GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Raadkamerappelnummer: AVNR. 000159-26
Parketnummer 1e aanleg: 01-045864-26
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, locatie 's-Hertogenbosch van 26 februari 2026, waarbij namens:
[naam verdachte]
geboren [datum] 1982 te [plaats]
wonende te [adres]
thans verblijvende in P.I. [plaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie
's-Hertogenbosch van 25 februari 2026, bij welke beschikking de gevangenhouding van [verdachte] werd bevolen.
Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn waarnemend raadsman mr. T. Deckwitz.
Het hof heeft kennisgenomen van het dossier.
Uit het dossier blijkt dat verdachte vernieling van een ruit wordt verweten.
Tijdens het onderzoek in raadkamer en uit het procesdossier is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het hof tot de slotsom is gekomen dat het dossier voldoende ernstige bezwaren bevat jegens verdachte ter zake hetgeen hem wordt verweten. De rechter-commissaris heeft de ernstige bezwaren benoemd en het hof heeft aan de hand van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting in raadkamer zich ervan vergewist dat de ernstige bezwaren zoals destijds aangenomen nog onverkort van kracht zijn. Het hof verwijst tevens naar de bekennende verklaring van verdachte op zitting in raadkamer dat hij het raam heeft vernield.
Voorts is er sprake van gevaar voor herhaling. Het hof verwijst daartoe naar het uittreksel uit het justitiële documentatieregister dat ten laste van verdachte is opgesteld waaruit blijkt dat verdachte eerder meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen ter zake vernieling en daar ook onherroepelijk voor is veroordeeld. Verdachte heeft er blijk van gegeven enigermate resistent te zijn voor optreden van politie en justitie en dat doet ernstig vrezen voor herhaling.
Namens verdachte is een beroep gedaan op artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering. Van de zijde van het Openbaar Ministerie is te kennen gegeven dat gestreefd wordt naar oplegging van een ISD-maatregel. Blijkens het uittreksel uit het justitiële documentatieregister dat ten laste van verdachte is opgesteld voldoet verdachte naar het oordeel van het hof vooralsnog formeel aan de criteria voor het opleggen van deze maatregel. Dat betekent onder meer dat het bepaalde in artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering volgens vaste rechtspraak thans niet aan de orde is.
Het hof wijst af het beroep.
Namens verdachte is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat verdachte werk en een woning heeft en hij geschorst kan worden onder reclasseringstoezicht.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft in beginsel het recht zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in deze zaak, er sprake is van gevaar voor herhaling. In een dergelijk geval zal de rechter, zo nodig ambtshalve, op basis van het subsidiariteitsbeginsel, dienen na te gaan of niet ook op een andere, voor de verdachte minder bezwarende wijze, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis.
In de onderhavige zaak ziet het hof echter vooralsnog niet welke voorwaarden aan een schorsing moeten worden verbonden om de kans op herhaling terug te brengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.
Het hof wijst af het verzoek.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:
Wijst af het hoger beroep.
Bevestigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Aldus gedaan op 12 maart 2026
door mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter, mr. M.L.P. van Cruchten en
mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren, in tegenwoordigheid van I.M. Jansen, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.
's-Hertogenbosch, 12 maart 2026
Gezien d.d.
De directeur van P.I. [plaats]