. Degene die de bescheiden tot zijn beschikking of onder zich heeft is niet verplicht aan de vordering te voldoen als daarvoor gewichtige, door deze partij aan te voeren, redenen zijn of als redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd (artikel 843a lid 4 (oud) Rv).

6.3

Het hof wijst de vordering van Aqln tot inzage of afschrift van de gevraagde overeenkomsten af. De vordering voldoet niet aan de in artikel 843a (oud) Rv gestelde eisen. Het hof is van oordeel dat Aqln geen rechtmatig belang heeft bij verstrekking van de (joint venture-)overeenkomsten van MN met respectievelijk Bovemij en Uneto-VNI en dat MN daarom geen inzage in die stukken hoeft te geven of daarvan een afschrift hoeft te verstrekken aan Aqln. Het hof licht dit als volgt toe.

6.4

Aqln stelt dat zij belang heeft bij de gevraagde stukken omdat die weergeven wat de aard en omvang van de joint ventures was en dus ook meer inzicht geven in de vraag die partijen verdeeld houdt; of de joint ventures zouden kwalificeren als een "op enigerlei wijze van samengaan" in de zin van art 9.4 Raamovereenkomst.

6.5

De rechtbank heeft (terecht) geoordeeld dat bij een ‘samengaan’ als bedoeld in 9.4 van de raamovereenkomst van MN met Bovemij en Uneto-VNI, voor het recht op een fee ook is vereist dat de software van Aquila is ingezet bij de andere organisatie(s). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat zij (ook) niet heeft kunnen vaststellen of het informatiesysteem van MN, dat is gebaseerd op de door Aquila ontwikkelde software(componenten), is ingezet bij de andere organisaties van de/het samenwerkingsverband(en) (ro. 4.22). Dat dit laatste wel het geval is, is volgens de rechtbank en ook thans door Aqln niet onderbouwd gesteld. Zolang de inzet van de software van Aquila bij de genoemde joint ventures niet vastgesteld kan worden, is de vordering van Aqln op grond van artikel 9.4 van de raamovereenkomst reeds om die reden niet toewijsbaar. Dat Aqln desondanks belang heeft bij verstrekking van de gevraagde overeenkomsten is in de gegeven omstandigheden op dit moment dan ook niet voldoende aannemelijk gemaakt.

6.6

Daar komt bij dat, zoals Aqln zelf (terecht) aanvoert, de informatie in de gevraagde (joint venture) overeenkomsten al heel oud is (deze dateren van 1996 respectievelijk 2006) en zich al lang heeft vertaald in de resultaten die op grond van het jaarrekeningenrecht publiek zijn geworden en de gedragingen van de vennootschappelijke organen van de joint venture-vennootschappen. Naast de in eerste aanleg door MN overgelegde stukken over de samenwerking zoals de statutaire regeling van de joint venture CBM, de jaarverslagen van CBM, MN en Bovemij en het ondernemingsplan van MN, waaruit de aard en inhoud van de samenwerking tussen MN en Bovemij blijkt, valt dan ook niet in te zien welk rechtmatig belang Aqln daarom heeft bij de joint venture-overeenkomst van MN met Bovemij. Aqln onderbouwt ook niet dat deze stukken inzicht kunnen geven in de inzet van de software van Aquila bij het gestelde – maar betwiste – “samengaan”. Op dit punt is van belang dat het “samengaan” niet is gedefinieerd en slechts relevant is of bedoelde software bij dat samengaan wordt ingezet.

6.7

Volgens MN bestaat er bovendien geen nadere samenwerkingsovereenkomst met Uneto-VNI, maar alleen een koop- en verkoopovereenkomst van de aandelen, met gegevens als de prijs die voor de aandelen is betaald en de overeengekomen betaling en levering van de aandelen. De inhoud van die overeenkomst acht het hof niet relevant voor de onderhavige hoofdprocedure tussen Aqln en MN althans Aqln heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij bij verstrekking van die overeenkomst een rechtmatig belang heeft in het kader van haar rechtsvordering jegens MN.

6.8

Aqln stelt zich nog op het standpunt dat MN ook op grond van artikel 9.11 van de raamovereenkomst gehouden is om afschriften te verschaffen van de gevraagde (joint venture) overeenkomsten. Het hof volgt Aqln hierin niet. Artikel 9.11 van de raamovereenkomst voorziet erin dat partijen met elkaar in overleg treden in een situatie die niet wordt gedekt door artikel 9 van de raamovereenkomst betreffende ‘Overdracht van produkten’ en waarvan één of beide partijen van mening zijn dat dat wel afgedekt moet worden (3.5 hiervoor). Een verplichting tot het verstrekken van de gevraagde bescheiden, zoals door Aqln gevorderd, volgt daaruit niet.

6.9

De conclusie is dat de op artikel 843a Rv gegronde vordering tot afgifte van de door Aqln genoemde stukken moet worden afgewezen. De overige door partijen aangevoerde stellingen kunnen, gelet op de voorgaande beoordeling, bij gebrek aan belang verder onbesproken blijven omdat zij niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

6.10

Het hof zal Aqln veroordelen in de kosten van de procedure in het incident, als hierna in het dictum bepaald.

Beslissing

7
Beslissing

Het hof:

in het incident

wijst de vordering van Aqln af;

veroordeelt Aqln in de kosten van de procedure in het incident, aan de zijde van MN tot op heden begroot op € 1.214,- (1 punt tarief II), vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als Aqln deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 21 oktober 2025 voor memorie van grieven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.C. de Heer, H.J. van Harten en R.S. van Coevorden, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2025 in aanwezigheid van de griffier.