[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1966,
wonende te [adres] .
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake
(parketnummer 03-038587-23, hierna ook: dagvaarding I)
1 primair: zware mishandeling;
2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
(parketnummer 03-292824-23, hierna ook: dagvaarding II)
mishandeling,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 330 dagen, waarvan 117 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en het zich laten opnemen in een zorginstelling. De rechtbank heeft bevolen dat de gestelde voorwaarden, alsmede het door de reclassering uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn. Tevens heeft de rechtbank beslist op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] . De vordering is gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 7.660,59, te vermeerderen met de wettelijke rente over de periode van 7 februari 2023 tot aan de dag der gehele voldoening, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente als voormeld. De benadeelde partij is in het meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaard.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank wordt bevestigd, met uitzondering van de op te leggen straf. Ten aanzien van de op te leggen straf heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 330 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Door en namens de verdachte is bepleit dat het vonnis van de rechtbank moet worden vernietigd en dat de verdachte - zo begrijpt het hof het verweer - dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor wat betreft feit 1 op dagvaarding I als gevolg van een geslaagd beroep op noodweer en voorts van het tenlastegelegde feit 2 op dagvaarding I en het feit op dagvaarding 2 moet worden vrijgesproken.
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis onder aanvulling van de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de strafmotivering, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Aanvulling van de gronden, strafbaarheid bewezenverklaarde feit 1 dagvaarding I
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, onder verwijzing naar hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht, opnieuw betoogd dat in de visie van de verdachte sprake is geweest van noodweer, zodat de verdachte (zo begrijpt het hof) van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen.
Met de rechtbank stelt het hof voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. De enkele vrees voor zo’n aanranding is
onvoldoende. De gestelde (dreigende) aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig
concreet en zodanig bedreigend zijn voor een verdachte dat deze juridisch kan worden
aangemerkt als een (dreigende) ogenblikkelijke aanranding waartegen verdediging
noodzakelijk en geboden is. Om een beroep op noodweer te kunnen beoordelen dient eerst vastgesteld te worden of de feitelijke toedracht aannemelijk is geworden.
Onder verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het beroep op noodweer op de pagina’s 5 en 6 van het vonnis onder “Noodweer?” die het hof hier als herhaald en ingelast beschouwt bij de bespreking van het verweer ten aanzien van de strafbaarheid van feit 1 dagvaarding I, is het hof van oordeel dat, behalve de verklaring van de verdachte, het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt op grond waarvan de door de verdediging gestelde feitelijke toedracht aannemelijk is geworden. Het beroep op noodweer slaagt dan ook niet. In aanvulling daarop overweegt het hof dat de verklaring van de aangever, dat de mishandeling op de gang zou hebben plaatsgehad, niet maakt dat aan zijn verklaring zou moeten worden getwijfeld. Uit de beschrijving van de beelden in het dossier en de beschrijving van de beelden als waargenomen door de rechtbank volgt immers dat de ernstige mishandeling in de hotelkamer van de aangever heeft plaatsgevonden. Ook de verdachte heeft verklaard dat hij aangever in diens kamer heeft geslagen. Ten slotte dient ook de impact die het incident op aangever moet hebben gehad niet uit het oog te worden verloren, temeer niet daar hij direct met fors letsel per ambulance naar het ziekenhuis is gebracht, binnen twee uren na het gebeuren de aangifte heeft gedaan en dit gebeurde door tussenkomst van een telefonisch tolk, daar hij de Nederlandse taal niet machtig was.
Aanvulling van de bewijsmiddelen feit 1 dagvaarding I
Het hof vult de bewijsmiddelen van de rechtbank aan met de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg dat hij de kamer van aangever binnenging en dat hij aangever twee keer heeft geslagen op zijn gezicht.
Aanvulling van de bewijsmiddelen feit dagvaarding II
Het hof vult de bewijsmiddelen van de rechtbank aan met de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij [slachtoffer 2] met zijn handen een schouderduw heeft gegeven.
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1] en de vernieling van een deur in een hotel. Het slachtoffer heeft door de mishandeling meerdere breuken aan zijn onderkaak, jukbeen en oogkas opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en heeft hij materiële schade veroorzaakt, terwijl hij in het hotel te gast was. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij van de advocaat van [slachtoffer 1] op de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat het slachtoffer nog altijd niet is hersteld en het maar de vraag is of hij volledig zal kunnen herstellen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] . Hierdoor is ook zijn lichamelijke integriteit geschonden. Dat de verdachte vooral oorzaken buiten zichzelf heeft gezocht en zoekt en geen enkel berouw in zijn handelen heeft getoond, rekent het hof de verdachte aan.
Met de rechtbank zal het hof, gelet op de Pro Justitiarapportages van de psycholoog en psychiater, de bewezenverklaarde feiten de verdachte in verminderde mate toerekenen, aangezien de verdachte mede door zijn chronische PTSS en zijn antisociale en borderline persoonlijkheidstrekken is teruggevallen in het gebruik van cocaïne waardoor hij ten tijde van het tenlastegelegde in een psychose verkeerde.
Het hof heeft verder kennisgenomen van het uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 5 juni 2024 van de verdachte.
Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.
Verder is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat het voorwaardelijk deel van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf inmiddels volledig ten uitvoer is gelegd, omdat de verdachte zich niet aan één van de dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden had gehouden. Ook is het hof gebleken dat de verdachte inmiddels - naar eigen zeggen - geen drugs meer gebruikt, therapieën heeft gevolgd en een huurhuis heeft. Mede gelet op het voorgaande, alles afwegende, en anders dan de rechtbank, zal het hof een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 330 dagen onvoorwaardelijk, met aftrek van de tijd die gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Aangezien het hof een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zal leggen, zal het hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden opheffen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.576,71, bestaande uit € 7.500,00 aan immateriële schade en € 3.076,71 aan materiële schade, bestaande uit 2 schadeposten. De eerste materiële schadepost betreft een bedrag van € 2.936,71 aan ‘zorgkosten ziekenhuis’ en de tweede materiële schadepost ziet op een bedrag van € 140,00 aan daggeldvergoeding voor vier dagen ‘ziekenhuisopname’. Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg is het bedrag van de eerste schadepost ‘zorgkosten ziekenhuis’verhoogd tot € 10.000,00 in afwachting van een mogelijke nadere onderbouwing aan de hand van nog te ontvangen facturen, zodat de totale vordering tot schadevergoeding waarover de rechtbank had te beslissen in totaal
€ 17.640,00 bedroeg. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.660,59, bestaande uit € 7.500,- aan immateriële schade en € 160,59 aan materiële schade (€ 20,59 aan kosten medicatie behorend tot schadepost ‘zorgkosten ziekenhuis’ en € 140,00 aan daggeldvergoeding behorend tot schadepost ‘ziekenhuisopname’, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2023. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Bij vonnis van de rechtbank is ook de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De benadeelde partij heeft door tussenkomst van de advocaat in hoger beroep te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te beperken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij de hoogte van de vordering beperkt, zodat de vordering waarover het hof dient te beslissen thans strekt tot schadevergoeding tot een bedrag van € 10.576,71, bestaande uit € 7.500,- aan immateriële schade en € 3.097,30 (€ 2.936,71 ‘zorgkosten ziekenhuis’, € 140,00 ‘ziekenhuisopname’ en € 20,59 ‘medicatie/
zorgkosten ziekenhuis’) aan materiële schade.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen tot het bedrag dat in eerste aanleg door de rechtbank is toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, als het beroep op noodweer wordt toegewezen, de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes bij dagvaarding I onder feit 1 primair bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 3.097,30. Dit bedrag bestaat uit:
€ 2.936,71 (schadepost ‘zorgkosten ziekenhuis’: nota ziekenhuisopname [ziekenhuis 1] );
€ 140,00 (schadepost ‘ziekenhuisopname’: daggeldvergoeding ziekenhuis) en
€ 20,59 (schadepost ‘zorgkosten ziekenhuis’: nota medicatie [ziekenhuis 2] ).
Anders dan de rechtbank heeft overwogen ziet het hof geen beletsel voor toewijzing van de factuur van [ziekenhuis 1] in verband met de ziekenhuisopname van de benadeelde partij. Als gevolg van het bewezenverklaarde en door toedoen van de verdachte is de benadeelde partij met fors letsel in het ziekenhuis beland en is hij daarvoor gefactureerd. Het ontbreken van een betalingsbewijs dat die ziekenhuiskosten door de benadeelde partij zijn voldaan, doet naar het oordeel van het hof niets af aan de schade die als gevolg van die ziekenhuisopname voor de benadeelde partij is ontstaan.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden die, naast het lichamelijke letsel zoals dat volgt uit de bewijsmiddelen, gegrond is op de aantasting van de persoon op andere wijze zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Het ernstige letsel blijkt genoegzaam uit de in de bewijsmiddelen opgenomen letselrapportage en de medische informatie van de GGD Limburg-Noord waaruit volgt dat er sprake was van een verbrijzeld linker jukbeen/bovenkaak en mogelijk definitieve uitval van één van de aangezichtszenuwen en tevens van een verbrijzeld onderkaakbeen links met een mogelijke afknelling van de gevoelszenuw. In de vordering is ten aanzien van de ‘psychische schade’ aangevoerd dat de benadeelde partij de dagen in het ziekenhuis als traumatisch heeft ervaren. De heer [slachtoffer 1] heeft last van paniekaanvallen en slaapt slecht. Uit zijn slachtofferverklaring van 16 juli 2025 volgt dat hij nog steeds slecht slaapt en dat hij nog steeds de gevolgen ervaart van het incident. Zo kan hij sinds het incident niet meer goed eten omdat hij tijdens het kauwen niet veel kracht kan zetten met de kaak. Na 2,5 jaar is er voorts nog steeds een verdikking te zien waar de kaak gebroken is en hij stelt dat hij deze gevolgen waar hij elke dag aan wordt herinnerd, de rest van zijn leven zal ervaren. Naar het oordeel van het hof zijn de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde zodanig dat er ook sprake is van de aantasting van de persoon op andere wijze.
Het hof acht in deze zaak een vergoeding ter zake van immateriële schade ter hoogte van
€ 7.500,00 zoals gevorderd billijk.
Totale schade en wettelijke rente
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en immateriële en materiële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 10.597,30 (€ 7.500,00 + € 3.097,30). Het hof zal de verdachte veroordelen tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2023, zijnde de pleegdatum, over het toegekende bedrag aan immateriële schadevergoeding en vanaf 21 september 2023, zijnde de datum van de (schriftelijke) ‘toelichting verzoek schadevergoeding’ nu onduidelijk is wanneer elk der afzonderlijke materiële schadeposten zijn ontstaan, over het toegekende bedrag aan materiële schadevergoeding, een en ander tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Desgevraagd gaf de advocaat van de benadeelde partij aan geen nadere proceskosten te vorderen tot op heden. Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 1] is toegebracht tot een bedrag van € 10.597,30. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2023 over het toegekende bedrag aan immateriële schadevergoeding en vanaf 21 september 2023 over het toegekende bedrag aan materiële schadevergoeding, een en ander tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-038587-23 onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.597,30 (tienduizend vijfhonderdzevenennegentig euro en dertig cent), bestaande uit € 3.097,30 (drieduizend zevenennegentig euro en dertig cent) aan materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata, telkens tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-038587-23 onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.597,30 (tienduizend vijfhonderdzevenennegentig euro en dertig cent) bestaande uit € 3.097,30 (drieduizend zevenennegentig euro en dertig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata, telkens tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 77 (zevenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
21 september 2023 en van de immateriële schade op 7 februari 2023.
Heft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden, meldplicht bij de reclassering en het zich laten opnemen in een zorginstelling, en het door de reclassering uit te oefenen toezicht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Aldus gewezen door:
mr. A.J. Henzen, voorzitter,
mr. N.I.B.M. Buljevic en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden en R.O. Hollander, griffiers,
en op 5 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. N.I.B.M. Buljevic en R.O. Hollander zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.