[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1991,
thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Achterhoek – Gevangenis te Zutphen.
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd (feit 1)” in eendaadse samenloop begaan met “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit (feit 2)” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van voorarrest.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de strafoplegging en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete ter hoogte van
€ 40.000,-, subsidiair vervangende hechtenis.
De verdediging heeft zich ten aanzien van de (eventuele) bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van het hof. Voorts heeft de verdediging een straftoemetingsverweer gevoerd, waarbij is bepleit om aan de verdachte een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel de reeds in detentie doorgebrachte tijd niet te boven zal gaan en om de verdachte niet te veroordelen tot de door de advocaat-generaal gevorderde geldboete.
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis met verbetering van de gronden, behalve voor wat betreft de strafoplegging.
Het hof verbetert na te melden bewijsoverwegingen in het vonnis, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, als volgt.
Het hof schrapt de bewijsoverweging 5.1.1. alternatief scenario (p. 6-7 vonnis), omdat de verdediging in hoger beroep geen verweer op dit punt heeft gevoerd.
Het hof schrapt in de bewijsoverweging onder 5.3 (p. 8 vonnis) de laatste zin: “De rechtbank merkt hem dan ook aan als één van de leiders/organisatoren van het drugslaboratorium.” Anders dan de rechtbank ziet het hof de verdachte op basis van de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen niet als zodanig.
Het hof schrapt daarom ook de laatste zin van de bewijsoverweging onder 5.4 (p. 9 vonnis): “De rechtbank beschouwt [verdachte] als medeorganisator van het drugslaboratorium.”
Voor het overige schaart het hof zich achter de bewijsoverwegingen van de rechtbank en neemt deze over.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de productie van amfetamine(olie) en het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op deze productie. Het is algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs kan leiden tot een geestelijke of lichamelijke verslaving en, bij overdosis, zelfs tot de dood van de gebruiker. Synthetische drugs vormen steeds meer een nationaal probleem. Het chemisch afval dat ontstaat bij de productie van die drugs wordt vrijwel altijd illegaal gedumpt, waardoor het milieu schade ondervindt en waarbij er in de regel veel geld, tijd en energie geïnvesteerd moet worden om de negatieve gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien legt het opsporen, ontmantelen en vervolgen van de producenten van synthetische drugs een fors beslag op het opsporingsapparaat als gevolg waarvan de opsporing van andere misdrijven in het gedrang kan komen. Ook mag als bekend worden verondersteld dat de productie en handel in harddrugs merendeels het werkterrein vormt van nationale en internationale – niet zelden elkaar beconcurrerende – criminele netwerken, die daarmee grote winsten maken en die ter bescherming van hun illegale belangen de toepassing van verregaande vormen van geweld niet schuwen. Kortom, de productie van harddrugs heeft op meerdere niveaus van de maatschappij een forse negatieve invloed. De verdachte heeft zich van alle hiervoor genoemde negatieve gevolgen niets aangetrokken en kennelijk slechts gehandeld uit financieel belang.
Het hof ziet de verdachte echter, anders dan de rechtbank, niet als leider of (mede)organisator van het drugslab. Hij had daarin, echter anders dan de verdediging heeft betoogd, wel meer dan een ondergeschikte rol.
Verder heeft het hof bij de straftoemeting acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 januari 2026, waaruit volgt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Alles afwegende kan naar het oordeel van het hof, gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof is van oordeel dat het in beginsel passend en geboden is om aan de verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.
Redelijke termijn
Elke verdachte heeft echter recht op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Nu de verdachte in eerste aanleg minder dan 16 maanden in voorarrest heeft gezeten gaat het hof voor die fase uit van een termijn van 2 jaar. In hoger beroep heeft de verdachte echter meer dan 16 maanden in voorarrest doorgebracht en stelt het hof bijgevolg de termijn voor die fase op 16 maanden.
Bij de strafvervolging van de verdachte is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, geschonden met ongeveer 3,5 maand in eerste aanleg en ongeveer 10 maanden in hoger beroep.
Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 43 maanden met aftrek van voorarrest.
Geldboete
Het hof ziet, anders dan de advocaat-generaal, geen aanleiding om naast de vrijheidsstraf ook een geldboete op te leggen. Naar het oordeel van het hof ligt het in een zaak als de onderhavige veeleer in de rede om een ontnemingsprocedure te starten teneinde eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel af te romen.
Voorwaardelijk verzoek
Gelet op het voorgaande behoeft het voorwaardelijk verzoek van de verdediging, genoemd in de pleitnotities onder de punten 19 tot en met 21, geen bespreking.
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 43 (drieënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. G.J. Hanssen, voorzitter,
mr. A.J.M. van Gink en mr. C.C.H.T. Coert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.R.A.C. Dinnissen, griffier,
en op 10 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. C.C.H.T. Coert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.