Gerechtshof 's-Hertogenbosch, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:GHSHE:2026:2332

Op 28 August 2026 heeft de Gerechtshof 's-Hertogenbosch een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 20-002322-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHSHE:2026:2332. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
20-002322-25
Datum uitspraak:
28 August 2026
Datum publicatie:
28 August 2026

Indicatie

De Hoge Raad heeft de zaak teruggewezen. Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002322-25

Uitspraak : 28 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 8 november 2018 met parketnummer 01-879311-17 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te [adres] .

Procesverloop

Bij vonnis van 8 november 2018 heeft de rechtbank de verdachte ter zake van:

- feit 1: in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid hennepplanten;

- feit 2: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- feit 4: een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voorbereiden en/of bevorderen,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 3.627,93, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de vordering afgewezen. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot de datum van het vonnis begroot op € 150,00.

Namens de verdachte is op 13 november 2018 tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft dit hof bij arrest van 12 januari 2023 het vonnis waarvan beroep bevestigd, met verbetering van de kwalificatie van feit 4, en met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toegewezen tot een bedrag van € 10.816,05, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts is de verdachte veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het arrest begroot op € 150,00.

Namens de verdachte is op 13 januari 2023 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad der Nederlanden heeft bij arrest van 9 september 2025 het bestreden arrest van dit hof deels vernietigd en de zaak teruggewezen, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Omvang van het hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad

De Hoge Raad der Nederlanden heeft de uitspraak van het hof van 12 januari 2023 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de beslissing over de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevangenisstraf is door de Hoge Raad der Nederlanden zelf - vanwege de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - verminderd in die zin dat deze 2 jaren en 9 maanden beloopt.

De omvang van het hoger beroep is na verwijzing derhalve beperkt tot de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel.

In zoverre zal het hof de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw berechten en afdoen.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat thans – na verwijzing – nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van 8 november 2018 waarvan beroep zal bevestigen.

De verdediging heeft zich aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust.

Beslissing

BESLISSING

Het hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Aldus gewezen door:

mr. W.F. Koolen, voorzitter,

mr. A.J.M. van Gink en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.C.J.M. Hillebrandt en J.C. Verhoeven, griffiers,

en op 28 augustus 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.