Rolnummer: 22-001391-25
Parketnummer: 10-171089-24
Datum uitspraak: 23 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van
17 april 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1978,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 13 oktober 2023 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds knuffelen en/of kussen in de nek.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks 13 oktober 2023 te Bleiswijk, gemeente Lansingerland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,
[slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het onverhoeds knuffelen en/of kussen in de nek.
Hetgeen meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Het hof stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat onder ‘ontuchtige handelingen’ als bedoeld in artikel 246 (oud) van het wetboek van Strafrecht (Sr.) moeten worden verstaan: handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Of een bepaalde handeling van seksuele aard kan worden aangemerkt als ‘ontuchtig’, hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden kunnen onder meer worden gerekend de aard van de handeling en de context waarin en de omstandigheden waaronder de handeling wordt verricht, waarbij ook de leeftijd van de betrokkenen en een mogelijk leeftijdsverschil, de eventuele interactie tussen hen en onder omstandigheden ook hun intenties een rol kunnen spelen. Voor een bewezenverklaring van het plegen van ontuchtige handelingen moet komen vast te staan dat het opzet van de verdachte mede het ontuchtige karakter van de handelingen omvat.
Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op de beelden van de kantine van [bedrijf] heeft het hof drie te onderscheiden momenten waargenomen, waarop fysiek contact was tussen de verdachte en aangeefster.
Het eerste moment is in de kantine, wanneer de verdachte de deur naar buiten heeft geopend. Hij legt dan zijn handen eerst op de schouders van aangeefster en kort daarna omhelst hij haar en draait daarbij zijn gezicht in haar nek.
Het tweede moment volgt als beiden met de kar met handdoeken buiten zijn. Te zien is dat de verdachte zijn arm om aangeefster heen legt ter hoogte van haar onderrug/heup, waarna zij zich meteen van hem losmaakt door naar links van de verdachte weg te bewegen.
Nadat de verdachte en aangeefster zijn teruggekeerd in de kantine volgt het derde moment. Daarbij is er kennelijk sprake van het elkaar bedanken voor de samenwerking. Aangeefster start met het geven van een soort ‘high-five’ door 1 hand schuin naar voren richting de verdachte op te steken. De verdachte beantwoordt dit gebaar met een ‘high-ten’ door in plaats van 1 hand beide handen in de lucht te steken. Aangeefster zet daarop haar tweede hand erbij en houdt haar armen gestrekt schuin naar voren, waardoor zij afstand behoudt tot de verdachte. De verdachte houdt zijn armen op dat moment gebogen, waardoor hij dichterbij aangeefster staat. Vervolgens trekt de verdachte aangeefster naar zich toe en gaat over tot een omhelzing van aangeefster, terwijl aangeefster op dat moment net naar rechts draait met haar hoofd, weg van de verdachte. Desondanks zet de verdachte de omhelzing door, met zijn lichaam tegen dat van aangeefster aan, die zelf met haar onderlijf nog wat afstand blijft houden. De verdachte draait daarbij wederom zijn hoofd richting de nek van aangeefster.
Het hof concludeert uit deze waarnemingen dat de verdachte in ieder geval bij het derde moment het initiatief heeft genomen tot de omhelzing. Die conclusie vindt bovendien steun in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, alwaar hij heeft verklaard dat hij niet het idee had dat aangeefster hem op dat moment wilde knuffelen.
Aangeefster heeft bij de politie verklaard dat zij tijdens beide omhelzingen gevoeld heeft dat de verdachte een kus in haar nek gaf.
Na het incident heeft aangeefster aan haar leidinggevende als eerste verteld wat haar was overkomen. Deze leidinggevende, [leidinggevende van slachtoffer] , heeft verklaard dat de aangeefster tegen haar had gezegd dat ze eigenlijk tegen de verdachte had willen zeggen dat hij het niet moest doen en moest stoppen, maar dat ze in plaats daarvan dicht sloeg.
De raadsman heeft aangevoerd dat op de beelden is te zien dat aangeefster na de omhelzingen lachte en er dus kennelijk - zo begrijpt het hof - voor haar geen sprake was van het ervaren van grensoverschrijdend handelen door de verdachte.
Het hof volgt die redenering niet en wijst daarbij op de verklaring van getuige [leidinggevende van slachtoffer] , inhoudende dat aangeefster haar heeft verteld dat ze niet op de situatie had gereageerd zoals ze had gewild en daarom boos op zichzelf was en dat haar dat in een soortgelijke eerdere situatie ook was overkomen. Dit heeft aangeefster ook in haar slachtofferverklaring in eerste aanleg tot uitdrukking gebracht. Een dergelijke reactie van aangeefster acht het hof in situaties als deze ook niet onbegrijpelijk of ongebruikelijk.
Gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er in het onderhavige geval met name bij de omhelzing die op het zojuist beschreven derde moment plaatsvond, geen sprake is geweest van een vriendschappelijke knuffel, zoals door de verdachte is gesteld, maar dat onder de hierboven omschreven omstandigheden de bewezen verklaarde handelingen van de verdachte, te weten het onverhoeds knuffelen en het daarbij aangeefster in de nek kussen, niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat de verdachte daarbij een seksuele intentie heeft gehad waarbij de verdachte opzet had op het tegen de wil van aangeefster doen ondergaan van de bewezen verklaarde handelingen. Hierbij is voor het hof met name doorslaggevend dat aangeefster bij het hierboven omschreven tweede moment zich uitdrukkelijk losmaakte uit de omarming van de verdachte; dat uit haar houding bij het derde moment duidelijk valt af te leiden dat zij slechts een ‘high five’ op afstand had willen geven, terwijl zij zich na de ‘high ten’ – die door haar met gestrekte armen werd gegeven – direct van de verdachte wilde afwenden.
Al deze uitdrukkelijke lichamelijke signalen van aangeefster heeft de verdachte genegeerd door haar toch naar zich toe te trekken en te knuffelen en in haar nek te zoenen. Dit alles maakt dat sprake is geweest van een handeling van seksuele aard, die strijdig is met de sociaal-ethische norm.
Het hof acht het feit wettig en overtuigend bewezen.
Overwegingen
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van het slachtoffer door haar
onverhoeds te knuffelen en in de nek te kussen. De verdachte heeft in strijd gehandeld met
seksueel-ethische normen en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden.
Door aldus te handelen heeft de verdachte zich uitsluitend laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de seksuele integriteit van het slachtoffer. Ook nadat hem nadien duidelijk was gemaakt dat sprake was van grensoverschrijdend gedrag heeft hij op geen enkele moment, ook niet ter terechtzitting in hoger beroep, blijk gegeven van enig inzicht in het kwalijke van of de gevolgen van zijn gedrag voor het slachtoffer, maar heeft hij voortdurend de nadruk gelegd op de gevolgen die zijn handelen voor hem zelf hebben gehad. Het hof acht deze houding van de verdachte zorgelijk.
Het hof neemt het de verdachte ook kwalijk dat het bewezen verklaarde feit heeft plaatsgevonden in de werkomgeving, welke plek veilig behoort te zijn voor alle werknemers.
Dit is een ernstig feit en zoals uit de ter terechtzitting namens het slachtoffer voorgedragen verklaring blijkt, is dit voor het slachtoffer een nare ervaring geweest met voor haar erg nadelige gevolgen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 17 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Het voorwaardelijk deel dient ertoe om de verdachte te bewegen zich in de toekomst niet opnieuw aan (dergelijke) strafbare feiten schuldig te maken.
Vordering tot schadevergoeding
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade, als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 1.660,54.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 1.660,54.
De advocaat-generaal heeft, gelet op de door hem bepleitte vrijspraak, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet gemotiveerd betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van
€ 614,98 materiële schade is geleden, bestaande uit de kosten van de psycholoog (€ 285,00), verlies aan verdienvermogen (€ 199,98) en reis- en parkeerkosten tot een bedrag van € 130,00. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige
niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden materiële schade.
Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof is daarnaast van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien zij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in de persoon is aangetast. Aan de gevorderde immateriële schade heeft de benadeelde partij
– onder andere – ten grondslag gelegd dat het gepleegde strafbare feit geestelijk letsel tot gevolg heeft gehad, waaronder nachtmerries en herbelevingen. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde.
Het hof verwijst in dat verband ook naar een verklaring van de huisarts van de benadeelde partij, die zich bij de stukken bevindt, waarin de huisarts haar adviseert om haar klachten met een deskundige te bespreken, waarna aangeefster (uiteindelijk) hulp heeft gezocht bij een psycholoog.
De vordering leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 400,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf
13 oktober 2023, tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor wat de betreft de hoogte van de schadevergoeding heeft het hof alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, alsmede de onderbouwing van de vordering in acht genomen. Voorts heeft het hof gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Het immateriële deel van de vordering dient voor het overige te worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 246 (oud) van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.014,98 (duizend veertien euro en achtennegentig cent) bestaande uit € 614,98 (zeshonderdveertien euro en achtennegentig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de gevorderde immateriële schade voor het overige af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in (het materiële deel van) de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.014,98 (duizend veertien euro en achtennegentig cent) bestaande uit
€ 614,98 (zeshonderdveertien euro en achtennegentig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 oktober 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, als voorzitter, mr. R. Brand en mr. M.H. Vos, leden, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 maart 2026.