Gerechtshof Den Haag, wraking strafrecht overig

ECLI:NL:GHDHA:2026:1289

Op 21 April 2026 heeft de Gerechtshof Den Haag een wraking procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 200.367.640/01, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHDHA:2026:1289. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
200.367.640/01
Datum uitspraak:
21 April 2026
Datum publicatie:
30 April 2026

Indicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Het verzoek is gelet op het ontbreken van wrakingsgronden kennelijk ongegrond

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer : 200.367.640/01Parketnummer hoofdzaak : 22-002931-25

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken

inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[verzoeker]

geboren op [geboortedatum] 1977,

wonende te [adres] , [woonplaats] ,hierna ook te noemen: verzoeker,

Het geding

1. In de strafzaak tegen de verzoeker onder genoemd rolnummer stond op 17 april 2026 een zitting van de meervoudige strafkamer gepland, alwaar mr. E.C. van Veen, voorzitter, mr. M.E.L. Hendriks en mr. A. Postma, leden, zitting hadden.

2. Voorafgaand aan de terechtzitting heeft de verzoeker middels meerdere e-mailberichten getracht zijn standpunt met betrekking tot de strafzaak aan de strafkamer kenbaar te maken.

3. Bij e-mail van 7 april 2026 heeft de griffier de verzoeker bericht dat de verzoeker zijn standpunten niet schriftelijk en voorafgaand aan de zitting aan het hof kan doen toekomen, maar dat verzoeker zijn standpunten ter terechtzitting van 17 april 2026 naar voren kan brengen.

4. De griffier vermeldt dat de verzoeker, gelet op het bepaalde in artikel 40 van het Wetboek van Strafvordering, recht heeft op bijstand van een advocaat en dat een advocaat voorafgaand aan de zitting eventuele verzoeken kan doen. Een afschrift van het e-mailbericht wordt daarbij aan de raadsman gestuurd die de verzoeker in eerste aanleg bij heeft gestaan en die namens hem hoger beroep in heeft gesteld.

5. Op 17 april 2026, voorafgaand aan de zitting, heeft de verzoeker bij brief een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan. Op 19 april 2024 heeft de verzoeker zijn wrakingsverzoek schriftelijk aangevuld.

6. De raadsheren hebben in een e-mailbericht van 17 april 2026 kenbaar gemaakt niet in de wraking te berusten.

Overwegingen

Beoordeling van het wrakingsverzoek

7. De wrakingskamer constateert dat de verzoeker in zijn wrakingsverzoek geen gronden voor wraking heeft aangevoerd. De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting, met toepassing van artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 4, tweede lid aanhef en sub a, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag, aanstonds af. Het verzoek is gelet op het ontbreken van wrakingsgronden kennelijk ongegrond.

Beslissing

Beslissing

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.

Deze beslissing is gegeven op 21 april 2026 door mr. K. Schaffels, mr. C.A. Joustra en mr. M.J.M. van der Weijden, in aanwezigheid van de griffier mr. V.V. de Lange.