Hoge Raad, artikel 81 ro-zaken belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1305

Op 17 July 2026 heeft de Hoge Raad een artikel 81 ro-zaken procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 24/01917, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:HR:2026:1305.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
24/01917
Datum uitspraak:
17 July 2026
Datum publicatie:
17 July 2026

Indicatie

HR: 81.1 RO

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 24/01917

Datum 17 juli 2026

ARREST

in de zaak van

[X] (hierna: belanghebbende)

tegen

de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 9 april 2024, nrs. BK-ARN 22/1067 en 22/1068 (Voetnoot 1), op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/2140 en AWB 19/2141) betreffende een ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2012 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 9.6, lid 3, Wet IB 2001 (tekst 2012) en een aan hem over dat jaar opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1
Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

2
Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3
Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

4
Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.A.J. Lafleur, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:GHARL:2024:2431.