Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Hoger beroep Civiel recht overig

10 oktober 2007
ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5470

Op 10 oktober 2007 heeft de Gerechtshof Leeuwarden een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van civiel recht. Het zaaknummer is 0700214, bekend onder ECLI code ECLI:NL:GHLEE:2007:BB5470. Voorheen was deze uitspraak bekend onder het Landelijk Jurisprudentienummer (LJN) BB5470.

Soort procedure
Zaaknummer(s)
0700214
Datum uitspraak
10 oktober 2007
Datum gepubliceerd
5 april 2013
Wetsverwijzingen
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
  • Arbeidsomstandighedenbesluit
  • Arbeidsomstandighedenbesluit 5.2
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7
  • Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
  • Arbeidsomstandighedenbesluit
  • Arbeidsomstandighedenbesluit 5.2
Vindplaatsen
  • JAR 2007, 282
  • JAR 2007/282
Uitspraak

Arrest d.d. 10 oktober 2007

Rolnummer 0700214

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Post Cleaning BV,

gevestigd te Drachten,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde/opposante,

hierna te noemen: Post Cleaning,

procureur: mr. J.F. Rouwé-Danes,

tegen

[geïntimeerde]
,

wonende te

[woonplaats]
,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser/geopposeerde,

hierna te noemen:

[geïntimeerde]
,

procureur: mr. P. Sieswerda.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 19 augustus 2003, 16 maart 2004 en 26 oktober 2004 door de sector kanton, locatie Opsterland, van de rechtbank Leeuwarden, verder aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 25 januari 2005 is door Post Cleaning hoger beroep ingesteld van de vonnissen d.d. 16 maart 2004 en d.d. 26 oktober 2004 met dagvaarding van

[geïntimeerde]
tegen de zitting van 8 juni 2005.

Bij de memorie van grieven is een groot aantal producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

"zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen van de rechtbank, sector kanton, locatie Opsterland, van 19 augustus 2003, 16 maart 2004 en 26 oktober 2004, te vernietigen en

[geïntimeerde]
niet ontvankelijk te verklaren in het door hem gevorderde althans het gevorderde af te wijzen, met veroordeling van
[geïntimeerde]
in de kosten van deze procedure in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door

[geïntimeerde]
verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vonnissen waarvan beroep te bekrachtigen, zonodig onder verbetering van gronden en de vorderingen van appellante af te wijzen, kosten rechtens."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Post Cleaning heeft tien grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Behoudens het gestelde in grief I is tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 2 (2.1 t/m 2.4) van het vonnis d.d. 16 maart 2004 geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal, zulks met in achtneming van hetgeen hierna ter zake van grief I zal worden overwogen.

Post Cleaning betwist thans alsnog dat

[geïntimeerde]
op 29 juni 1998 zijn huisarts heeft geconsulteerd, maar het hof gaat aan die - niet nader onderbouwde - betwisting voorbij op basis van de getuigenverklaringen van
[geïntimeerde]
en zijn echtgenote, alsmede die van de getuige
[getuige 1]
en op grond van het feit dat
[geïntimeerde]
de volgende dag met spoed door een neuroloog is gezien, hetgeen toch veelal enkel geschiedt na verwijzing door een huisarts.

2. Op grond van die feiten en van hetgeen in hoger beroep als gesteld en niet (voldoende) weersproken, dan wel op grond van de niet bestreden inhoud der overgelegde producties eveneens als vaststaand heeft te gelden, kan van het volgende worden uitgegaan:

-

[geïntimeerde]
heette voorheen
[naam 1]
. (N.B. het hof zal in het vervolg steeds spreken over
[geïntimeerde]
, ook als in een getuigenverklaring of een ander processtuk over
[naam 1]
wordt gesproken).

-

[geïntimeerde]
is op 7 april 1998 bij Post Cleaning in dienst getreden als schoonmaker op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden, eindigend op 7 oktober 1998. De arbeidsovereenkomst is na die datum niet voortgezet. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO in het schoonmaak- en glazenwassersbedrijf van toepassing.

- Op 29 juni 1998 heeft

[betrokkene 1]
van Post Cleaning
[geïntimeerde]
opgedragen om na de reguliere werktijd (aan het eind van de middag) schoonmaakwerkzaamheden met een dweilmachine te gaan verrichten bij Dunlop Enerka (verder Dunlop) te Drachten. De betreffende dweilmachine weegt 31 kilo.

- Op 29 juni 1998 in de avond en/of op 30 juni 1998 in de ochtend heeft

[geïntimeerde]
zich bij Post Cleaning ziek gemeld, in verband met rugklachten.

-

[geïntimeerde]
heeft op 29 juni 1998 in de avond zijn huisarts geconsulteerd.

-

[geïntimeerde]
is op 30 juni 1998 in een spoedconsult gezien door de neuroloog
[neuroloog]
in het Nij Smellinghe Z iekenhuis te Drachten. Hij heeft daar - blijkens een brief van de neuroloog aan de huisarts van
[geïntimeerde]
d.d. 1 juli 1998 - gemeld dat hij heftige pijn in zijn rug had, uitstralend naar het linker been en dat de pijn was ontstaan toen hij zwaar tilwerk verrichtte bij zijn werk. De neuroloog constateerde dat
[geïntimeerde]
met een rolstoel naar de polikliniek kwam. Hij concludeert dat de patiënt een compressie heeft van de wortel L 5 links en dat dat vermoedelijk in het foramen (tussenwervelgat) van de wortel L5 aanwezig is. Het klinisch beeld wordt volgens de neuroloog gedomineerd door een zeer heftige pijn. Er zijn echter geen verlammingen en acute neurochirurgie wordt niet nodig geoordeeld. Er werd rust voorgeschreven en een recept voor MS contin tabletten a 50 mg 3 keer daags en diazepam 5 mg 3 keer daags.

- Op 30 juni 1998 heeft

[geïntimeerde]
telefonisch bij de Arbeidsinspectie te Groningen gemeld dat hem op 29 juni 1998 tijdens de werkzaamheden bij Dunlop te Drachten een ongeval is overkomen. De Arbeidsinspectie heeft die melding bij brief van 30 juni 1998 (verzonden op 2 juli 1998) doorgegeven aan Post Cleaning. Daarbij is medegedeeld dat de Arbeidsinspectie voorshands afziet van onderzoek naar de toedracht en de oorzaken van het ongeval om reden dat er geen sprake zou zijn van ernstig lichamelijk letsel (opname in ziekenhuis en/of vermoeden van het ontstaan van blijvend letsel) en er geen sprake zou zijn van directe materiële schade van meer dan hfl. 100.000,00 en er geen risico heeft bestaan of bestaat voor andere werknemers.

- Na 29 juni 1998 heeft

[geïntimeerde]
feitelijk niet meer voor Post Cleaning gewerkt. Post Cleaning heeft het loon van
[geïntimeerde]
tot aan het einde van het dienstverband volledig doorbetaald.
[geïntimeerde]
heeft vervolgens uitkeringen genoten krachtens de Ziektewet en de WAO, dat laatste op basis van 80-100 % arbeidsongeschiktheid.

-

[geïntimeerde]
heeft Post Cleaning op 19 maart 2001 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het hem beweerdelijk op 29 juni 1998 overkomen ongeval.

3.

[geïntimeerde]
stelt dat hij op 29 juni 1998 bij het de trap optillen van de dweilmachine bij Dunlop door zijn rug is gegaan, dat hij dientengevolge blijvend rugletsel heeft opgelopen en dat Post Cleaning daarvoor aansprakelijk is nu
[geïntimeerde]
de dweilmachine heeft moeten tillen in de uitvoering van zijn werkzaamheden.
[geïntimeerde]
vordert vergoeding van de door hem geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Nadat Post Cleaning verzet had ingesteld tegen het toewijzende verstekvonnis d.d. 19 augustus 2003 heeft de kantonrechter in zijn tussenvonnis van 16 maart 2004 overwogen dat de door hem in het vonnis gememoreerde feiten het voor tegenbewijs vatbare vermoeden opleveren dat
[geïntimeerde]
tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden op 29 juni 1998 bij Dunlop een bedrijfsongeval is overkomen. De kantonrechter heeft Post Cleaning vervolgens bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat:

1. de heer

[betrokkene 1 ]
[geïntimeerde]
naar Dunlop heeft begeleid en samen met
[geïntimeerde]
de dweilmachine naar boven heeft gedragen;

2. zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, dan wel

3. dat het causaal verbaal verband tussen het bedrijfsongeval en de door

[naam 1]
geleden schade ontbreekt.

4. Ter voldoening aan die bewijsopdracht heeft Post Cleaning getuigen doen horen. In contra-enquête zijn eveneens getuigen gehoord. Uit de daarvan opgemaakte processen-verbaal valt echter niet precies op te maken welke getuigen door wie zijn voorgebracht.

5. De kantonrechter heeft vervolgens in het eindvonnis d.d. 26 oktober 2004 geoordeeld dat Post Cleaning er niet in is geslaagd het opgedragen bewijs te leveren en het vonnis waarvan verzet bekrachtigd.

Met betrekking tot grief I:

6. Post Cleaning heeft betwist dat

[geïntimeerde]
op 30 juni 1998 poliklinisch is opgenomen in het Nij Smellinghe Ziekenhuis. Nu het bezoek van
[geïntimeerde]
op 30 juni 1998 aan de neuroloog
[neuroloog]
in genoemd ziekenhuis vaststaat, gaat de discussie kennelijk om de vraag of er sprake is geweest van een opname. Dat is inderdaad niet komen vast te staan. In zoverre slaagt de grief. Nu het hof het niet van doorslaggevend belang oordeelt of
[geïntimeerde]
wel of niet is opgenomen, mist de grief echter relevantie.

Met betrekking tot de overige grieven:

7. De grieven hebben de strekking het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen. Het hof zal ze daarom gezamenlijk behandelen.

8. Volgens vaste rechtspraak dient een werknemer, die op grond van artikel 7: 658 lid 2 BW schadevergoeding vordert, te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever. Daarbij geldt dat niet van de werknemer kan worden verlangd dat hij ook de oorzaak en de toedracht van het ongeval aantoont.

9. Het hof stelt vast dat de kantonrechter in strijd met deze rechtspraak de bewijslast ter zake, en dus ook het bijbehorende bewijsrisico, op de schouders van Post Cleaning heeft gelegd. Dat laat echter onverlet dat er thans van beide zijden getuigenverklaringen voorliggen. Bij de beoordeling van het bijgebrachte bewijs met betrekking tot de stelling van

[geïntimeerde]
dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, zal het hof er echter van hebben uit te gaan dat het bewijsrisico bij
[geïntimeerde]
is gebleven.

10. Het hof stelt vast dat Post Cleaning zich in eerste aanleg op het standpunt heeft gesteld dat de dweilmachine op 29 juni 1998 door

[betrokkene 1]
en
[geïntimeerde]
gezamenlijk naar de locatie bij Dunlop is gebracht en door beiden gezamenlijk de trap is opgedragen. Als getuige heeft
[betrokkene 1]
verklaard niet meer zeker te weten of de dweilmachine bij
[geïntimeerde]
in de auto stond en of deze samen door hen naar boven is gebracht bij Dunlop. Wel geeft
[betrokkene 1 ]
daarbij aan dat de dweilmachine veelal in een werkkast bij Dunlop achterbleef, doch af en toe (een keer per drie maanden) ook voor een andere klus werd gebruikt.
[geïntimeerde]
zelf heeft als getuige verklaard dat hij met de bus, waar de dweilmachine al in stond, alleen naar Dunlop is gereden en dat hij
[betrokkene 1 ]
die avond niet heeft gezien. Hij verwijst verder naar de gang van zaken, zoals die in deze procedure aan zijn stellingen ten grondslag is gelegd. De getuige
[getuige 2]
heeft verklaard dat de dweilmachine de keren dat hij bij Dunlop heeft gewerkt, daar aanwezig was, maar ook dat hij de machine wel eens heeft getild omdat “we hem ergens anders nodig hadden.” Daarbij verklaart deze getuige dat de machine altijd met twee man werd getild. De getuige
[getuige 3]
heeft eveneens verklaard dat de dweilmachine een vaste plek had bij Dunlop in het werkhok achter de kantine, maar ook dat als de machine moest worden verplaatst dat geschiedde “door de jongens met zijn tweeën, omdat het niet anders kon".

De getuige

[getuige 1]
heeft in soortgelijke zin over de dweilmachine verklaard. Zij heeft daarnaast aangegeven niet meer zeker te weten of zij
[geïntimeerde]
op 29 juni 1998 ’s avonds heeft bezocht. Ze denkt van niet, maar geeft wel aan dat een dergelijk bezoek heeft plaatsgevonden. Ze kan zich herinneren dat
[geïntimeerde]
aangaf pijn in zijn rug te hebben, dat hij bij de huisarts was geweest en dat hij medicatie had gekregen. Tijdens dat bezoek lag
[geïntimeerde]
beneden in de woonkamer op de bank of op een bed.

De getuige

[getuige 4 ]
heeft verklaard dat
[geïntimeerde]
op 29 juni 1998 toen hij thuis kwam claxoneerde. Toen ze ging kijken, zat hij verkrampt en grauw achter het stuur. Hij vertelde dat hij met een machine de trap op moest en dat hij een explosie in zijn rug voelde.

11. Op grond van een en ander, in onderling verband en in samenhang met de vaststaande feiten bezien, staat naar het oordeel van het hof genoegzaam vast dat

[geïntimeerde]
op 29 juni 1998 - op enig moment - bij het tillen van de dweilmachine door zijn rug is gegaan. De verschillende getuigenverklaringen laten zeer wel de mogelijkheid open dat de dweilmachine op 29 juni 1998 niet in de werkkast bij Dunlop stond, maar door
[geïntimeerde]
naar Dunlop toe is gebracht. Gelet op hetgeen
[geïntimeerde]
in dat verband zelf heeft verklaard en op hetgeen hij dienaangaande terstond na het ongeval aan derden heeft gemeld (aan de Arbeidsinspectie, aan de neuroloog en aan zijn vrouw) acht het hof het volstrekt onwaarschijnlijk dat
[geïntimeerde]
een en ander destijds in scene heeft gezet om daarmee drie jaren later – nadat hij in de WAO was beland - zijn tijdelijke werkgever te kunnen aanspreken. Dat klemt temeer nu
[betrokkene 1 ]
zelf niet consistent is in zijn verklaringen omtrent het gebeurde op 29 juni 1998 en de melding bij de Arbeidsinspectie ook niet heeft betwist en/of daarin destijds aanleiding heeft gezien om de zaak nader te onderzoeken. De echtgenote van
[betrokkene 1 ]
heeft in de ziekmelding van
[geïntimeerde]
aan haar persoon zelfs aanleiding gezien
[geïntimeerde]
thuis te bezoeken, kennelijk – zoals zij zelf aangeeft – omdat het om iets ernstigs ging. Het hof wijst in dit verband ook nog op het vaststaande feit dat
[geïntimeerde]
tot aan het einde van het dienstverband voor 100 % door Post Cleaning is doorbetaald hetgeen, naar
[geïntimeerde]
onweersproken heeft gesteld, alleen gebeurde ingeval van een bedrijfsongeval.

Dat

[geïntimeerde]
zijn lezing omtrent de assistentie door een heftruckchauffeur niet door bewijs heeft kunnen ondersteunen, doet aan het voorgaande niet af. Voor zover hij daartoe, gelet op de ontwikkelingen in deze procedure in eerste aanleg al gehouden was, is zijn stelling dat het hem na zoveel jaren niet is gelukt de betreffende chauffeur te traceren, alleszins aannemelijk.

Ook het betoog van Post Cleaning dat

[geïntimeerde]
zijn werkzaamheden bij Dunlop wel moet hebben verricht omdat haar ter zake geen klachten hebben bereikt, kan aan het voorgaande niet afdoen. In de stellingen van
[geïntimeerde]
ligt besloten dat hij ontkent dat hij de werkzaamheden heeft verricht en het enkele feit dat Dunlop niet nogmaals heeft geklaagd, levert geen bewijs op voor het tegendeel.

12. Nu als vaststaand heeft te gelden dat

[geïntimeerde]
tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden door zijn rug is gegaan en zich dientengevolge ziek heeft gemeld, staat tevens vast dat
[geïntimeerde]
(enige) schade heeft geleden. Post Cleaning is voor die schade aansprakelijk, tenzij zij aantoont:

a. dat zij haar verplichtingen is nagekomen om voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat

[geïntimeerde]
in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of

b. dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van

[geïntimeerde]
. Van dat laatste is sprake indien
[geïntimeerde]
zich tijdens het verrichten van de onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloze karakter ervan daadwerkelijk bewust was, of

c. dat de schade ook zou zijn ontstaan indien zij haar zorgplicht wel was nagekomen.

13. Post Cleaning stelt zich primair op het standpunt dat, zelfs al zou

[geïntimeerde]
de dweilmachine in zijn eentje hebben getild, gelet op het gewicht van die machine, daaruit niet volgt dat zij jegens
[geïntimeerde]
haar zorgplicht heeft geschonden.

14. Het hof stelt voorop dat artikel 7: 658 BW niet beoogt een absolute waarborg te scheppen voor bescherming tegen gevaar. De werkgever dient echter ingevolge dit artikel die maatregelen te nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Wat van de werkgever in redelijkheid mag worden verwacht hangt af van de omstandigheden van het geval.

15. In casu is artikel 5.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit relevant. Ingevolge dit artikel, dat mede dient om uitvoering te geven aan het bepaalde in Richtlijn 90/269/EEG betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het manueel hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de werknemers, dient de werkgever de arbeid zodanig te organiseren en zodanige hulpmiddelen en persoonlijke beschermingsmiddelen te gebruiken dat fysieke belasting van de werknemer geen gevaren met zich kan brengen voor diens veiligheid en gezondheid. Deze bepaling is mede van belang voor de omlijning van de door de werkgever ingevolge artikel 7: 658 BW jegens zijn werknemer te betrachten zorgplicht (zie HR 27-04-2007, RvdW 2007, 459).

Genoemd artikel 5.2 bevat een open norm. In de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel wordt in dat verband nog opgemerkt dat om te kunnen beoordelen of bepaalde tilsituaties risico's met zich brengen voor de veiligheid van de werknemers wordt gewezen op de uit de VS afkomstige en ook in Nederland reeds veelvuldig gebruikte NIOSH-methode, welke rekenmethode kan worden gebruikt om in een gegeven tilsituatie uit te rekenen wat het toelaatbare tilgewicht is. (Zie over de NIOSH-methode: bijlage "Handmatig tillen op de werkplek" bij de nota Arboconvenanten, Kamerstukken II, 26375, 1998-1999, nr.1, p.21-22; Sorgdrager, Rugklachten een beroepsziekte?, TVP 2005/2, p.55/56; Advies van 30 maart 1995 van de Gezondheidsraad "Risicobeoordeling van handmatig tillen", nr. 1995/02, waarin wordt vermeld dat de NIOSH-formule uitgaat van een maximaal tilgewicht van 23 kilo; (zie ook de conclusie van de AG De Vries Lentsch-Kostense bij voormeld arrest van de Hoge Raad).

16. In dit licht bezien moet worden geoordeeld dat de hiervoor onder rechtsoverweging 13 weergegeven stelling van Post Cleaning geen stand kan houden. Zulks klemt temeer nu de dweilmachine niet alleen 31 kilo zwaar was, maar ook nog zodanig van vorm dat het alleen tillen van de machine erg onhandig is (zie de getuigenverklaringen van

[betrokkene 1]
en zijn echtgenote
[getuige 1 ]
).

17. Post Cleaning stelt zich voorts op het standpunt dat binnen haar bedrijf de regel gold dat een machine als de onderhavige door twee man werd getild. Het zou hier gaan om een niet op schrift gestelde, maar wel bij alle werknemers bekende regel.

[geïntimeerde]
betwist niet dat de dweilmachine in de regel door twee man werd getild, maar wel dat Post Cleaning op dat punt een duidelijke richtlijn aan haar werknemers had gegeven.

18. Uit de verklaringen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen, in onderling verband en samenhang bezien, komt naar voren dat het inderdaad gebruikelijk was de dweilmachine met twee (of zelfs drie) man te tillen.

[betrokkene 1 ]
heeft als getuige aangegeven dat de desbetreffende instructie altijd mondeling door hem of zijn vrouw aan werknemers werd gegeven, als ze naar een nieuwe klus gingen. De getuige
[getuige 2]
ondersteunt die verklaring in algemene zin, maar weet niet of het ook aan
[geïntimeerde]
is verteld. Volgens de getuige
[getuige 1]
legde haar man altijd aan de schoonmakers uit hoe ze met de machine moesten werken.

Nu

[geïntimeerde]
uitdrukkelijk betwist dat hij ter zake van het tillen van de dweilmachine uitdrukkelijk is geïnstrueerd en - behoudens de getuige
[betrokkene 1 ]
- geen van de getuigen heeft verklaard dat het tegendeel het geval is terwijl verder bewijs op dit punt niet gespecificeerd is aangeboden en Post Cleaning ook niet heeft aangegeven dat de in eerste aanleg gehoorde getuigen op dit punt meer of anders zouden kunnen verklaren, is niet vast komen te staan dat aan
[geïntimeerde]
ter zake van het tillen van de dweilmachine een duidelijke instructie is gegeven.

Daar komt nog bij dat niet is gesteld of gebleken of - en zo ja hoe - op de naleving van de beweerdelijk mondeling gegeven tilinstructie werd toegezien. Dergelijk toezicht is met name ook aangewezen omdat de werkgever rekening dient te houden met het ervaringsfeit dat het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie bij de werknemer tot een vermindering van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid kan leiden.

19. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof dan ook tot de conclusie dat Post Cleaning de op haar rustende zorgplicht niet, althans niet in voldoende mate, is nagekomen.

Omtrent opzet aan de zijde van

[geïntimeerde]
is niets gesteld of gebleken. Post Cleaning heeft zich echter wel op het standpunt gesteld dat
[geïntimeerde]
roekeloos heeft gehandeld, omdat hij enkele maanden eerder al rugletsel had opgelopen en derhalve extra alert had moeten zijn. In het licht van hetgeen hiervoor onder 18 is overwogen is die stelling niet houdbaar, nu immers vaststaat dat Post Cleaning
[geïntimeerde]
heeft opgedragen de werkzaamheden bij Dunlop te verrichten en een mogelijke inschattingsfout van
[geïntimeerde]
niet kan worden gekwalificeerd als roekeloos gedrag.

Derhalve staat met hetgeen hiervoor is overwogen de aansprakelijkheid van Post Cleaning voor de door

[geïntimeerde]
ten gevolge van het hem overkomen arbeidsongeval geleden schade vast.

20. Post Cleaning heeft uitdrukkelijk betwist dat er sprake is van causaal verband tussen het gebeurde op 29 juni 1998 en het rugletsel tengevolge waarvan

[geïntimeerde]
arbeidsongeschikt is geworden. Post Cleaning heeft in dat verband gewezen op het feit dat
[geïntimeerde]
op 11 december 1997 van grote hoogte van een ladder is gevallen en dientengevolge rugletsel heeft opgelopen.

Post Cleaning stelt zich op het standpunt dat

[geïntimeerde]
onvoldoende openheid van zaken heeft gegeven omtrent dat eerdere ongeval en de gevolgen daarvan. Post Cleaning wenst overlegging door
[geïntimeerde]
van de brief van de geneeskundig inspecteur van de Arbeidsinspectie en van het rapport van prof.
[betrokkene 2]
die een psychiatrische expertise met betrekking tot
[geïntimeerde]
zou hebben verricht.

21.

[geïntimeerde]
heeft in reactie daarop aangegeven dat de door Post Cleaning gewenste openheid reeds lang zou zijn gegeven, indien Post Cleaning haar aansprakelijkheid met betrekking tot de gevolgen van het ongeval op 29 juni 1998 zou hebben erkend. Het hof maakt daaruit op dat
[geïntimeerde]
bereid is de door Post Cleaning gewenste helderheid te verschaffen.

22. De hiervoor bedoelde kwestie, alsmede de omvang van de door

[geïntimeerde]
geleden schade zullen verder aan de orde kunnen komen in de schadestaatprocedure.

Slotsom

23. Het vonnis d.d. 26 oktober 2004, waarbij het verstekvonnis d.d. 16 maart 2004 werd bekrachtigd, dient -onder verbetering van gronden - te worden bekrachtigd.

Post Cleaning zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in hoger beroep (salaris procureur: 1 punt tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis d.d. 26 oktober 2004, waarbij het tussen partijen gewezen verstekvonnis d.d. 16 maart 2004 is bekrachtigd;

veroordeelt Post Cleaning in de kosten van deze procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van

[geïntimeerde]
begroot op € 244,-- aan verschotten en op € 894,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. Mollema, voorzitter, en mrs. Zuidema en De Hek, raden, en uitgesproken door mr. Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 10 oktober 2007.