Gerechtshof 's-Hertogenbosch, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHSHE:2026:1013

Op 15 April 2026 heeft de Gerechtshof 's-Hertogenbosch een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 20-000433-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHSHE:2026:1013. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
20-000433-25
Datum uitspraak:
15 April 2026
Datum publicatie:
15 April 2026

Indicatie

Het hof bevestigt het beroepen vonnis waarbij de verdachte ter zake van ‘verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft’ is veroordeeld, met uitzondering van de opgelegde straf. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk alsmede tot een taakstraf van 240 uren.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000433-25

Uitspraak : 15 april 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 7 februari 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-244463-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van ‘verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft’ veroordeeld tot

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een verbod een administratief beroep uit te oefenen voor de duur van vijf jaren.

De verdediging heeft zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van het hof en met betrekking tot de op te leggen straf zich aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering en met verbetering en aanvulling van gronden.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen.

De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Bewijsmiddelen

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte het ten laste gelegde feit ter terechtzitting in hoger beroep gaaf heeft bekend en haar raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, wordt volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering.

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.

In de volgende bewijsmiddelen wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde eindproces-verbaal met dossiernummer

PL2000-2018262740 van de regionale eenheid politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt door [verbalisant] en gesloten op 2 september 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met 584, hierna te noemen politiedossier.

1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Stichting [naam] , d.d. 7 november 2018, pagina 8 tot en met 16 van het politiedossier.

2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten het zogenoemde deskundigenbericht "Onderzoek naar onregelmatigheden in de financiën en financiële administratie over de jaren 2012 tot en met 2016 van Stichting [naam] ", d.d. 26 juni 2019, opgemaakt door [betrokkene] RA, werkzaam bij [betrokkene] accountants & belastingadviseurs B.V., met bijlagen, pagina 111-584 van het politiedossier.

3. De bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2026.

Bewijsoverweging

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Op te leggen straffen

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op het navolgende.

De verdachte heeft als administratief medewerker van Stichting [naam] , een Orthopedagogisch en Didactisch centrum (school) voor leerlingen met een leerachterstand of sociaal-emotionele problemen, gedurende een periode van ruim 5 jaren telkens geldbedragen tot een totaal van € 282.120,86 verduisterd van haar werkgever. Voorts heeft de verdachte haar handelen op slinkse wijze geprobeerd te versluieren door telkens na het doen van aankopen dan wel het opnemen of overmaken van geldbedragen naar zichzelf met gebruikmaking van een bankpas van haar werkgever, die bedragen in de boekhouding van de stichting weg te schrijven als reguliere kostenposten, (mede) waardoor de verduistering jarenlang uit het zicht van de controlerend boekhouder is gebleven.

De verdachte heeft aldus in ernstige mate misbruik gemaakt van haar positie en van het vertrouwen dat haar werkgever en haar collega’s in haar stelden. Het hof rekent het de verdachte (net als de rechtbank) aan dat zij op deze wijze geldbedragen, schijnbaar gewetenloos, heeft verduisterd van een onderwijsinstelling, die tot doel had leerlingen met een leerachterstand en sociaal-emotionele problemen te ondersteunen met hulp en begeleiding.

Voorts heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De binnen de zittende magistratuur door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ontwikkelde oriëntatiepunten geven als uitgangspunt voor de op te leggen straf ter zake van een feit als het onderhavige een gevangenisstraf tussen de 18 en 24 maanden.

In strafverzwarende zin wegen mee de omstandigheden dat de onderhavige verduistering lange tijd heeft geduurd en dat er sprake was van een zekere stelselmatigheid.

Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van het hof in beginsel oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf, passend.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het haar betreffend:

uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2025, waaruit blijkt dat zij naast de onderhavige zaak niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest;

voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, Advies- & Toezichtunit 1 Zuid, d.d. 17 maart 2026, opgemaakt door mevrouw [naam] , reclasseringswerker.

Voorts heeft het hof gelet op de navolgende overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

De verdachte, thans 65-jaar oud, heeft de zorg voor haar echtgenoot die kampt met serieuze medische problematiek. Daarnaast draagt zij deels de zorg over haar dochter en drie kleinkinderen. Als gevolg van de onderhavige zaak is zij het contact met een deel van haar familie en sociale contacten verloren en wordt zij door haar leefomgeving negatief bejegend.

De verdachte is door de civiele rechter veroordeeld tot terugbetaling van het gehele verduisterde bedrag aan haar ex-werkgever en in dat kader is in 2018 ook beslag gelegd op haar koophuis en auto. Zij is in 2020 onder bewind gesteld en heeft in de afgelopen jaren in totaal al een bedrag van ongeveer € 160.000,00 terugbetaald aan haar voormalige werkgever. Maandelijks betaalt zij nog steeds een bedrag van € 2.000,00 ter aflossing van haar schuld, hetgeen tot gevolg heeft dat zij al jarenlang op het bestaansminimum leeft. De verdachte heeft inmiddels een nieuwe baan gevonden waarin zij geen financiële taken of verantwoordelijkheden heeft. Het moeten ondergaan van een gevangenisstraf zou mede betekenen dat de verdachte haar werk zou kwijtraken, waardoor voormelde maandelijkse afbetalingen mogelijk in het gedrang zouden komen.

Mede gelet op voormeld beslag op de koopwoning van de verdachte is het aannemelijk dat haar schuld aan haar ex-werkgever op enig moment in de toekomst geheel zal worden afgelost. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat zij voornemens is om de gehele schuld terug te betalen. Daarnaast heeft zij de gehele verantwoordelijkheid voor haar handelen op zich genomen en meermaals haar spijt betuigd.

Daarnaast stelt het hof vast dat in de onderhavige zaak in eerste aanleg sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Immers heeft de rechtbank de behandeling ter terechtzitting niet binnen twee jaar na de dag waarop verdachte in redelijkheid de verwachting kon hebben dat tegen haar vanwege verduistering strafvervolging zou worden ingesteld, te weten: 20 augustus 2019, afgerond met een vonnis.

In deze zaak speelt bovendien nog de bijzonderheid dat de zaak aanvankelijk in september 2022 door het openbaar ministerie was geseponeerd, waarna de ex-werkgever van de verdachte een succesvolle artikel 12 Sv-procedure is gestart en dit gerechtshof op 20 februari 2024 alsnog de vervolging heeft bevolen. Het vonnis is vervolgens op 7 februari 2025 gewezen, derhalve meer dan 5,5 jaren na aanvang van voormelde termijn.

Het hof weegt vorenstaande persoonlijke omstandigheden van de verdachte, naast de vastgestelde schending van de redelijke termijn en de omstandigheid dat het openbaar ministerie het aanvankelijk niet opportuun achtte om de verdachte ter zake van de onderhavige verduistering strafrechtelijk te vervolgen omdat de gevolgen van de gebeurtenis onderling zouden zijn opgelost, in strafmatigende zin mee bij de bepaling van de op te leggen straffen.

Alles overziende acht het hof het thans niet meer opportuun om de verdachte haar vrijheid te ontnemen middels oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Anderzijds is het hof van oordeel dat vanwege de ernst van het bewezen verklaarde niet kan worden volstaan met de door de advocaat-generaal gevorderde straffen.

Op grond van het vorenstaande acht het hof oplegging van de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf, passend en geboden, maar zal het overgaan tot oplegging van een langere voorwaardelijke gevangenisstraf dan gevorderd.

Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan haar vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Met oplegging van na te melden voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. M.J.M.A. van der Put en mr. N. van der Laan, raadsheren,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 15 april 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van der Laan is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.