Rolnummer: 22-000595-24
Parketnummer: 10-960210-16
Datum uitspraak: 6 mei 2026
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 februari 2016 tot en met 10 mei 2016 te Bergen op Zoom en/of Halsteren, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 73.770 USD (omgerekend 66.157 euro), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) contante geldbedrag(en) gestort op [bankrekeningnummer 1] , ten name van [V.O.F.] en/of hebbende hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) dit/deze contante geldbedrag(en) (in USD) overgemaakt naar [bankrekeningnummer 2] , ten name van [N.V.] , terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot andere
beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, behalve ten aanzien van de
opgelegde straf en de motivering daarvan.
In zoverre zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen. Voor het overige verenigt het
hof zich met de gronden en beslissingen in het vonnis en zal het hof het vonnis bevestigen.
Strafmotivering
Op 7 april 2026 is per e-mail, namens de advocaat-generaal, het hof op de hoogte gebracht van het voornemen van het Openbaar Ministerie en de verdediging om de zaak middels procesafspraken af te doen. De tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte tot stand gekomen procesafspraken en de redenen waarom is besloten de zaak middels procesafspraken af te doen, zijn neergelegd in een door de advocaat-generaal, de verdachte en zijn raadsman getekende overeenkomst gedateerd 17 februari 2026.
De procesafspraken luiden als volgt:
In deze zaak kan een bewezenverklaring volgen conform het vonnis van de rechtbank. De verdediging zal ter zake de feiten geen verweer voeren;
De verdediging doet afstand van reeds ingediende onderzoekswensen en zal geen nadere en/of nieuwe onderzoekswensen indienen;
Het Openbaar Ministerie eist voor het tenlastegelegde feit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 41 dagen met aftrek van het voorarrest;
De inbeslaggenomen goederen worden verbeurdverklaard conform het vonnis van de rechtbank.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal conform de hiervoor
weergegeven procesafspraken gerekwireerd.
De raadsman heeft zich - bij wijze van pleidooi - aan de vordering van de advocaat-generaal gerefereerd. Hij heeft ter zitting toegevoegd dat hij verzoekt het onderzoek te heropenen indien het hof voornemens is tot een andere hogere, strafoplegging te komen.
Het toetsingskader van de Hoge Raad: waarborging van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens (verder: EVRM)
De Hoge Raad heeft in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252)
overwogen dat de rechter alleen acht kan slaan op een door het Openbaar Ministerie en de
verdediging opgesteld afdoeningsvoorstel als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen
die artikel 6 EVRM stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een afdoeningsvoorstel deel uitmaakt de afspraak dat de verdachte afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.
Op de terechtzitting in hoger beroep heeft het hof de procesafspraken besproken met de aanwezige verdachte en zijn raadsman.
De verdachte heeft voldoende gelegenheid gehad om weloverwogen tot een ondubbelzinnige beslissing te komen en heeft, bijgestaan door zijn raadsman, zich rekenschap kunnen geven van de inhoud, de strekking en de rechtsgevolgen van de procesafspraken. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep desgevraagd te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de gemaakte procesafspraken en is, naar het hof heeft vastgesteld, vrijwillig tot deze beslissing gekomenen door zijn raadsman adequaat voorgelicht.
In deze zaak zijn geen slachtoffers of benadeelde partijen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het acht kan slaan op de voorliggende
procesafspraken.
Overwegingen ten aanzien van de straf
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het witwassen van geld. Door witwassen wordt het plegen van criminele activiteiten bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden. Verdachte heeft eraan meegewerkt dat de opbrengst van gepleegde misdrijven aan het zicht werd onttrokken.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 april 2026. De verdachte heeft in deze zaak 41 dagen doorgebracht in voorlopige hechtenis, die met ingang van 6 juli 2016 is geschorst. De verdachte heeft de schorsingsvoorwaarden niet overtreden. De rechtbank heeft bij vonnis van 2 april 2020 het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst, opgeheven.
Tevens betrekt het hof bij zijn oordeel hetgeen de verdachte omtrent zijn persoonlijke omstandigheden ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht.
Het hof heeft verder geconstateerd dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM. De redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 27 mei 2016, de datum van de inverzekeringstelling van de verdachte. In eerste aanleg zijn meer dan twee jaren verstreken tussen het aanvangen van de termijn en het vonnis, dat is gewezen op 2 december 2020. De redelijke termijn is in eerste aanleg overschreden met ruim 2,5 jaren. In de appelfase zijn ook meer dan twee jaren verstreken tussen het instellen van het hoger beroep op 15 december 2020 en het wijzen van het arrest op 6 mei 2026. De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden met ruim 3,5 jaren. De overschrijding van de redelijke termijn heeft een matigende werking op de op te leggen straf en is blijkens de schriftelijke toelichting van het afdoeningsvoorstel een van de aan de door partijen overeengekomen straf ten grondslag liggende factoren geweest.
De door het hof vervolgens te beantwoorden vraag is of het afdoeningsvoorstel voor wat
betreft de op te leggen straf in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals
die is gebleken uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof beantwoordt die vraag bevestigend.
Het hof acht dan ook de tussen de advocaat-generaal en de verdachte en zijn raadsman
overeengekomen straf, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk in duur aan de
tijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht passend en geboden en zal die straf opleggen.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 41 (eenenveertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inbegrip van de beslissingen
omtrent het beslag.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Koole, als voorzitter, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. V.M. de Winkel, leden, in bijzijn van de griffier mr. T. Kherad.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 mei 2026.
mr. M.I. Veldt-Foglia is buiten staat om dit arrest mede te ondertekenen.