6.1
Bij tussenarrest van 22 december 2015 is een comparitie van partijen bepaald met de in 3.12 van dat tussenarrest genoemde doeleinden. Het hof zal hierna, telkens waar dat nodig is, ingaan op hetgeen meegedeeld is op die comparitie.
6.2
In 3.8 van het tussenarrest is overwogen dat het hof voorshands van oordeel is dat deskundige voorlichting noodzakelijk is voor het vaststellen wat in de aldaar genoemde omstandigheden “een goed advies” zou inhouden, teneinde te kunnen bepalen wat de schade is ten gevolge van het onjuiste advies van [belastingadviseurs] .
Het hof heeft in 3.8 van het tussenarrest tevens beslist dat bij dat advies uitgegaan moet worden van de omstandigheid dat [appellant] al een koopovereenkomst met de gemeente had gesloten met betrekking tot het bedrijfspand. [appellant] heeft bij de comparitie van partijen aangevoerd dat deze koopovereenkomst toentertijd nog zonder schade te ontbinden was. [geintimeerden c.s.] hebben bij de comparitie aangegeven dat zij de juistheid van deze mededeling niet kunnen beoordelen omdat de koopovereenkomst niet in het geding is gebracht. Nu [geintimeerden c.s.] kennelijk niet instemmen met deze nadere stelling van [appellant] , zal het hof daar geen rekening mee houden. Het hof wijst er voorts op dat [appellant] blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen de onderneming wilde verkopen om een belastingschuld te voldoen. Gelet op hetgeen [appellant] in deze procedure heeft aangevoerd, gaat het daarbij kennelijk om de onderneming mèt bedrijfspand aangezien dat het belangrijkste actief van de onderneming was. Ook om deze reden lijkt het uitgangspunt van verkoop van het bedrijfspand derhalve juist te zijn.
Het deskundigenbericht dient dus uit te gaan van de situatie dat [appellant] zich al jegens de gemeente verbonden had tot verkoop en levering van het bedrijfspand in 2003.
Het deskundigenbericht dient niet uit te gaan van de droom van [appellant] van “een nieuw pand met pompstation langs de nieuwe weg, die daar zou komen”, zoals [appellant] tijdens de comparitie heeft verklaard, nu niet is gesteld dat dit voor [appellant] een reële mogelijkheid was.
Ten slotte moet in het deskundigenbericht uitgegaan worden van de fiscale situatie van [appellant] èn [toenmalige echtgenote van appellant] . Het hof verwerpt hiermee het voor het eerst op de comparitie van partijen ingenomen standpunt van [geintimeerden c.s.] dat geen rekening gehouden moet worden met de fiscale schade van [toenmalige echtgenote van appellant] . [appellant] heeft [geintimeerden c.s.] aansprakelijk gesteld voor de schade van hemzelf èn [toenmalige echtgenote van appellant] (zie 3.5.2 van het tussenarrest) en [geintimeerden c.s.] hebben hier bij de memorie van antwoord geen bezwaar tegen gemaakt.
De comparitie van partijen heeft ook overigens geen verandering in het voorlopig oordeel van het hof gebracht, zodat het hof voornemens is een of meer deskundigen te benoemen en aan de te benoemen deskundige(n) de volgende vragen voor te leggen:
1. Wat zou in oktober 2003 – uitgaande van de in het tussenarrest en het onderhavige arrest weergegeven feiten – een goed fiscaal advies inhouden voor de onderneming van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] in verband met de voorgenomen verkoop van het bedrijfspand aan de gemeente eind 2003.
2. Waren de - eventueel - voorgestelde fiscale faciliteiten in het goede fiscale advies realiseerbaar geweest op grond van de feitelijke situatie van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] en hun onderneming in die tijd?
3. Gelet op de vragen 1 en 2 mogelijk ten overvloede: Was er gelet op de situatie van [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] te ontkomen aan directe belastingheffing in het jaar 2003 over de boekwinst van het bedrijfspand?
4. Indien vraag 3 ontkennend beantwoord wordt: is er de facto door [appellant] en [toenmalige echtgenote van appellant] meer belasting betaald over de boekwinst van het bedrijfspand dan na opvolging van een goed advies nodig zou zijn? Kunt u een berekening daarvan overleggen?
5. Indien vraag 3 bevestigend beantwoord wordt: kunt u aangeven op welke wijze dit gerealiseerd had kunnen worden en wat de fiscale consequenties daarvan zouden zijn? Kunt u een berekening daarvan overleggen?
6. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat het hof daarvan kennis neemt?
6.3
Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over het aantal, de deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen.
6.5
In 3.9 en 3.10 van het tussenarrest heeft het hof nog twee andere grondslagen genoemd van de vordering van [appellant] . [appellant] heeft ter comparitie desgevraagd meegedeeld dat dit wel verwijten zijn van hem jegens [geintimeerden c.s.] maar dat deze niet tot een andere of hogere schade hebben geleid dan de schade ten gevolge van het onjuiste advies. Nu de aansprakelijkheid van [geintimeerden c.s.] voor de schade als gevolg van het onjuiste advies reeds is vastgesteld, kan het hof derhalve de in 3.9 en 3.10 van het tussenarrest genoemde grondslagen verder buiten beschouwing laten.