Gerechtshof Den Haag, hoger beroep strafrecht overig
ECLI:NL:GHDHA:2026:2724
Op 25 August 2026 heeft de Gerechtshof Den Haag een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 22-002833-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHDHA:2026:2724. De plaats van zitting was Den Haag.
Indicatie
Omvang van het hoger beroep na terugwijzing Hoge Raad. Het hof-arrest uit 2023 hield in een veroordeling wegens drie feiten. Hoge Raad heeft arrest 2023 vernietigd, doch uitsluitend ten aanzien van feit 1 en wat betreft de strafoplegging. Het cassatieberoep was (door de verdachte) onbeperkt ingesteld. Om die reden is strafbepaling naar analogie van artikel 423 lid 4 Sv niet aan de orde. Het hof komt tot een bewezenverklaring van feit 1. Daarna volgt de strafoplegging, deze heeft betrekking op de drie feiten (expliciet als zodanig opgenomen in het dictum). Ook is een beslissing genomen op de vordering tenuitvoerlegging.
Uitspraak
Rolnummer: 22-002833-25
Parketnummers: 10-216667-21 (Dagvaarding I),
10-285600-21 (Dagvaarding II),
10-110584-19 (TUL)
Datum uitspraak: 25 augustus 2026
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 25 februari 2022 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] (Frankrijk) op [geboortedatum] 1977,
thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden - het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Procesverloop
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I (onder parketnummer: 10-216667-21) onder 1 en 2 tenlastegelegde en van het bij dagvaarding II (onder parketnummer: 10-285600-21) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 weken. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 3 september 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit hof heeft op 13 maart 2023 arrest gewezen en de verdachte ter zake het bij dagvaarding I onder 1 en 2 tenlastegelegde en ter zake van het bij dagvaarding II tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 3 september 2019 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Tegen dit arrest is namens de verdachte (onbeperkt) beroep in cassatie ingesteld.
De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 23 september 2025 voormeld arrest van het hof vernietigd, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde en wat betreft de strafoplegging. Voorts heeft de Hoge Raad de zaak naar dit hof teruggewezen, opdat de zaak ten aanzien van deze punten opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Omvang van het hoger beroep
Gelet op voormelde procesgang is met inachtneming van de voormelde uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 23 september 2025, het vonnis waarvan beroep aan het oordeel van het hof onderworpen voor wat betreft het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging voor het geheel.
Als gevolg van dit arrest zijn de door het hof bij arrest van 13 maart 2023 genomen beslissingen inzake de overige twee feiten onherroepelijk geworden (behoudens de strafoplegging). Omdat het namens de verdachte ingestelde cassatieberoep onbeperkt was, is strafbepaling naar analogie van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet aan de orde. Indien het hof zou komen tot een bewezenverklaring van het wél – geheel - aan de orde zijnde eerste feit, zal het ten aanzien van deze dan drie feiten één straf moeten opleggen.
Tot slot zal het hof een beslissing moeten nemen op de vordering tenuitvoerlegging (parketnummer: 10-110584-19).
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 10-216667-21:
1. hij op of omstreeks 12 augustus 2021 te Rotterdam, een auto (merk: Mercedes-Benz), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd dat de straf voor het bij dagvaarding I onder 2 en van het bij de bij dagvaarding II tenlastegelegde zal worden bepaald op een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-216667-21 onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak met parketnummer 10-216667-21:
1. hij op of omstreeks 12 augustus 2021 te Rotterdam, een auto (merk: Mercedes-Benz), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de auto, een Mercedes-Benz, heeft geleend van ene [betrokkene] , een kennis van hem. Hij kende, naar eigen zeggen, slechts zijn voornaam en wist niet wat de achternaam van [betrokkene] was of waar hij woonde. Ook kon de verdachte geen contactgegevens of een telefoonnummer van [betrokkene] geven. De verdachte had [betrokkene] eerder ontmoet bij een gebruikerspand en kwam hem op de dag dat hij de Mercedes-Benz voorhanden kreeg, toevallig tegen bij een pompstation. De verdachte heeft toen ter plekke afgesproken de auto van [betrokkene] te lenen. Dat was niet van tevoren afgesproken. Hiervoor heeft hij [betrokkene] € 50 betaald. Volgens de verdachte zou [betrokkene] hem vervolgens bellen om af te spreken waar hij de geleende auto kon terugzetten.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte wist dat de auto van diefstal afkomstig was (ten tijde van het voorhanden krijgen ervan). Om deze reden kan opzetheling niet bewezen verklaard worden.
De vraag is vervolgens of schuldheling bewezen kan worden verklaard.
Bij schuldheling gaat het om de vraag of de verdachte ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van het goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed door misdrijf was verkregen. Dat vermoeden kan zijn gegrond op het tekortschieten in een, indien aan de orde, op de verdachte rustende onderzoeksplicht.
Naar het oordeel van het hof had de verdachte behoren te begrijpen dat aan het zonder nadere vragen voorhanden krijgen van een auto van een hem slechts bij de voornaam bekende persoon risico’s waren verbonden in die zin, dat de auto afkomstig zou kunnen zijn van misdrijf. Nader onderzoek naar de herkomst van die auto was derhalve aangewezen, alvorens de auto in ontvangst te nemen. Hierbij is ook betrokken dat de verdachte kennelijk spontaan had bedacht om de auto te “lenen” van een zeer vage en geheel niet te verifiëren kennis, en dat deze kennis de Mercedes vervolgens wel heel erg vrijblijvend aan de verdachte meegaf.
De hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen het hof tot het oordeel dat het van de verdachte had mogen verwacht dat hij nader onderzoek had verricht naar de herkomst van deze auto (alvorens deze in ontvangst te nemen). Het aldus tekortschieten in deze op hem rustende onderzoeksplicht maakt dat de aan hem verweten schuldheling bewezen zal worden verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het in de zaak met parketnummer 10-216667-21 onder 1 bewezenverklaarde levert op:
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Overwegingen
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Het gaat om de bewezenverklaarde feiten met parketnummer 10-216667-21 onder 1 (schuldheling) en 2 (Opiumwetdelict), en om het bewezenverklaarde feit in de zaak met parketnummer 10-285600-21 (gekwalificeerde diefstal).
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan schuldheling van een personenauto. Heling draagt bij aan de instandhouding van (vermogens)criminaliteit, nu door heling een afzetmarkt voor gestolen goederen wordt gecreëerd en in stand wordt gehouden.
De verdachte heeft ook een hoeveelheid MDMA voorhanden gehad, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door harddrugs wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd. Tenslotte leiden drugs veelal, direct en indirect, tot vele vormen van criminaliteit. De verdachte heeft hiervoor kennelijk geen oog gehad.
Tot slot heeft de verdachte ook een diefstal gepleegd door goederen uit een auto weg te nemen. Diefstal is een feit dat naast financiële schade voor de benadeelde ook onrustgevoelens en overlast met zich brengt.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte zowel voor als na het onderhavige feit veelvuldig onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten.
Het gaat dus om ernstige feiten en een hardnekkige recidive van de verdachte op het gebied van vermogensdelicten. Zijn strafblad telt inmiddels 39 pagina’s. Er is sprake van ernstige verslavingsproblematiek en het lijkt er sterk op dat de verdachte steeds dit soort feiten pleegt om in die verslaving te kunnen voorzien. Het hof heeft geen aanwijzingen dat die problematiek inmiddels is opgelost of in elk geval beheersbaar is geworden.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Vordering tenuitvoerlegging
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 3 september 2019 onder parketnummer 10-110584-19 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met proeftijd van 2 jaren, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf is derhalve gegrond.
Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
Beslissing
BESLISSING
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-216667-21 onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-216667-21 onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-216667-21 onder 1 en 2 bewezenverklaarde en ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-285600-21 bewezenverklaarde een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) weken.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 3 september 2019, parketnummer 10-110584-19, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Brand, mr. F.W. van Lottum en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 augustus 2026.
Mr. R. Brand en mr. J. Toorens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.