Hoge Raad, artikel 81 ro-zaken belastingrecht
ECLI:NL:HR:2026:1082
Op 26 June 2026 heeft de Hoge Raad een artikel 81 ro-zaken procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 24/02614, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:2026:1082.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02614
Datum 26 juni 2026
[X] (hierna: belanghebbende)
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2024, nrs. BK-ARN 22/2012 tot en met 22/2014, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 21/1266, 21/1267 en 22/626) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan verhuurderheffing.
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door Z.H. van Dorth tot Medler, advocaat te Rotterdam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
Namens partijen is deze zaak, tezamen met 55 andere, samenhangende zaken, mondeling toegelicht, voor belanghebbende door Z.H. van Dorth tot Medler, voor de Staatssecretaris door M.E.A. Möhring, advocaat te Den Haag.
Overwegingen
2
Beoordeling van de middelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.